Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:5978

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-08-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
200.114.208
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind, bewindvoeringsvergoeding, aanbevelingen meerderjarigenbewind LOK, tekortschieten in zorg van goed bewindvoerder, schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.114.208

(zaaknummers rechtbank Utrecht 727208 en 796542)

beschikking van de familiekamer van 15 augustus 2013

inzake

Stichting Juristnet.nl,

gevestigd te Utrecht,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de stichting,

advocaat: mr. A.P. van Stralen te Utrecht,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de rechthebbende,

advocaat: mr. J.G.M. ter Avest te Utrecht.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

Ernst Detlev Sartorius,

verder te noemen: de bewindvoerder,

werkzaam bij Budgetbeheerbureau Heuvel- en Rivierenland te Woerden,
verder te noemen: BBHR.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton (familie & toezicht), locatie Utrecht) van 4 juli 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 25 september 2012;

- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, ingekomen op 29 november 2012.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 17 mei 2013 plaatsgevonden. Namens de stichting is haar advocaat verschenen. Tevens is verschenen de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat. Ook is verschenen de bewindvoerder.

3 De vaststaande feiten

3.1

Bij beschikking van 14 april 2009 heeft de kantonrechter de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de rechthebbende onder bewind van de stichting gesteld en de stichting tot bewindvoerder benoemd.


3.2 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Utrecht op 8 september 2009, heeft de stichting de kantonrechter verzocht haar te ontslaan van de bewindvoering over de goederen van de rechthebbende.

3.3

Bij verzoekschrift van 5 maart 2010 heeft de rechthebbende de kantonrechter ver-zocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de stichting te ontslaan van haar taken als bewindvoerder en tot bewindvoerder te benoemen BBHR, primair vast te stellen dat de stichting de bewindvoering onbehoorlijk heeft uitgevoerd en aansprakelijk is voor eventuele schade die hij heeft geleden en subsidiair een onderzoek te gelasten naar de taakuitvoering van de stichting.

3.4

De stichting heeft bij “herhaald verzoekschrift” van 8 maart 2010 de kantonrechter verzocht haar te ontslaan van de bewindvoering over de rechthebbende en daarbij vast te stellen haar salaris voor de extra gemaakte uren (€ 3.800,- op basis van een uurtarief van
€ 55,-) volgens het tarief van het Landelijk Overleg Kantonrechters (verder te noemen LOK), alsmede een vergoeding van alle kosten en extra uren van € 1.500,- ter zake in het “afgelopen” weekeinde verrichte werkzaamheden ten behoeve van de rechthebbende.

3.5

Bij aanvullend verzoek tot wijziging bewindvoerder van 17 maart 2010 heeft de rechthebbende de kantonrechter verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de stichting te ontslaan van haar taken als bewindvoerder en tot bewindvoerder te benoemen BBHR, het verzoek van de stichting tot betaling door hem van een bedrag van
€ 3.800,- af te wijzen, primair vast te stellen dat de stichting de bewindvoering onbehoorlijk heeft uitgevoerd en dat de stichting aansprakelijk is voor eventuele door hem geleden schade en, subsidiair, een onderzoek te gelasten naar de taakuitvoering van de stichting en de stichting te veroordelen in de kosten van die procedure.

3.6

Bij beschikking van 19 maart 2010 heeft de kantonrechter de stichting ambtshalve ontslagen als bewindvoerder en met ingang van 19 maart 2010 E.D. Sartorius tot opvolgend bewindvoerder benoemd.

3.7

Bij beschikking van 16 november 2010 heeft het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, de stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot veroordeling van de rechthebbende tot betaling van een bedrag van € 3.800,- en de beschikking van de kantonrechter van 19 maart 2010 bekrachtigd.

3.8

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter:
- vastgesteld dat de stichting tekort is geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder

en dat de tekortkoming haar kan worden toegerekend;

- vastgesteld dat de stichting aansprakelijk is jegens de rechthebbende voor de door hem

geleden schade;

- de schade die de rechthebbende dientengevolge geleden heeft vastgesteld op € 884,-

en de stichting veroordeeld tot betaling aan de rechthebbende van € 884,-;

- de stichting veroordeeld tot terugbetaling aan de rechthebbende van € 1.100,87 voor

de te veel in rekening gebrachte bewindvoerdersvergoeding;

- de stichting veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de

rechthebbende, tot de uitspraak van de beschikking begroot op € 671,-, waarin

begrepen € 600,- aan salaris gemachtigde;

- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- de stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek de rechthebbende

aansprakelijk te stellen voor het verstrekken van onjuiste informatie en laster teneinde

de stichting in een kwaad daglicht te stellen;

- de stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek de rechthebbende te veroordelen tot schadevergoeding voor het herstellen van de foute op onjuiste gronden genomen beschikking ontslag bewindvoerder ad € 2.000,- advocaatkosten;

- de stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek de rechthebbende te

veroordelen tot vergoeding voor imagoschade van de stichting tot een bedrag van

€ 8.000,-;

- de stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek zich te onthouden van smaad

en laster tegen de stichting in casu tegen mr. drs. G.M. van Duin;

- het meer of anders verzochte afgewezen.

4. De omvang van het geschil

4.1

In geschil zijn de bewindvoerdersvergoeding van de met ingang van 19 maart 2010 als bewindvoerder over de goederen van rechthebbende ontslagen stichting, de vraag of de stichting tekort is geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder, de vaststelling van een schadevergoeding (terugbetalen van het resultaat van de inkomsten en uitgaven van rechthebbende) en de proceskostenveroordeling.

4.2

De stichting is met twee grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van

4 juli 2012. De grieven zien op de bewindvoerdersvergoeding, de vraag of de stichting tekort is geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder omdat de rechthebbende niet verzekerd zou zijn geweest tegen zorgkosten en omdat de stichting voor de rechthebbende geen bankrekening had geopend.

4.3

De rechthebbende is op zijn beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op het vaststellen van een schadevergoeding en de proceskostenveroordeling.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing



5.1 De stichting heeft ter mondelinge behandeling de door haar onder C van het petitum in het beroepschrift verzochte veroordeling van de rechthebbende in “de kosten van deze procedure” aan de zijde van de stichting ingetrokken, zodat het verzoek in hoger beroep in zoverre dient te worden afgewezen.

5.2

In haar eerste grief komt de stichting op tegen de afwijzing door de kantonrechter van de door haar verzochte vergoeding voor haar werkzaamheden en tegen het oordeel dat de tijd die door de stichting wordt vermeld bij de verschillende werkzaamheden, onwaarschijnlijk hoog is. De stichting verzoekt voor de door haar verrichte verschillende werkzaamheden een vergoeding vast te stellen alsof sprake was van een gezin en voorts dat haar een extra vergoeding toekomt van 67 x € 60,-.
Volgens de stichting kan de kantonrechter naar redelijkheid en billijkheid een tijdsbesteding vaststellen. Er moesten ook extra werkzaamheden door de stichting worden verricht aangezien de rechthebbende de boel bewust belazerde. Zo bleek rechthebbende ineens een andere bankrekening te hebben waarop zijn uitkering werd gestort, bleek hij getrouwd te zijn en duurzaam samen te leven, had hij een auto gekocht, en waren er andere incidenten. Voorts heeft er tot twee keer toe een stabilisatie van de schulden plaatsgevonden welke veel tijd en energie hebben gekost. Alle schuldeisers moesten actief worden benaderd om er voor te zorgen dat er geen invorderingsmaatregelen werden getroffen zoals het leggen van beslag op inkomsten en/of vermogen. Voorts dient over de toegekende bedragen nog opslag wegens BTW plaats te vinden, aldus nog steeds de stichting.
De rechthebbende betwist het voorgaande en stelt dat het op de weg van de stichting had gelegen om voorafgaand aan de verrichte werkzaamheden een machtiging aan de kantonrechter te vragen, zoals uit de aanbevelingen van het LOK volgt, en dat de kantonrechter terecht de door de stichting gevraagde vergoeding heeft afgewezen.

