Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:610

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
KS 24-002867-09 30-1-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Megazaak Potvis o.a. handel in illegaal vuurwerk

- Bevoegdheid economische kamer

- Pseudokoop versus infiltratie

- Talloncriterium

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 24-002867-09

Uitspraak d.d.: 30 januari 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Assen van 27 oktober 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1963],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 12 december 2011, 7 mei 2012, 15 en 16 januari 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde tot een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 240 uren, met aftrek van het voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. C.C.N. Brens-Cats, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 28 januari 2009, althans in het jaar 2004 en/of 2005 en/of 2006 en/of 2007 en/of 2008 (telkens) in of omstreeks de maand(en) september en/of oktober en/of november en/of december, en/of in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 28 januari 2009 (onderzoek Potvis: o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.3 en/of 3.4 en/of 3.16) en/of op of omstreeks 6 december 2007 (o.a. zaak 3.1) en/of op of omstreeks 20 december 2007 (o.a. zaak 3.2) en/of op of omstreeks 29 oktober 2008 (o.a. zaak 3.3) en/of op of omstreeks 1 december 2008 (o.a. zaak 3.4) en/of in de gemeente Hoogeveen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk, (een) hoeveelhe(i)d(en) consumentenvuurwerk te weten één of meer strijkers (o.a. onderzoek Potvis) en/of één of meer Chinese rollen (o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.3 en/of 3.4 en/of 3.16) en/of één of meer flowerbeds (o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.4) en/of één of meer signaalraketten (o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.3 en/of 3.4 en/of 3.16) en/of één of meer stuks nitraat (o.a. zaak 3.2 en/of 3.16) en/of één of meer vlinders (o.a. zaak 3.2 en/of 3.4 en/of 3.16) en/of één of meer mortieren (o.a. zaak 3.1 en/of 3.16) voorhanden heeft gehad (o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.3 en/of 3.4 en/of 3.16) en/of aan een of meer anderen ter beschikking heeft gesteld (o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.3 en/of 3.4 en/of 3.16), ten aanzien waarvan (telkens) niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen en/of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24, derde lid van de Wet milieugevaarlijke stoffen en/of artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer gestelde regels, aangezien voornoemd vuurwerk (telkens) niet was voorzien van de voorgeschreven aanduidingen en/of een in de Nederlandse taal gestelde gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan en/of voldeed dat vuurwerk voor wat betreft lading en/of aard en/of samenstelling en/of constructie en/of eigenschappen niet aan het gestelde in de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004;

2.

verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 28 januari 2009, althans in het jaar 2004 en/of 2005 en/of 2006 en/of 2007 en/of 2008 (telkens) in of omstreeks de maand(en) september en/of oktober en/of november en/of december, en/of in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 27 december 2007 en/of 1 januari 2008 tot en met 28 december 2008 en/of 1 januari 2009 tot en met 28 januari 2009, (onderzoek Potvis: o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.3 en/of 3.4 en/of 3.16) in de gemeente Hoogeveen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten één of meer strijkers (o.a. onderzoek Potvis) en/of één of meer Chinese rollen (o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.3 en/of 3.4 en/of 3.16) en/of één of meer flowerbeds (o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.4) en/of één of meer signaalraketten (o.a. zaak 3.1 en/of 3.2 en/of 3.3 en/of 3.4 en/of 3.16) en/of één of meer stuks nitraat (o.a. zaak 3.2 en/of 3.16) en/of één of meer vlinders (o.a. zaak 3.2 en/of 3.4 en/of 3.16) en/of één of meer mortieren (o.a. zaak 3.1 en/of 3.16), althans één of meer stuks consumentenvuurwerk, (telkens) ter beschikking heeft gesteld aan één of meer particulieren;

3.

verdachte op of omstreeks 19 januari 2009, in de gemeente Hoogeveen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie I, onder 7, te weten een nabootsing van een pistool, welke gelijkenis vertoonde met een vuurwapen (pistool van het merk Sig Sauer, type Sig Sauer, type P288, kaliber 9 mm para), voorhanden heeft gehad, (onderzoek Potvis: o.a. zaak 3.12);

4.


verdachte op of omstreeks 19 januari 2009, in de gemeente Hoogeveen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II onder 6e te weten een spuitbusje met traangas, en/of munitie van categorie III, te weten een aantal knalpatronen en/of kogelpatronen en/of een gaspatroon, voorhanden heeft gehad,

(onderzoek Potvis: o.a. zaak 3.12).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot de pseudokopen

Op 6 december 2007, 20 december 2007, 29 oktober 2008 en 1 december 2008 is gebruik gemaakt van het opsporingsmiddel pseudokoop.

