Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:611

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
KS 24-002868-09 30-1-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Megazaak Potvis o.a. handel in illegaal vuurwerk

- Bevoegdheid economische kamer

- Pseudokoop versus infiltratie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 24-002868-09

Uitspraak d.d.: 30 januari 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Assen van 27 oktober 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1968],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 12 december 2011, 7 mei 2012, 15 en 16 januari 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde tot een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 240 uren, met aftrek van het voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen geld. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. M.G. Doornbos, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 28 januari 2009, althans in het jaar 2004 en/of 2005 en/of 2006 en/of 2007 en/of 2008 (telkens) in of omstreeks de maand(en) september en/of oktober en/of november en/of december, en/of in of omstreeks de periode van 1januari2007 tot en met 28 januari 2009 (onderzoek Potvis: o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.3 en/of 3.4 en/of 3.19) en/of op of omstreeks 6 december 2007 (o.a. zaak 3.1) en/of op of omstreeks 20 december 2007 (o.a. zaak 3.2) en/of op of omstreeks 29 oktober 2008 (o.a. zaak 3.3) en/of op of omstreeks 1 december 2008 (o.a. zaak 3.4) en/of op of omstreeks 19 januari 2009 (o.a. zaak 3.19) in de gemeente Hoogeveen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk (een) hoeveelhe(i)d(en) consumentenvuurwerk, te weten één of meer strijkers (o.a. onderzoek Potvis) en/of één of meer Chinese rollen(o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.3 en/of 3.4) en/of één of meer flowerbeds (o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.4) en/of één of meer signaalraketten (o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.3 en/of 3.4 en/of 3.19) en/of één of meer stuks nitraat (o.a. zaak 3.2 en/of 3.19) en/of één of meer vlinders (o.a. zaak 3.2 en/of 3.4) en/of één of meer mortieren (o.a. zaak 3.1) en/of één of meer vuurpijlen (o.a. zaak 3.19) en/of één of meer noodseinmiddelen (o.a. zaak 3.19) voorhanden heeft gehad(o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.3 en/of 3.4 en/of 3.19) en/of aan een of meer anderen ter beschikking heeft gesteld (o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.3 en/of 3.4), ten aanzien waarvan (telkens) met werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen en/of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24, derde lid van de Wet milieugevaarlijke stoffen en/of artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer gestelde regels, aangezien voornoemd vuurwerk (telkens) met was voorzien van de voorgeschreven aanduidingen en/of een in de Nederlandse taal gestelde gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruikers en/of omstanders kon ontstaan en/of voldeed dat vuurwerk voor wat betreft lading en/of aard en/of samenstelling en/of constructie en/of eigenschappen niet aan het gestelde in de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004;

2.

verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot

en met 28 januari 2009, althans in het jaar 2004 en/of 2005 en/of 2006 en/of 2007 en/of 2008 (telkens) in of omstreeks de maand(en) september en/of oktober en/of november en/of december, en/of in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 27 december 2007 en/of 1 januari 2008 tot en met 28 december 2008 en/of 1januari2009 tot en met 28 januari 2009, (onderzoek Potvis: o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.3 en/of 3.4) in de gemeente Hoogeveen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk consumentenvuurwerk, te weten één of meer strijkers (o.a. onderzoek Potvis) en/of één of meer Chinese rollen (o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.3 en/of 3.4) en/of één of meer flowerbeds (o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.4) en/of één of meer signaalraketten (o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.3 en/of 3.4) en/of één of meer stuks nitraat (o.a. zaak 3.2) en/of één of meer vlinders (o.a. zaak 3.2 en/of 3.4) en/of één of meer mortieren (o.a. zaak 3.1), althans één of meer stuks consumentenvuurwerk (telkens) ter beschikking heeft gesteld aan één of meer particulieren;

3.

verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 28 januari 2009, althans in of omstreeks het jaar 2003 en/of het jaar 2004 en/of het jaar 2005 en/of in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 28 januari 2009, (onderzoek Potvis: o.a. zaak 3.7 en/of 3.8 en/of 3.9), in de gemeente Hoogeveen en/of (elders) in Nederland, (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf al dan niet opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) al dan niet opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of (telkens) al dan niet opzettelijk heeft vervaardigd, een hoeveelheid hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, en/of een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bevoegdheid Economische Kamer van het gerechtshof

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat de samenstelling van de kamer van dit hof, in de samenstelling van mr. G. Dam, mr. G.M. Meijer-Campfens en mr. T.H. Bosma, geen bevoegde economische kamer is, omdat zij geen van allen deel uitmaken van het zogeheten kernteam voor behandeling van economische zaken van het hof.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Gelet op artikel 20 van de Wet op de rechterlijke organisatie is door het bestuur van het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden een bestuursreglement vastgesteld.

