Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:5345

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-07-2013
Datum publicatie
24-07-2013
Zaaknummer
D 200.087.966-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vennootschap komt op tegen factuurbesluiten van de inspectie Verkeer en Waterstaat, nadat zij in de adminstratieve procedure niet-ontvankelijk was verklaard wegens termijnoverschrijding. Geen redenen voor doorbreking formele rechtskracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.087.966/01

(zaaknummer rechtbank Assen 74888 / HA ZA 09-641)

arrest van de eerste kamer van 23 juli 2013

in de zaak van

Heli Holland Air Service B.V.,

gevestigd te Emmer-Compascuum,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: HHAS

advocaat: mr. P. van Rossum, kantoorhoudend te Emmen,

tegen

Staat der Nederlanden (Ministerie van Infrastructuur en Milieu),

gevestigd te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: de Staat,

advocaat: mr. C. van Oosten, kantoorhoudend te Leiden.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 19 juli 2011 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep d.d. 11 april 2011;

  • -

    het comparitiearrest d.d. 19 juli 2011

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie na aanbrengen d.d. 17 augustus 2011;

  • -

    de memorie van grieven d.d. 22 januari 2013;

  • -

    de memorie van antwoord d.d. 16 april 2013.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd - tezamen met die in de parallelle, op de rol gevoegde procedure van Heli Holland Technics B.V. (verder HHT) tegen de Staat, zaaknummer 200.087.965/01 - en heeft het hof arrest bepaald in beide gevoegde zaken.

1.2

Het hof heeft geconstateerd dat in beide procesdossiers enige bijlagen, besproken in de inleidende dagvaarding, ontbreken. Nu deze bijlagen wel in het dossier van de parallelle procedure bevinden, heeft het hof deze daaruit gelicht.

1.3

De vordering van HHAS luidt:

"te vernietigen het vonnis gewezen tussen partijen op 12 januari 2011 (zaak-/rolnummer 74888 / HA ZA 09-641) door de rechtbank Assen, en, opnieuw recht doende, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering der gronden, bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde alsnog af te wijzen door haar daarin niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze aan haar te ontzeggen, alsmede de oorspronkelijke vordering van appellante alsnog toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties".

2 Ten aanzien van de feiten

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1. tot en met 2.7) van genoemd vonnis is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden:

2.1

HHAS voert helikoptervluchten uit. Daartoe beschikt zij over de benodigde vergunning inzake de Luchtvaartwet die voor onbepaalde tijd is afgegeven.

De Staat, meer bepaald de Inspectie Verkeer en Waterstaat (verder: IVW) voert bij HHAS controlewerkzaamheden uit.

2.2

IVW heeft in de periode juli 2003/juli 2004 een aantal facturen voor verrichte werkzaamheden aan "Heli Holland B.V" gezonden.

2.3

Tegen die facturen, die tevens als besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht zijn aan te merken, hebben HHAS en HHT gezamenlijk bezwaar ingesteld. Dit bezwaar is gedeeltelijk niet-ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond bevonden door IVW bij besluit van 6 juli 2004. Tegen dat besluit hebben HHAS en HHT op 10 september 2004 beroep ingesteld bij de rechtbank Assen. Dit beroep is, wegens overschrijding van de beroepstermijn, door de rechtbank Assen niet-ontvankelijk verklaard bij uitspraak van 30 mei 2006.

2.4

HHAS en HHT hebben tegen die uitspraak hoger beroep aangetekend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Die heeft bij uitspraak van 27 december 2006 de uitspraak van de rechtbank Assen van 30 mei 2006 bevestigd.

2.5

In een parallelle bestuursrechtelijke zaak, die betrekking had op factuurbesluiten over een eerdere periode (november 2002 tot mei 2003) heeft de rechtbank Assen het beroep van HHAS en HHT ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft de ABRvS evenwel het inleidende beroep alsnog gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd. Daartoe heeft de ABRvS overwogen dat in beginsel handhavingskosten niet mogen worden doorberekend en toelatingskosten wel. De staatssecretaris hanteert daarbij verder het niet in de Algemene wet bestuursrecht omschreven begrip (post)toelatingskosten. De staatssecretaris - en in zijn kielzog de IVW - was er volgens de ABRvS niet in geslaagd afdoende te motiveren dat bij de (post)toelatingskosten geen sprake is van activiteiten die gericht zijn op toezicht op de naleving van regels.

3. De beslissing in eerste aanleg

De Staat heeft gevorderd dat HHAS veroordeeld wordt tot betaling van het totaalbedrag van de voor haar bestemde facturen, verzonden tussen 25 juli 2003 en 17 maart 2004, ad € 33.432,15 te vermeerderen met de wettelijke rente tot datum dagvaarding ad € 17.793,79 en buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.190,00, plus wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de datum van dagvaarding tot die van betaling.

HHAS heeft de rechtbank verzocht een uitzondering te maken op het beginsel van de formele rechtskracht, hetgeen de rechtbank heeft verworpen. Hetzelfde geldt de stelling van HHAS dat de factuurbesluiten naar aard en inhoud onrechtmatig jegens HHAS zijn.

Vervolgens heeft de rechtbank HHAS tot betaling van het gros van het gevorderde veroordeeld, behoudens de gevorderde incassokosten.

In reconventie heeft HHAS gevorderd dat de verzonden factuurbesluiten onrechtmatig jegens haar zijn. Die vordering is afgewezen.