5.3

Het hof overweegt als volgt.
De Aanbevelingen meerderjarigenbewind (verder te noemen aanbevelingen) van het LOK vermelden uitdrukkelijk dat de daarin voorziene opslag van 20% van het tarief voor één persoon niet geldt als slechts de goederen van één van de echtgenoten of samenlevenden onder bewind staan, hetgeen hier het geval is. Wat er ook zij van de stelling van de stichting dat de rechthebbende, ondanks het feit dat hij deed voorkomen alsof hij alleenstaand was, samenwoonde, hetgeen veel problemen opleverde met onder andere de sociale dienst en met de schulden van de partner van de rechthebbende: de stichting was alleen bewindvoerder over de goederen van de rechthebbende, niet ook over de goederen van zijn partner. Het hof is van oordeel dat de stichting onvoldoende gronden en argumenten heeft aangevoerd waarom in dit geval zou moeten afgeweken van de aanbevelingen van het LOK. Met de kantonrechter is het hof dan ook van oordeel dat er geen aanleiding is om een beloning toe te kennen aan de stichting conform het tarief voor een echtpaar/economische eenheid, zodat dit verzoek moet worden afgewezen.
Het hof ziet evenmin aanleiding om een extra vergoeding vast te stellen voor het stabiliseren van de schuldensituatie en voor het optreden als gemachtigde in procedures die tegen de rechthebbende waren aangespannen tegen een uurtarief van € 60,- maal 67, zoals de stichting heeft verzocht. Op grond van de aanbevelingen van het LOK kunnen buitengewone werkzaamheden alleen worden gedeclareerd met voorafgaande machtiging van de toezichthoudende kantonrechter. Nu deze machtiging ontbreekt en uit de stukken niet duidelijk is geworden of en zo ja, hoeveel tijd is besteed aan extra werkzaamheden en wat die werkzaamheden precies inhielden, is het hof met de kantonrechter van oordeel dat ook dit verzoek moet worden afgewezen.

De stichting stelt ten slotte dat over de toegekende toeslagen nog een opslag wegens BTW dient plaats te vinden. Nu de stichting die stelling niet onderbouwt zal het hof die stelling passeren.
Grief 1 faalt dan ook.

5.4

In haar tweede grief komt de stichting op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de stichting tekort is geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder en dat deze tekortkomingen aan haar kunnen worden toegerekend, met name dat geen zorgverzekering voor de rechthebbende was afgesloten en dat nagelaten is een bankrekening op naam van de rechthebbende te openen vanaf het moment dat rechthebbende zich had ingeschreven bij de gemeente Houten, te weten mei 2009.

De stichting stelt dat de rechthebbende, voor zover bekend, doorlopend verzekerd geweest is voor zorgkosten. De uitkering van de rechthebbende is wel enige tijd gestopt maar door inzet van de stichting steeds met terugwerkende kracht toegekend waarbij er ook sprake was van een zorgverzekering. Met betrekking tot de aanvullende verzekering geldt dat deze alleen afgesloten kan worden als de schulden zijn voldaan. Met betrekking tot de bankrekening stelt de stichting dat de rechthebbende, vanaf het moment dat de rechthebbende bij hen kwam, heeft gesteld dat hij zwervend was en niet zou beschikken over een vast huisadres. Zonder een vast postadres is het onmogelijk een rekening te openen. Bovendien stelde de rechthebbende zelf al over een bankrekening te beschikken waarop hij gedurende enige periode zijn uitkering heeft laten overmaken en waarvan hij onverantwoorde uitgaven heeft gedaan. De stichting vreesde dat als de rechthebbende een nieuwe rekening zou krijgen hij weer in staat zou zijn bepaalde geldstromen buiten het zicht van de stichting te houden.
De rechthebbende betwist hetgeen door de stichting is gesteld en stelt dat de stichting wist dat hij niet was verzekerd voor zorgkosten. Zijn huisarts had de stichting daarvan op de hoogte gesteld. Het klopt dat er bijzondere verzekeringen zijn voor mensen met schulden bij de zorgverzekeraar maar die moeten wel worden afgesloten. Uit niets blijkt dat de stichting zodanige verzekering heeft afgesloten. Met betrekking tot de bankrekening is het zo dat de kantonrechter een aparte beheerrekening bedoelt waarop de bewindvoerder de inkomsten en uitgaven beheert. Indien dat zou zijn gedaan had heel gemakkelijk inzichtelijk kunnen worden gemaakt wat de inkomsten en uitgaven waren voor en van hem, aangezien dit uit de bankafschriften zou blijken.

