Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6209

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-08-2013
Datum publicatie
21-08-2013
Zaaknummer
200.118.056-01 20-08-2013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg van echtscheidingsconvenant ten aanzien van nabestaandenpensioen.

Wetsverwijzingen
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2013/168
JPF 2013/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.118.056/01

(zaaknummer rechtbank Assen 89875 / HA ZA 11-648)

arrest van de tweede kamer van 20 augustus 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats 1],

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. P.A.K. van Eck, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.H. Arends, kantoorhoudend te [woonplaats 2].

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van

29 augustus 2012 van de rechtbank Assen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 23 november 2012 met grieven (en een productie),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3.

De vordering van [appellant] luidt:

"het vonnis van de Rechtbank Assen d.d. 29 augustus 2012 te vernietigen en, opnieuw recht doende, zo nodig onder aanvulling van de gronden:

1. Te verstaan dat partijen hebben afgesproken over en weer afstand te doen van het tijdens het huwelijk opgebouwde nabestaandenpensioen

2. De vrouw te veroordelen om binnen veertien dagen na het ten dezen te wijzen vonnis de aan de dagvaarding gehechte verklaring te hebben getekend, waarbij zij uitvoering geeft aan de tussen partijen gemaakte afspraak en afstand doet van de opgebouwde aanspraak op partnerpensioen tijdens het huwelijk met appellant, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.500,- per dag (deel) dat zij blijft weigeren om tot ondertekening van de aangehechte verklaring over te gaan;

3. Althans te verstaan dat het ten deze te wijzen vonnis (het hof leest: arrest) in de plaats treedt van de toestemming van de vrouw, in die zin dat appellant met het door uw Hof te wijzen

arrest kan en zal bewerkstelligen dat de tussen partijen gemaakte afspraak bij de

pensioenfondsen wordt geadministreerd in dier voege dat partijen over en weer afstand doen van de opgebouwde nabestaandenpensioen;

4. Althans zodanig te bepalen als uw Hof in goede justitie zal vermenen;

5. De vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste instantie en in beroep."

2.4.

Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.1.

Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.

3.1.2.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest in algehele gemeenschap van goederen. Het huwelijk is geëindigd door echtscheiding op 21 november 2000 en inschrijving in de daartoe bestemde registers op 8 december 2000.

3.1.3.

Partijen hebben met behulp van advocaat mr. J.W.F. van Horssen afspraken gemaakt ter zake van de voorgenomen echtscheiding. De afspraken zijn vastgelegd in een op

5 november 2000 door partijen ondertekend echtscheidingsconvenant.

3.1.4.

In voornoemd echtscheidingsconvenant is onder meer bepaald:

Artikel 4: pensioenen en de verevening daarvan

4.1

Partijen constateren dat pensioenaanspraken, vallende onder de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (Wet VP), zijn opgebouwd:

a. door de man bij het ABP onder nummer [nummer 1]

b. door de vrouw bij het ABP onder nummer [nummer 2]

4.2.

Tussen partijen zal geen pensioenverevening conform de Wet VP plaatsvinden en evenmin pensioenverrekening conform het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1981."

3.1.5.

Op 18 mei 2010 heeft [geïntimeerde] een e-mail gestuurd aan [appellant] met onder meer de volgende inhoud:

"Ik kreeg een overzicht van mijn pensioen. Tot mijn stomme verbazing zag ik dat mijn ex-partner, jij dus, nog geld van mijn opgebouwde pensioen krijgt als ik kom te overlijden.

Ik was van mening dat dat allemaal geregeld was destijds in het echtscheidingsconvenant en met het ABP.

Weet jij hoe dit zit?"

3.1.6.

Tussen partijen is een mailwisseling gevolgd. Bij e-mail van 19 november 2010 schrijft [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer: "Ik ga dan ook geen formulier tekenen en doe geen afstand van het nabestaandenpensioen."

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.2.1.

In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot het ondertekenen van de verklaring waarbij zij afstand doet van de aanspraken op nabestaandenpensioen tijdens het huwelijk met [appellant] op straffe van verbeurte van een dwangsom; althans te verstaan dat het vonnis in de plaats treedt van de gewenste verklaring, in die zin dat [appellant] met het vonnis kan bewerkstelligen dat bij de betrokken pensioenfondsen wordt vastgelegd dat partijen over en weer afstand doen van de opgebouwde nabestaandenpensioenaanspraken tijdens het huwelijk van partijen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding. [appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat partijen bij de echtscheiding zijn overeengekomen dat de tijdens het huwelijk opgebouwde aanspraken op nabestaandenpensioen niet werden verdeeld dan wel verrekend, om deze afspraak te effectueren dient [geïntimeerde] een verklaring te tekenen waarin zij jegens het betrokken pensioenfonds afstand doet van haar aanspraken.