4 Het van toepassing zijnde recht

Op grond van artikel III, lid 2, Vierde tranche Awb, is op het onderhavige geschil het recht van toepassing zoals dat gold tot 1 juli 2009, de datum waarop de vierde tranche van de Awb in zake bestuurlijke geldschulden in werking is getreden, aangezien het hier gat om facturen die dateren van en betrekking hebben op een vóór 1 juli 2009 gelegen periode.

5 De beoordeling van de grieven

5.1

In grief I klaagt HHAS erover dat de factuurbesluiten waarvan de Staat betaling heeft gevorderd, gericht zijn aan Heli Holland B.V. en niet aan HHAS. Volgens haar zijn deze besluiten niet op de juiste wijze als bedoeld in de Awb kenbaar gemaakt. Appellante verwijst naar een tweetal eerdere arresten van het hof Leeuwarden van 20 augustus 2008 ( LJN BE9064 en BE9065) tussen haar c.q. HHT en de Staat gewezen.

5.2

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. In de zaak die heeft geleid tot de arresten van 20 augustus 2008 ging het om soortgelijke factuurbesluiten uit de periode januari 1998 tot december 2001, die gericht waren aan de niet bestaande vennootschap "Heli Holland B.V". Daarvan heeft het hof toen geoordeeld dat niet kon worden vastgesteld dat die besluiten HHAS hadden bereikt.

5.3

In de thans voorliggende zaak zijn de primaire factuurbesluiten weliswaar eveneens onjuist gericht aan "Heli Holland BV" doch in deze zaak is HHAS in bezwaar, beroep en hoger beroep gegaan tegen de besluiten als zodanig. Reeds in de beslissing op bezwaar d.d. 6 juli 2004 heeft de Staatssecretaris de tenaamstelling van de diverse factuurbesluiten aangepast. Daarbij is bij de in geding zijnde besluiten aangegeven dat deze voor HHAS zijn bestemd. Daarmee is naar 's hofs oordeel het aanvankelijk aan de primaire factuurbesluiten klevende bekendmakingsgebrek geheeld. De eerste grief stuit daarop af.

5.4

In de grieven II en III betoogt HHAS dat de rechtbank ten onrechte geen uitzondering op de leer van de formele rechtskracht heeft gemaakt. Volgens haar ontving zij ongeveer 15 factuurbesluiten per jaar en brengt de verplichting om daartegen bezwaar- en beroep in te stellen grote financiële gevolgen met zich. Gezien het reeds langer lopende debat over de grondslag voor het in rekening brengen van (post)toelatingswerkzaamheden was het voor haar onredelijk bezwarend om tegen elk factuurbesluit steeds weer de gehele bestuursrechtelijke procedure te moeten doorlopen.

5.5

Het hof stelt vast dat HHAS in dezen de complete administratieve procedure (bezwaar, beroep en hoger beroep) heeft doorlopen, zonder dat daarbij gebleken is dat dit niet van haar gevergd zou kunnen worden. Daarbij kon appellante in bezwaar volstaan met een aantal formele bezwaarschriften en konden diverse bezwaarschriften in één keer worden afgedaan, zoals is gebeurd, met, per saldo, alle factuurbesluiten van één jaar. Vervolgens kon dit ook in beroep en in hoger beroep. HHAS heeft feitelijk de beroepstermijn voor het beroep op de rechtbank van de beslissing op bezwaar van 6 juli 2004 laten verlopen. De klacht van HHAS verwoord in de toelichting op grief II vindt in zoverre dan ook geen steun in de feiten. De strakke beroepstermijnen gelden in het gehele administratieve recht. Dat HHAS daarbij in een bijzondere positie verkeert, heeft zij niet aangetoond. De termijnoverschrijding is ook in hoger beroep door de ABRvS voor haar rekening gebracht. Het hof acht door HHAS geen omstandigheden naar voren gebracht die zo zwaar wegen dat een inbreuk op de leer van de formele rechtskracht is gerechtvaardigd. Daarvan is immers slechts sprake indien in de procedure bij de bestuursrechter die het bestreden besluit in stand heeft gelaten, is gehandeld in strijd met een fundamenteel rechtsbeginsel waardoor niet meer gesproken kan worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak (HR 7 mei 2004, LJN: AO3167). Dat daarvan in dit geval sprake is, acht het hof niet aangetoond. Hierop stuiten beide grieven af. In wezen betoogt appellante dat de bestuursrechter haar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en in haar materiële verweer reden had moeten zien om haar beroep toch inhoudelijk te beoordelen, en waar dit niet gebeurd is, de burgerlijke rechter inhoudelijk van het geschil kennis moet kunnen nemen. Dit is evenwel in strijd met een doelmatige verdeling van de rechtsmacht tussen de administratieve en de civiele rechter.

5.6

Grief IV bouwt op de vorige grieven voort en ontbeert in zoverre zelfstandige betekenis. Zij keert zich tegen de afwijzing van de in reconventie gevorderde verklaring voor recht. Deze grief deelt het lot van de andere grieven.

6 De slotsom

Nu geen der grieven doel treft, zal het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigen en HHAS als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen, voor zover het salaris voor de advocaat betreft te begroten op 1,5 punt naar tarief IV.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Assen van 12 januari 2011;

veroordeelt HHAS in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Staat vastgesteld op € 2.446,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op
€ 1.769,- voor verschotten;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. B.J.H. Hofstee en mr. A.M. Koene en door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 23 juli 2013.

Samenvatting

Vennootschap komt op tegen factuurbesluiten van de inspectie Verkeer en Waterstaat, nadat zij in de administratieve procedure niet-ontvankelijk was verklaard wegens termijnoverschrijding.

Geen redenen voor doorbreking formele rechtskracht.