5.5

Het hof overweegt als volgt.
Door de stichting is niet weersproken dat de premie zorgverzekering niet altijd betaald werd. Uit informatie van de internetsite van het College Zorgverzekeraars (CVZ) blijkt dat indien de premie niet betaald wordt de verzekerden verzekerd blijven voor het basispakket, maar niet voor de aanvullende verzekeringen aangezien die tot de particuliere verzekeringen behoren. Het hof is van oordeel dat door het niet betalen van de premie de rechthebbende risico heeft gelopen doordat hij niet aanvullend tegen ziektekosten verzekerd was en dat de stichting zorg had moeten dragen voor de premieafdracht. De stichting heeft onvoldoende stukken overgelegd om haar standpunt dat zij te dezer zake voldoende inspanning heeft verricht te kunnen onderbouwen.
Met betrekking tot het nalaten door de stichting van het openen van een bankrekening op naam van de rechthebbende overweegt het hof het volgende.
Ingevolge artikel 1:436 lid 4 BW is de bewindvoerder verplicht, tenzij de kantonrechter anders bepaalt, zo spoedig mogelijk een rekening te openen bij een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen. Verder is de bewindvoerder verplicht om uitsluitend voor de betalingen die hij bij de vervulling van zijn taak verricht of ontvangt zoveel mogelijk van die rekening gebruik te maken. Één van de kerntaken van een professionele bewindvoerder is dat hij zorg draagt voor de ontvangst van inkomsten en het doen van uitgaven op de wijze als in de wet aangegeven, dus met gebruikmaking van een bankrekening op naam van de rechthebbende. Het hof is dan ook met de kantonrechter van oordeel dat het de stichting valt aan te rekenen dat zij heeft nagelaten een bankrekening op naam van de rechthebbende te openen vanaf het moment dat de rechthebbende zich had ingeschreven bij de gemeente Houten, te weten mei 2009. Hetgeen de stichting in hoger beroep heeft aangevoerd waarom zij heeft nagelaten een bankrekening te openen doet daaraan niet af.
Grief 2 faalt eveneens.


5.6 De advocaat van de stichting heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat de stichting geen verweer voert tegen hetgeen door de rechthebbende in incidenteel beroep is verzocht met betrekking tot de vaststelling van schadevergoeding en de proceskostenveroordeling. Dat betekent dat deze verzoeken voor toewijzing gereed liggen. Het hof zal de door de rechthebbende verzochte schadevergoeding aan hem van niet ontvangen tegoeden van € 7.233,37 en € 1.309,13 betreffende niet ontvangen bijzondere bijstand, toewijzen.
Met betrekking tot eventuele door de rechtbank niet behandelde verweren van de stichting ten aanzien van de schadevergoeding en de proceskostenveroordeling overweegt het hof nog dat, gezien de ongeorganiseerdheid en incompleetheid van het procesdossier, die voor risico van de stichting dienen te komen, het hof niet in staat is deze eventuele niet behandelde verweren op te sporen en te beoordelen.

6 De slotsom

in het principaal hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven in het principaal hoger beroep. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

in het incidenteel hoger beroep

6.2

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven in het incidenteel hoger beroep. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

6.3

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof de stichting in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van de rechthebbende zullen worden vastgesteld op € 1.271,-:

- eigen bijdrage griffierecht € 71,-

en

voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

6 punten x tarief € 200,- € 1.200,-, te weten:

- een punt voor het “verzoek wijziging bewindvoerder’, gedateerd 5 maart 2012;

- een punt voor het “aanvullend verzoek tot wijziging bewindvoerder, gedateerd 17 maart 2010;

- een punt voor het “aanvullend verzoek tot schadevergoeding”, gedateerd 19 april 2012;

- telkens een punt voor de zittingen van 19 maart 2010, 8 november 2011 en 22 mei 2012.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de rechthebbende zullen worden vastgesteld op € 1.264,-:

- griffierecht € 0,-

en

voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

2 punten x tarief I (€ 632,- per punt) € 1.264,-, te weten:

- een punt voor het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep;

- de mondelinge behandeling.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:



in het principaal hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton (familie & toezicht), locatie Utrecht) van 4 juli 2012, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

in het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton (familie & toezicht), locatie Utrecht) van 4 juli 2012, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

veroordeelt de stichting tot betaling van een schadevergoeding aan de rechthebbende van € 7.233,37 en tot betaling van een schadevergoeding betreffende niet ontvangen bijstand ter hoogte van € 1.309,13;

veroordeelt de stichting tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de rechthebbende
begroot op € 1.271,- voor de procedure in eerste aanleg;

in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

veroordeelt de stichting tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de rechthebbende
begroot op € 1.264,-;

verklaart deze beschikking voor zover het betreft de veroordelingen tot betaling van schadevergoeding en tot betaling van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.L. van der Beek, M.H.H.A. Moes en M.S. van Gaalen, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. M.H.H.A. Moes en is op 15 augustus 2013 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.