Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:5471

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
25-07-2013
Zaaknummer
BK 11-00315
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

- Heeft de heffingsambtenaar het gelijkheidsbeginsel geschonden ten gevolge waarvan ten onrechte de cultuurgronduitzondering buiten toepassing is gelaten?

- Heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning te hoog vastgesteld?

- Heeft de heffingsambtenaar de waarde van het weiland te hoog vastgesteld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1931
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummers 11/00315 en 11/00316

uitspraakdatum: 25 juni 2013

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 23 september 2011, nummers AWB 10/2538 en 10/2539, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Achtkarspelen (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 16 te [Z], per waardepeildatum 1 januari 2009 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2010 vastgesteld op € 333.000. Naar het Hof begrijpt, is tegelijkertijd de aanslag onroerendezaakbelastingen (hierna: OZB) vanwege het genot van de onroerende zaak krachtens eigendom vastgesteld.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de eerder vastgestelde waarde verminderd tot € 325.000.

1.3

Belanghebbende is tegen de hiervoor – onder 1.2 – bedoelde uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 23 september 2011 ongegrond verklaard.

1.4

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet WOZ de waarde van de onroerende zaak [b-straat] 3 W001 te [L], per waardepeildatum 1 januari 2009 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2010 vastgesteld op € 46.000. Naar het Hof begrijpt, is tegelijkertijd de aanslag OZB vanwege het genot van de onroerende zaak krachtens eigendom vastgesteld.

1.5

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.

1.6

Belanghebbende is tegen de hiervoor – onder 1.5 – bedoelde uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij dezelfde uitspraak van 23 september 2011 gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd en de vastgestelde waarde verminderd tot € 39.000.

1.7

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben.

1.8

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2013 te Leeuwarden. Daarbij is verschenen en gehoord belanghebbende. De heffingsambtenaar is niet verschenen, hoewel hij daartoe bij aangetekend schrijven, blijkens Track&Trace van Post.NL op 2 maart 2013 aan hem aangeboden, is uitgenodigd.

1.9

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning met garage, berging en paardenstal, met bouwjaar 1976 (hierna: de woning). De inhoud van de woning bedraagt circa 523 m3 en de oppervlakte van het perceel bedraagt ongeveer 24.830 m2. Belanghebbende is voorts eigenaar van een weiland gelegen aan de [b-straat] 3 W001 te [L] (hierna: het weiland). Het weiland heeft een oppervlakte van ongeveer 19.830 m2.

2.2

Belanghebbende drijft een paardenhouderij. Zijn bedrijfsvoering is gericht op het fokken, beleren (zadelmak maken) van paarden en het verhuren/verleasen van paarden voor buitenritten.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  • -

    Heeft de heffingsambtenaar het gelijkheidsbeginsel geschonden ten gevolge waarvan ten onrechte de cultuurgronduitzondering buiten toepassing is gelaten?

  • -

    Heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning te hoog vastgesteld?

  • -

    Heeft de heffingsambtenaar de waarde van het weiland te hoog vastgesteld?

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, tot vermindering van de bij de bestreden beschikking vastgestelde waarde van de woning tot primair € 200.000 en subsidiair € 250.000, en vermindering van de bij de bestreden beschikking vastgestelde waarde van het weiland tot € 30.000.

3.3

De heffingsambtenaar beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 - vermelde vragen ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt voorts aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Belanghebbende heeft zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel, en meer specifiek op de meerderheidsregel. Daarbij heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de heffingsambtenaar in de meerderheid van de rechtens en feitelijk met zijn situatie vergelijkbare gevallen de cultuurgronduitzondering heeft toegepast. Hij heeft ter adstructie van zijn standpunt de volgende personen of entiteiten van personen opgevoerd: C. [A], [B], de familie [C] en de maatschap [D] en [E]. De heffingsambtenaar heeft ter zake van C. [A] onweersproken gesteld dat deze voor wat betreft de cultuurgronduitzondering rechtens en feitelijk in dezelfde positie verkeerde als belanghebbende, en mitsdien geen recht had op de cultuurgronduitzondering en dat hij om die reden de aan [A] opgelegde beschikking voor het onderhavige jaar heeft gecorrigeerd. De heffingsambtenaar betwist ten aanzien van de overige opgevoerde personen dat deze voor wat betreft de cultuurgronduitzondering rechtens en feitelijk in dezelfde positie verkeerden als belanghebbende. Tussen partijen is niet in geschil, zo begrijpt het Hof, dat de genoemde personen één of meer percelen weidegrond in eigendom hadden op de waardepeildatum en dat die percelen deel uitmaakten van een onderneming, zodat zij bedrijfsmatig werden geëxploiteerd. Partijen houdt slechts verdeeld het antwoord op de vraag of de desbetreffende percelen weidegrond werden geëxploiteerd ten behoeve van de landbouw.