Artikel 4 van dit bestuursreglement luidt:

Artikel 4. Indeling in afdelingen, teams en kamers en vaststellen van de bezetting.

1.

Het bestuur stelt jaarlijks (per 1 januari) een overzicht vast waarin wordt aangegeven welke categorieën zaken door elk van de afdelingen, teams en kamers worden behandeld.
Het overzicht wordt gepubliceerd op Rechtspraak.nl en ligt op de hoofdzittingsplaatsen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter inzage.

2.

Het bestuur stelt jaarlijks (per 1 januari) de bezetting van de afdelingen, teams en belastingkamers vast en voorts welke afdelingen en teams enkelvoudige en meervoudige kamers vormen. Het gerechtshof kent enkelvoudige en meervoudige kamers voor de behandeling van zaken als bedoeld in de artikelen 63 tot en met 71 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Degenen (waaronder begrepen raadsheer-plaatsvervangers) die deel uitmaken van een afdeling of een team dat is belast met de behandeling van zaken als bedoeld in de artikelen 63 tot en met 71 van de Wet op de rechterlijke organisatie, zijn aangewezen als lid van de enkelvoudige en meervoudige kamers, bedoeld in die artikelen.

3.

Tussentijdse wijzigingen worden door het bestuur binnen een maand na de wijziging in het overzicht, bedoeld in lid 1, verwerkt.

4.

Raadsheren en raadsheren-plaatsvervanger kunnen in afwijking van het gepubliceerde overzicht door de afdelingsvoorzitter tijdelijk worden belast met de behandeling van een zaak of zaken uit een andere locatie, afdeling, team (en/of) kamer als bedoeld in lid 2, indien dit als gevolg van bezettingsproblemen, om opleidingsredenen, vanwege bijzondere kennis, of om enige andere reden noodzakelijk en/of nuttig wordt geoordeeld. Zij gelden dan als aangewezen in de zin van lid 2 van dit artikel.

5.

Het bestuur kan zijn bevoegdheden ten aanzien van de indeling in teams en kamers, alsmede de tussentijdse wijzigingen hierin, mandateren aan afdelings- en/of teamvoorzitters.

De raadsheren die deel uitmaken van de kamer die economische zaken behandelt zijn daartoe aangewezen in de zin van artikel 4 lid 1 en lid 2 als hierboven aangehaald. De raadsheren mr. G.M. Meijer-Campfens, mr. G. Dam en mr. T.H. Bosma zijn door de afdelingsvoorzitter aangewezen de onderhavige zaak in behandeling te nemen en gelden op grond van artikel 4 lid 4 als aangewezen in de zin van lid 2 van dit artikel.

Met hetgeen hiervoor is vermeld is voldaan aan de eisen die de wetgever in artikel 52 van de wet op de economische delicten en artikel 64 van de Wet op de rechterlijke organisatie ten aanzien van de bevoegdheid tot het behandelen en beslissen van zaken waarin door de economische kamers van de rechtbanken vonnis is gewezen, heeft gesteld.

Er is geen reden om aan te nemen dat de wetgever andere eisen stelt dan de hierboven genoemde.

Deze economische kamer van het hof is derhalve bevoegd om deze strafzaak te behandelen.

Redelijke termijn en de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie



De raadsman heeft overeenkomstig hetgeen in zijn pleitnotities is opgenomen geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op grond van de overschrijding van de redelijke termijn.

Volgens de vaste jurisprudentie van de hoge raad kan overschrijding van de redelijke termijn niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Nu het hof geen aanleiding ziet om in het onderhavige geval anders te bepalen, oordeelt het dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging..

Overwegingen met betrekking tot de pseudokopen

Op 6 december 2007, 20 december 2007, 29 oktober 2008 en 1 december 2008 is gebruik gemaakt van het opsporingsmiddel pseudokoop door vuurwerkaankopen te doen bij medeverdachte [medeverdachte 4].