3.2.2.

[geïntimeerde] heeft betwist dat zij afstand heeft gedaan van haar tijdens het huwelijk opgebouwde rechten terzake het nabestaandenpensioen. In voorwaardelijke reconventie heeft [geïntimeerde] gevorderd, dat indien zij wordt veroordeeld om voornoemde verklaring te ondertekenen, [appellant] hiertoe eveneens wordt veroordeeld ten behoeve van zijn aanspraken op het nabestaandenpensioen opgebouwd bij haar pensioenverzekeraar.

3.2.3.

De rechtbank heeft de vordering in conventie afgewezen wegens het ontbreken van belang bij de vordering aan de zijde [appellant] en heeft [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

Met betrekking tot de grieven

3.3.3.

Grief 1 richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat [appellant] geen belang heeft bij zijn vordering. [appellant] heeft in de toelichting op zijn vordering gesteld dat het belang is gelegen in het feit dat indien [geïntimeerde] afziet van haar tijdens het huwelijk met [appellant] opgebouwde aanspraken op het nabestaandenpensioen, dit zal leiden tot een hogere uitkering terzake het nabestaandenpensioen voor zijn huidige echtgenote.

3.3.4.

Het hof overweegt dat de stelling van [appellant] dat het afzien door [geïntimeerde] van haar aanspraak op het nabestaandenpensioen kan leiden tot een hogere uitkering voor [appellant]'s huidige echtgenote, een voldoende belang oplevert bij zijn vordering zoals door art. 3:303 BW wordt gevraagd. De grief is terecht voorgedragen. Of dit hem ook baat zal worden bezien aan de hand van de beslissing op de overige grieven.

3.3.5.

De grieven 2, 3, 4 en 5 leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

3.3.6.

Partijen verschillen van mening over de uitleg van het echtscheidingsconvenant, meer in het bijzonder of in het bepaalde in artikel 4 daarvan de afspraak is gemaakt dat partijen over en weer afzien van de tijdens het huwelijk opgebouwde rechten op het nabestaandenpensioen, zoals door [appellant] wordt gesteld en door [geïntimeerde] wordt betwist.

3.3.7.

Het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant dient te worden uitgelegd met inachtneming van het zogeheten Haviltexcriterium, waarbij de rechter rekening dient te houden met alle bijzondere omstandigheden van het geval (vgl. HR 22 september 2006, LJN: AX1571).


3.3.8. Het hof is van oordeel dat aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen van de echtscheidingsconvenant grote betekenis toekomt, gebaseerd op het uitgangspunt dat partijen, bijgestaan door een advocaat over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld, terwijl de overeenkomst ertoe strekt de wederzijdse rechten en verplichtingen nauwkeurig vast te leggen. Het hof stelt vast dat in artikel 4 van het echtscheidingsconvenant (r.o. 3.1.4.) wordt vastgelegd dat partijen pensioenrechten bij het ABP (Pensioenfonds voor overheid en onderwijs) hebben opgebouwd en vervolgens in lid 2 wordt bepaald dat er geen pensioenverevening conform de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding en evenmin pensioenverrekening conform het arrest van de Hoge Raad van
27 november 1981 (het zogenoemde Boon- van Loonarrest) zal plaatsvinden. Het hof is van oordeel dat die bepaling geen andere uitleg toelaat dan dat partijen uitsluitend afspraken hebben willen maken over het ouderdomspensioen, nu zowel de wet Verevening Pensioenrechten als genoemd arrest zien op het ouderdomspensioen.

3.3.9.

Voor het overige heeft [appellant] onvoldoende bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het echtscheidingsconvenant in de door hem bepleite zin moet worden opgevat. De door [appellant] overgelegde mailwisseling tussen partijen (r.o. 3.1.5. en 3.1.6.), waarin tien jaar na het sluiten van het convenant wordt geïnformeerd naar het "pensioen", is hiervoor onvoldoende, temeer nu de uitleg die hier door [appellant] aan wordt gegeven door [geïntimeerde] bestreden. De grieven 2, 3 4 en 5 falen.

3.3.10.

De overige grieven hebben naast het voorgaande geen zelfstandige betekenis en behoeven daarom geen bespreking.

Slotsom

3.3.11.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op: € 291,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat

(1 punt / tarief II: € 894,-).

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Assen van 29 augustus 2012;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 291,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. I. Tubben en mr. R.A. van der Pol en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 20 augustus 2013.