4.2

In artikel 18, vierde lid, van de Wet WOZ is bepaald dat bij ministeriële regeling de waarde van bepaalde (onderdelen van) onroerende zaken buiten aanmerking wordt gelaten. In artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken is bepaald dat buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, voor zover die niet de ondergrond vormt van gebouwde eigendommen. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat onder het begrip landbouw wordt verstaan landbouw in de zin van artikel 7:312 van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge artikel 7:312 van het Burgerlijk Wetboek wordt onder landbouw verstaan, steeds voor zover bedrijfsmatig uitgeoefend: akkerbouw; weidebouw; veehouderij; pluimveehouderij; tuinbouw, daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen; de teelt van griendhout en riet; elke andere tak van bodemcultuur, met uitzondering van de bosbouw.

4.3

Het fokken, africhten, trainen, houden en exploiteren van paarden is, naar het oordeel van het Hof, niet aan te merken als het in het kader van veehouderij fokken, mesten of houden van dieren in de zin van artikel 7:312 van het Burgerlijk Wetboek (vgl. HR 26 augustus 1998, nr. 32 598, LJN: AA2531, BNB 1999, 47).

4.4

Met hetgeen belanghebbende in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft hij, naar het oordeel van het Hof, aannemelijk gemaakt dat alle door hem opgevoerde personen op de waardepeildatum percelen weiland in gebruik hadden uitsluitend voor het weiden van paarden, het hooien van overtollig gras en het storten van mest voor zover het mestquotum daartoe ruimte biedt. Uit het bovenstaande volgt dat op deze weilanden de cultuurgronduitzondering niet van toepassing is. Nu belanghebbende, naar het oordeel van het Hof geloofwaardig, heeft verklaard dat in drie van de vijf opgevoerde gevallen, daaronder begrepen die van belanghebbende zelf, de cultuurgronduitzondering niettemin is toegepast, is hij geslaagd in de op hem rustende bewijslast.

4.5

Krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ, wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft naar de bedoeling van de wetgever als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

4.6

Op de heffingsambtenaar rust - bij betwisting - de last aannemelijk te maken dat de waarde per 1 januari 2009 niet hoger is vastgesteld dan de waarde in de zin van de Wet WOZ. De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar op basis van de zogenoemde vergelijkingsmethode bepaald. Ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde verwijst de heffingsambtenaar onder meer naar een in zijn opdracht door de WOZ-taxateur [F] op 10 maart 2011 opgemaakt taxatierapport. In dit taxatierapport worden vier referentieobjecten vermeld, alsmede de kenmerken van de onroerende zaak en van de referentieobjecten. De referentieobjecten zijn gelegen te [M], [N], [O] en [P] en zijn gebouwd in respectievelijk 1976, 1973, 1966 en 1986. De inhoud van de referentieobjecten is steeds kleiner dan de inhoud van de woning van belanghebbende, terwijl de oppervlakte van het perceel van belanghebbende ten opzichte van die van de referentieobjecten vele malen groter is. De referentieobjecten zijn verkocht in de periode van 4 februari 2008 tot 2 september 2009.

4.7

De heffingsambtenaar heeft, naar het oordeel van het Hof, gelet op het hiervoor overwogene de door hem beschikte waarde niet aannemelijk gemaakt, reeds niet nu hij van de waarde van de onroerende zaak ten onrechte de weidegronden niet heeft uitgezonderd.

4.8

Het hiervoor overwogene brengt mee dat de waarde van de woning dient te worden verminderd met de waarde van de daarbij behorende percelen weidegrond. Voor deze situatie heeft de heffingsambtenaar geen (subsidiair) standpunt ingenomen, zodat hij reeds om die reden niet slaagt in de op hem rustende bewijslast.

4.9

Belanghebbende heeft gesteld dat de waarde van de woning met toepassing van de cultuurgronduitzondering € 200.000 bedraagt, maar heeft voor dit standpunt, naar het oordeel van het Hof, onvoldoende aangedragen.

4.11

Het Hof zal, met inachtneming van hetgeen partijen over en weer naar voren hebben gebracht, de waarde van de woning op de waardepeildatum in goede justitie vaststellen op € 225.000.

4.12

Met betrekking tot het weiland betekent het vorenoverwogene dat de waarde van dit gehele object buiten aanmerking wordt gelaten, zodat de uitspraak van de Rechtbank ook op dit punt niet in stand kan blijven.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

In beroep en in hoger beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Gerechtshof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht,

– verklaart het tegen de uitspraken van de heffingsambtenaar ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraken van de heffingsambtenaar,

– vermindert de vastgestelde waarde van de woning tot € 225.000 en vermindert de aanslag OZB tot een aanslag die is vastgesteld naar deze waarde,

– vernietigt de beschikking ten aanzien van het weiland en vernietigt de aanslag OZB die daarop betrekking heeft en

– gelast dat de heffingsambtenaar belanghebbende het in verband met het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht van € 112 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 25 juni 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema)

(P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 juni 2013

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

  1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

  2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.