De rechtbank heeft in haar vonnis geoordeeld dat in de onderhavige zaak in strijd is gehandeld met de regels die door de wetgever zijn gesteld voor de inzet van het bijzondere opsporingsmiddel pseudokoop. Door de rechtbank is het bewijsmateriaal dat rechtstreeks is verkregen door de pseudokopen daarom uitgesloten van het bewijs.

Pseudokoop of infiltratie

De verdediging heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de pseudokopen onrechtmatig waren. Er zou geen sprake zijn geweest van pseudokoop maar van infiltratie als bedoeld in artikel 126h van het Wetboek van Strafvordering nu er achtereenvolgens vier pseudokopen hebben plaatsgevonden en de pseudokoper zou zijn doorgedrongen in het privéleven van verdachte [verdachte] en zijn gezin. Tot infiltratie was echter geen bevoegdheid verleend.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op 4 december 2007 (schriftelijke bevestiging d.d. 6 december 2007) heeft de officier van justitie voor de eerste maal een bevel tot pseudokoop afgegeven voor de periode 1 december 2007 tot en met 24 december 2007. In dit bevel wordt verwezen naar het proces-verbaal van Politie Drenthe d.d. 28 november 2007.
In dit proces-verbaal (proces-verbaal Aanvraag bevel pseudokoop dienstverlening ex artikel 126i WvSv) staat, onder meer, het volgende:

In aansluiting op het proces-verbaal 023-AH-002 d.d. 25 september 2007, inzake een algemeen overzicht bij aanvang van het opsporingsonderzoek Potvis, met betrekking tot de mogelijke criminele handelingen gepleegd in georganiseerd verband door de in dat proces-verbaal genoemde verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], blijkt dat voornoemde verdachten zich bezig houden met de in voornoemd proces-verbaal omschreven deelprojecten, te weten:
1. handel in hennepstekken en het opzetten van hennepkwekerijen

2.

importeren van en handel in verboden consumentenvuurwerk

3.

importeren van en handel in valse merkkleding.

CIE-informatie
Van de zijde van de Criminele Inlichtingen Eenheid kwam de volgende informatie binnen:
1. "[verdachte] levert vuurwerk. Nadat de bestelling bij hem is geplaatst, krijgt de besteller bericht waar en wanneer hij het vuurwerk kan afhalen. Op één dag worden zoveel mogelijk bestellingen afgehaald. [verdachte] levert nu 100-duizend-klappers en binnenkort 500-duizend-klappers."
2. "Bij [verdachte] zijn dozen gebracht door een onbekende man. De man wordt in Hoogeveen regelmatig gezien in gezelschap van [medeverdachte 1]."

Uit een eerder strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat personen die verboden consumentenvuurwerk komen afhalen bij de [bedrijf medeverdachte 1] aan de [adres] te Hoogeveen, hun voertuig enige tijd moeten afstaan. Zij krijgen dan later hun voertuig geladen met verboden consumentenvuurwerk weer terug.

Tevens wordt opgemerkt dat in het belang van het Potvis-onderzoek door de officier van justitie bevelen zijn afgegeven inzake stelselmatige observatie ten aanzien van verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte].

Het is gelet op de eerder genoemde feiten en omstandigheden in belang van het onderzoek dat een opsporingsambtenaar goederen of diensten als bedoeld in artikel 126i lid onder b van het Wetboek van Strafvordering afneemt van of diensten verleent aan de verdachten: [verdachte] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1], allen voornoemd.
Het moet niet worden uitgesloten dat de verdachte [verdachte] zijn verboden consumentenvuurwerk betrekt van de verdachten [medeverdachte 1] en/of zijn bedrijfsleider [medeverdachte 2].
Ten eerste zal de pseudokoop worden aangewend voor verkrijging van het bewijs van het aanwezig hebben en afleveren van verboden consumentenvuurwerk.
Ten tweede zal de pseudokoop dienen voor het opbouwen van vertrouwen om de omvang van de handel van [verdachte] vast te kunnen stellen en op die manier te komen bij de leverancier van dit verboden consumentenvuurwerk.