De rechtbank heeft in haar vonnis geoordeeld dat in de onderhavige zaak in strijd is gehandeld met de regels die door de wetgever zijn gesteld voor de inzet van het bijzondere opsporingsmiddel pseudokoop. Door de rechtbank is het bewijsmateriaal dat rechtstreeks is verkregen door de pseudokopen daarom uitgesloten van het bewijs.

Pseudokoop of infiltratie

De verdediging heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de pseudokopen onrechtmatig waren. Er zou geen sprake zijn geweest van pseudokoop maar van infiltratie als bedoeld in artikel 126h van het Wetboek van Strafvordering nu er achtereenvolgens vier pseudokopen hebben plaatsgevonden en de pseudokoper zou zijn doorgedrongen in het privéleven van verdachte [medeverdachte 4] en zijn gezin. Tot infiltratie was echter geen bevoegdheid verleend. Verdachte is daardoor in zijn belangen geschonden en de resultaten van de 'pseudokopen' dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op 4 december 2007 (schriftelijke bevestiging d.d. 6 december 2007) heeft de officier van justitie voor de eerste maal een bevel tot pseudokoop afgegeven voor de periode 1 december 2007 tot en met 24 december 2007. In dit bevel wordt verwezen naar het proces-verbaal van Politie Drenthe d.d. 28 november 2007.
In dit proces-verbaal (proces-verbaal Aanvraag bevel pseudokoop dienstverlening ex artikel 126i WvSv) staat, onder meer, het volgende:

In aansluiting op het proces-verbaal 023-AH-002 d.d. 25 september 2007, inzake een algemeen overzicht bij aanvang van het opsporingsonderzoek Potvis, met betrekking tot de mogelijke criminele handelingen gepleegd in georganiseerd verband door de in dat proces-verbaal genoemde verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], blijkt dat voornoemde verdachten zich bezig houden met de in voornoemd proces-verbaal omschreven deelprojecten, te weten:
1. handel in hennepstekken en het opzetten van hennepkwekerijen

2.

importeren van en handel in verboden consumentenvuurwerk

3.

importeren van en handel in valse merkkleding.

CIE-informatie
Van de zijde van de Criminele Inlichtingen Eenheid kwam de volgende informatie binnen:
1. "[medeverdachte 4] levert vuurwerk. Nadat de bestelling bij hem is geplaatst, krijgt de besteller bericht waar en wanneer hij het vuurwerk kan afhalen. Op één dag worden zoveel mogelijk bestellingen afgehaald. [medeverdachte 4] levert nu 100-duizend-klappers en binnenkort 500-duizend-klappers."
2. "Bij [medeverdachte 4] zijn dozen gebracht door een onbekende man. De man wordt in Hoogeveen regelmatig gezien in gezelschap van [medeverdachte 1]."

Uit een eerder strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat personen die verboden consumentenvuurwerk komen afhalen bij de [bedrijf medeverdachte 1] aan de [adres] te Hoogeveen, hun voertuig enige tijd moeten afstaan. Zij krijgen dan later hun voertuig geladen met verboden consumentenvuurwerk weer terug.

Tevens wordt opgemerkt dat in het belang van het Potvis-onderzoek door de officier van justitie bevelen zijn afgegeven inzake stelselmatige observatie ten aanzien van verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4].

Het is gelet op de eerder genoemde feiten en omstandigheden in belang van het onderzoek dat een opsporingsambtenaar goederen of diensten als bedoeld in artikel 126i lid onder b van het Wetboek van Strafvordering afneemt van of diensten verleent aan de verdachten: [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1], allen voornoemd.
Het moet niet worden uitgesloten dat de verdachte [medeverdachte 4] zijn verboden consumentenvuurwerk betrekt van de verdachten [medeverdachte 1] en/of zijn bedrijfsleider [medeverdachte 2].
Ten eerste zal de pseudokoop worden aangewend voor verkrijging van het bewijs van het aanwezig hebben en afleveren van verboden consumentenvuurwerk.
Ten tweede zal de pseudokoop dienen voor het opbouwen van vertrouwen om de omvang van de handel van [medeverdachte 4] vast te kunnen stellen en op die manier te komen bij de leverancier van dit verboden consumentenvuurwerk.