Op 12 september 2008 volgt een nieuwe aanvraag voor een bevel tot pseudokoop. In dat proces-verbaal Aanvraag bevel pseudokoop dienstverlening ex artikel 126i WvSv staat beschreven dat het Potvis-onderzoek tot dan toe nog niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Het proces-verbaal relateert, onder meer, het volgende:

Er is vastgesteld dat [verdachte] in verboden consumentenvuurwerk handelt. Dat [medeverdachte 3], zwager van [medeverdachte 1], betrokken is bij deze vuurwerkhandel van [verdachte] en kennis heeft van de opslagplaats van het verboden consumentenvuurwerk. Ook het feit dat [medeverdachte 3] op de dag van de levering van het vuurwerk aan [verdachte] een bezoek heeft gebracht aan de Vuurwerkhal van de [bedrijf medeverdachte 1]. Evenals dat een werknemer van [medeverdachte 1], [betrokkene 1], nadien dozen inlaadt in de auto van [medeverdachte 3].

Voorgestelde werkwijze
De PIT-ter zal wederom contact opnemen met [verdachte] in combinatie met verdachte [medeverdachte 3] en informeren naar de mogelijkheid van een 3e mogelijk 4e pseudokoop van verboden consumentenvuurwerk. De laatste pseudokoop zal een partij van grote omvang moeten zijn. De verwachting is namelijk dat de bestelling van een grote hoeveelheid vuurwerk [verdachte] en [medeverdachte 3] zal stimuleren tot meer direct contact met de verdachten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2].
Er zal voor het vervoer gebruik gemaakt worden van een middelgrote vrachtauto.

Het zwaartepunt van het onderzoek richt zich op dit moment op het verboden consumentenvuurwerk. De andere deelprojecten worden gedurende het onderzoek meegenomen om de informatiepositie rond [medeverdachte 1] en de criminele organisatie in kaart te brengen.

De belangrijkste wijziging ten aanzien van de 3e pseudokoop bij [verdachte] zal zijn dat naast de pseudokoop tevens getracht zal worden bekend te worden met de opslagplaats van het verboden consumentenvuurwerk en wie er allemaal bij de levering betrokken is.
De reden van de derde pseudokoop is tweeledig, namelijk:
1. De pseudokoop zal worden aangewend voor verkrijging van bewijs van het aanwezig hebben en afleveren van verboden consumentenvuurwerk;
2. De pseudokoop zal dienen voor het opbouwen van vertrouwen om de omvang van de handel van [verdachte] vast te kunnen stellen en op die manier te komen bij de leverancier van dit verboden vuurwerk.

Het hof stelt voorop dat van infiltratie als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering sprake is indien en voor zover de opsporingsambtenaar deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.

Van pseudo-koop is, voor zover hier van belang, volgens artikel 126i Wetboek van Strafvordering, sprake als een opsporingsambtenaar goederen afneemt van de verdachte.

De bevoegdheid tot pseudokoop als bedoeld in artikel 126i van het Wetboek van Strafvordering heeft in beginsel een eenmalig karakter. Het enkele feit dat een opsporingsambtenaar enkele malen goederen afneemt, dwingt naar het oordeel van het hof echter niet tot de conclusie dat van infiltratie sprake is geweest

De op de eerste pseudokoop volgende pseudokopen vormden een logische voortzetting (in het kader)van (het doel van) het opsporingsonderzoek zoals omschreven in de bevelen en de onderliggende stukken, als hierboven genoemd. De verrichtingen van pseudokoper [naam] gingen niet verder dan nodig was voor de aankoop van het verboden consumentenvuurwerk.

Het hof is van oordeel dat de activiteiten van pseudokoper [naam] niet zijn aan te merken als het deelnemen of medewerking verlenen aan een groep. Hij is steeds slechts de koper geweest van (verboden) vuurwerk.

Het hof is voorts van oordeel dat de contacten die pseudokoper [naam] onderhield met medeverdachte [verdachte] en zijn gezin, evenmin tot de conclusie leiden dat sprake is geweest van infiltratie. Deze contacten waren er op gericht om bij [verdachte] voldoende vertrouwen te wekken om tot de verkoop van verboden vuurwerk aan de pseudokoper over te gaan.
De omstandigheid dat de pseudokoper in het proces-verbaal ook als ‘infiltrant’ wordt aangeduid leidt er naar het oordeel van het hof evenmin toe dat sprake is van infiltratie.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in zoverre.

Tallon-criterium

In het tweede lid van artikel 126i van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat het opsporingsmiddel pseudokoop niet mag worden gebruikt om personen te brengen tot het plegen of beramen van andere strafbare feiten dan waarop diens opzet tevoren was gericht, het zogeheten Tallon-criterium.

Het hof is van oordeel dat verdachte [verdachte] door de pseudokoper niet tot andere strafbare feiten is gebracht dan waarop zijn opzet van tevoren al was gericht. Weliswaar is na de tweede pseudokoop onderzocht of [verdachte] in staat en bereid was om op grotere schaal verboden vuurwerk te leveren, maar het hof is van oordeel dat dit geen ander strafbaar feit is dan het op kleinere schaal leveren van verboden vuurwerk. Dat [verdachte] daar van tevoren het opzet op had, wordt door hem bevestigd in zijn verklaringen afgelegd bij de politie.

Het hof neemt wel aan dat verdachte meer vuurwerk heeft geleverd in het kader van de laatste pseudokopen dan hij gebruikelijk aan derden leverde en zal daarmee in de strafmaat rekening houden.

Beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit

Waar het gaat over de bevoegdheid als bedoeld in artikel 126i, eist de wet dat sprake is van een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, en dat de uitoefening in het belang van het onderzoek is.

Aan de eerste voorwaarde is voldaan nu het strafbare feit waar het om gaat een economisch delict betreft strafbaar gesteld in artikel 1a onder 1o van de Wet op de economische delicten, zijnde een misdrijf waarop een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld.

Ook aan de tweede voorwaarde is voldaan. Dat de vier pseudokopen in het belang van het onderzoek waren blijkt uit de aan de bevelen tot pseudokoop ten grondslag liggende processen-verbaal. Het belang was gelegen in het verkrijgen van bewijs van het aanwezig hebben en afleveren van verboden consumentenvuurwerk. Bij de pseudokopen in 2008 lag de nadruk op het vaststellen van de omvang van de handel van [verdachte] en het traceren van de leverancier van het verboden vuurwerk.

Aan beide voorwaarden is voldaan en het openbaar ministerie kon in redelijkheid dan ook overgaan tot het toepassen van pseudokoop.

Tenaamstelling bevel pseudokoop

Het standpunt van de advocaat-generaal dat in de onderhavige zaak de derde en vierde pseudokoop niet rechtmatig zou zijn geweest, omdat het bevel tot pseudokoop niet op naam van verdachte [verdachte] zou zijn gesteld, deelt het hof niet.

De derde en vierde pseudokoop zijn gebaseerd op een bevel dat op naam van medeverdachte [medeverdachte 1] is afgegeven. Uit de in informatie uit het proces-verbaal aanvraag pseudokoop bij dit bevel blijkt dat er een verdenking bestond dat [medeverdachte 1] de leverancier van het vuurwerk was dat door [verdachte] werd geleverd. Blijkens het proces-verbaal aanvraag was de inzet van deze pseudokopen om middels het opvoeren van de vraag naar vuurwerk bij verdachte [verdachte], medeverdachte [medeverdachte 1] rechtstreeks bij de pseudokoop te betrekken. In het bedoelde proces-verbaal is nauwkeurig beschreven welke personen bij de leveringen betrokken zouden zijn en op welke wijze, dat er vertrouwen opgebouwd zou moeten worden en de ingang daarvoor gevonden kon worden bij verdachte [verdachte], en de aard van de door de ingezette opsporingsambtenaar te verrichten handelingen die in het kader van het bevel verricht zouden worden.

Gelet op het bevel en de onderliggende stukken is het hof in afdoende mate gebleken dat de officier van justitie de rechtmatigheid van de in te zetten opsporingsmethode heeft getoetst en daarmee is nagegaan of met inzetting van het middel van pseudokoop op de aangegeven wijze is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, ook ten aanzien van de te beschermen belangen van verdachte.

Naar het oordeel van het hof is voldaan aan het vereiste genoemd in artikel 126i, derde lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering.