Op 12 september 2008 volgt een nieuwe aanvraag voor een bevel tot pseudokoop. In dat proces-verbaal Aanvraag bevel pseudokoop dienstverlening ex artikel 126i WvSv staat beschreven dat het Potvis-onderzoek tot dan toe nog niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Het proces-verbaal relateert, onder meer, het volgende:

Er is vastgesteld dat [medeverdachte 4] in verboden consumentenvuurwerk handelt. Dat [medeverdachte 3], zwager van [medeverdachte 1], betrokken is bij deze vuurwerkhandel van [medeverdachte 4] en kennis heeft van de opslagplaats van het verboden consumentenvuurwerk. Ook het feit dat [medeverdachte 3] op de dag van de levering van het vuurwerk aan [medeverdachte 4] een bezoek heeft gebracht aan de Vuurwerkhal van de [bedrijf medeverdachte 1]. Evenals dat een werknemer van [medeverdachte 1], [betrokkene], nadien dozen inlaadt in de auto van [medeverdachte 3].

Voorgestelde werkwijze
De PIT-ter zal wederom contact opnemen met [medeverdachte 4] in combinatie met verdachte [medeverdachte 3] en informeren naar de mogelijkheid van een 3e mogelijk 4e pseudokoop van verboden consumentenvuurwerk. De laatste pseudokoop zal een partij van grote omvang moeten zijn. De verwachting is namelijk dat de bestelling van een grote hoeveelheid vuurwerk [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zal stimuleren tot meer direct contact met de verdachten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2].
Er zal voor het vervoer gebruik gemaakt worden van een middelgrote vrachtauto.

Het zwaartepunt van het onderzoek richt zich op dit moment op het verboden consumentenvuurwerk. De andere deelprojecten worden gedurende het onderzoek meegenomen om de informatiepositie rond [medeverdachte 1] en de criminele organisatie in kaart te brengen.

De belangrijkste wijziging ten aanzien van de 3e pseudokoop bij [medeverdachte 4] zal zijn dat naast de pseudokoop tevens getracht zal worden bekend te worden met de opslagplaats van het verboden consumentenvuurwerk en wie er allemaal bij de levering betrokken is.
De reden van de derde pseudokoop is tweeledig, namelijk:
1. De pseudokoop zal worden aangewend voor verkrijging van bewijs van het aanwezig hebben en afleveren van verboden consumentenvuurwerk;
2. De pseudokoop zal dienen voor het opbouwen van vertrouwen om de omvang van de handel van [medeverdachte 4] vast te kunnen stellen en op die manier te komen bij de leverancier van dit verboden vuurwerk.

Het hof stelt voorop dat van infiltratie als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering sprake is indien en voor zover de opsporingsambtenaar deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.

Van pseudo-koop is, voor zover hier van belang, volgens artikel 126i Wetboek van Strafvordering, sprake als een opsporingsambtenaar goederen afneemt van de verdachte.

De bevoegdheid tot pseudokoop als bedoeld in artikel 126i van het Wetboek van Strafvordering heeft in beginsel een eenmalig karakter. Het enkele feit dat een opsporingsambtenaar enkele malen goederen afneemt, dwingt naar het oordeel van het hof echter niet tot de conclusie dat van infiltratie sprake is geweest

Het hof stelt vast dat het eerste bevel tot pseudokoop was gericht op eenmalige aankoop van verboden consumentenvuurwerk.

De op de eerste pseudokoop volgende pseudokopen vormden een logische voortzetting (in het kader)van (het doel van) het opsporingsonderzoek zoals omschreven in de bevelen en de onderliggende stukken. De verrichtingen van pseudokoper [naam] gingen niet verder dan nodig was voor de aankoop van het verboden consumentenvuurwerk.

Het hof is van oordeel dat de activiteiten van pseudokoper [naam] niet zijn aan te merken als het deelnemen of medewerking verlenen aan een groep. Hij is steeds slechts de koper geweest van (verboden) vuurwerk.

Het hof is voorts van oordeel dat de contacten die pseudokoper [naam] onderhield met medeverdachte [medeverdachte 4] en zijn gezin, evenmin tot de conclusie leiden dat sprake is van infiltratie. Deze contacten waren er op gericht om bij [medeverdachte 4] voldoende vertrouwen te wekken om tot de verkoop van verboden vuurwerk over te gaan.
De omstandigheid dat de pseudokoper in het proces-verbaal ook als ‘infiltrant’ wordt aangeduid leidt er naar het oordeel van het hof evenmin toe dat sprake is van infiltratie.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in zoverre en zal de resultaten van de pseudokopen niet uitsluiten van het bewijs.