Conclusie

Van handelen in strijd met artikel 126i van het Wetboek van Strafvordering is het hof niet gebleken. Het verweer van de verdediging dat de pseudokopen onrechtmatig waren, wordt verworpen. De resultaten van de pseudokopen worden niet uitgesloten van het bewijs.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

verdachte in de periode van 1 september 2004 tot en met 28 januari 2009, in de gemeente Hoogeveen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens opzettelijk, hoeveelheden consumentenvuurwerk te weten strijkers en/of Chinese rollen en/of flowerbeds en/of signaalraketten en/of één of meer stuks nitraat en/of vlinders en/of mortieren voorhanden heeft gehad en aan anderen ter beschikking heeft gesteld, ten aanzien waarvan telkens niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen, aangezien voornoemd vuurwerk niet was voorzien van de voorgeschreven aanduidingen en/of een in de Nederlandse taal gestelde gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan en/of voldeed dat vuurwerk voor wat betreft lading en/of aard en/of samenstelling en/of constructie en/of eigenschappen niet aan het gestelde in de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004;

2.

verdachte in de periode van 1 september 2004 tot en met 28 december 2004, van 1 januari 2005 tot en met 28 december 2005, van 1 januari 2006 tot en met 27 december 2006, van 1 januari 2007 tot en met 27 december 2007 en 1 januari 2008 tot en met 28 december 2008 in de gemeente Hoogeveen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten strijkers en/of Chinese rollen en/of flowerbeds en/of signaalraketten en/of één of meer stuks nitraat en/of vlinders en/of mortieren, ter beschikking heeft gesteld aan particulieren;

3.

verdachte op 19 januari 2009, in de gemeente Hoogeveen, een wapen van categorie I, onder 7, te weten een nabootsing van een pistool, welke gelijkenis vertoonde met een vuurwapen (pistool van het merk Sig Sauer, type Sig Sauer, type P288, kaliber 9 mm para), voorhanden heeft gehad;

4.


verdachte op 19 januari 2009, in de gemeente Hoogeveen, een wapen van categorie II onder 6e te weten een spuitbusje met traangas, en munitie van categorie III, te weten een aantal knalpatronen en kogelpatronen en een gaspatroon, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

tot 1 juni 2008:
medeplegen van het opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, meermalen gepleegd,

en

vanaf 1 juni 2008:

medeplegen van het opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

tot 1 juni 2008:
medeplegen van het opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, meermalen gepleegd,

en

vanaf 1 juni 2008:

medeplegen van het opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

met betrekking tot het spuitbusje traangas:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met een wapen van de categorie II

met betrekking tot de munitie:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft jarenlang gehandeld in illegaal en krachtig vuurwerk. Dergelijk vuurwerk is gevaarlijk, veroorzaakt niet zelden letsel en schade en brengt als zodanig de samenleving ernstig in gevaar. Ook heeft hij, buiten de daarvoor toegestane dagen, vuurwerk verkocht aan particulieren. Verdachte heeft geen blijk gegeven te beseffen dat door zijn handelen al die jaren bij vele personen dat gevaar is veroorzaakt.

Voorts is in de woning van verdachte een vuurwapen, een busje traangas en munitie aangetroffen.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met het feit dat verdachte, naar eigen zeggen, niet eerder zulke grote hoeveelheden vuurwerk ineens heeft verkocht. De verkopen aan de pseudokoper waren van veel grotere omvang dan gebruikelijk bij verdachte.

Het hof heeft tevens gelet op een verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 29 november 2012, waaruit niet is gebleken dat verdachte eerder onherroepelijk wegens strafbare feiten tot straffen is veroordeeld.

Het hof is van oordeel dat gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, en met name de ernstige mate van gevaarzetting, oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden is.

Het hof zal deze straf echter matigen.

Er is vast komen te staan dat sprake is van - kort gezegd - 'undue delay' in de zin van artikel 6 EVRM. Na het instellen van het hoger beroep op 9 november 2009 tot aan de uitspraak van het hof zijn ongeveer 3 jaren en 3 maanden verstreken. Dit brengt mee dat het hof de werkstraf met 10% zal matigen en derhalve een werkstraf voor de duur van 216 uren zal opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, de artikelen 1.2.2 en 2.3.2 van het Vuurwerkbesluit en de artikelen 6 en 8 en bijlage III van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 216 (tweehonderdzestien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 108 (honderdacht) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. T.H. Bosma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,

en op 30 januari 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.