Het hof overweegt in het kader van dit verweer overigens dat de inzet van pseudokoper [naam] bovendien was gericht tegen medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1]. Het hof is derhalve, anders dan de raadsman, van oordeel dat, gelet op de schutznorm, in geval van enig gebrek ten aanzien van de pseudokopen, verdachte aldus niet in enig belang geschonden kan zijn.

Het verweer van de verdediging dat verdachte is geschonden in zijn belang als gevolg van onrechtmatige pseudokopen wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

verdachte in de periode van 1 september 2004 tot en met 28 januari 2009, in de gemeente Hoogeveen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens opzettelijk, hoeveelheden consumentenvuurwerk te weten strijkers en/of Chinese rollen en/of flowerbeds en/of signaalraketten en/of één of meer stuks nitraat en/of vlinders en/of mortieren voorhanden heeft gehad en aan anderen ter beschikking heeft gesteld, ten aanzien waarvan telkens niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen, aangezien voornoemd vuurwerk niet was voorzien van de voorgeschreven aanduidingen en/of een in de Nederlandse taal gestelde gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan en/of voldeed dat vuurwerk voor wat betreft lading en/of aard en/of samenstelling en/of constructie en/of eigenschappen niet aan het gestelde in de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004;

2.

verdachte in de periode van 1 september 2004 tot en met 28 december 2004, van 1 januari 2005 tot en met 28 december 2005, van 1 januari 2006 tot en met 27 december 2006, van 1 januari 2007 tot en met 27 december 2007 en 1 januari 2008 tot en met 28 december 2008 in de gemeente Hoogeveen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten strijkers en/of Chinese rollen en/of flowerbeds en/of signaalraketten en/of één of meer stuks nitraat en/of vlinders en/of mortieren, ter beschikking heeft gesteld aan particulieren;


3.

verdachte in de periode van 1 januari 2005 tot en met 28 januari 2009 in de gemeente Hoogeveen telkens opzettelijk heeft geteeld en bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid hennepplanten, zijnde hasjiesj en/of hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

tot 1 juni 2008:
medeplegen van het opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, meermalen gepleegd,

en

vanaf 1 juni 2008:

medeplegen van het opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

tot 1 juni 2008:
medeplegen van het opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, meermalen gepleegd,

en

vanaf 1 juni 2008:

medeplegen van het opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft jarenlang gehandeld in illegaal en krachtig vuurwerk. Dergelijk vuurwerk is gevaarlijk, veroorzaakt niet zelden letsel en schade en brengt als zodanig de samenleving ernstig in gevaar. Ook heeft hij, buiten de daarvoor toegestane dagen, vuurwerk verkocht aan particulieren. Verdachte heeft geen blijk gegeven te beseffen dat door zijn handelen al die jaren bij vele personen dat gevaar is veroorzaakt.

Daarnaast heeft verdachte ook de volksgezondheid in gevaar gebracht door zich met de hennepteelt bezig te houden. Verdachte heeft er door zijn handelen immers aan toe bijgedragen dat de verslavingsproblematiek met alle daarmee vaak gepaard gaande vormen van criminaliteit in stand wordt gehouden.

De verdachte heeft zowel met betrekking tot de handel in vuurwerk als in het kader van de hennepteelt steeds uit louter financieel gewin gehandeld.

Het hof neemt bij de straftoemeting voorts in aanmerking dat verdachte blijkens een hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 november 2012 lang geleden eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Al het vorenstaande in aanmerking nemende, is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verdachte een passende sanctie is voor de aan hem ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten.

Het hof zal echter volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke werkstraf, nu de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens is overschreden.
Als uitgangspunt geldt dat de berechting van de zaak in hoger beroep behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Op 9 november 2009 is er hoger beroep ingesteld. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer 1 jaar en 3 maanden. Gelet hierop zal het hof in plaats van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden en een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 240 uren opleggen.

Teruggave beslag

Het hof zal de teruggave gelasten aan de verdachte van de in beslag genomen goederen, te weten 2.500 euro (papiergeld) en 1.020,70 euro (muntgeld).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, de artikelen 1.2.2 en 2.3.2 van het Vuurwerkbesluit en de artikelen 6 en 8 en bijlage III van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

2.500 euro papiergeld en 1.020,70 euro muntgeld.

Aldus gewezen door

mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. T.H. Bosma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,

en op 30 januari 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.