Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:5258

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-07-2013
Datum publicatie
17-07-2013
Zaaknummer
200.125.821 en 200.125.822
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen tussentijdse beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling aangezien niet aannemelijk is geworden dat sanieten tijdens die regeling een (bovenmatige) schuld hebben laten ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.125.821 en 200.125.822

(zaaknummers rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 08/11/78 R en 08/11/79 R)

arrest van de eerste civiele kamer van 4 juli 2013

inzake

[appellant sub 1],

en

[appellant sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. drs. C. Verrillo.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnissen van de rechtbank Almelo van 1 februari 2011 is ten aanzien van appellanten (hierna te noemen: [appellant sub 1] en [appellant sub 2]) de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. A.E. Zweers en tot bewindvoerder M.M. Brands.

1.2

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 16 april 2013 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tussentijds beëindigd. In het faillissement, waarin [appellant sub 1] en [appellant sub 2] van rechtswege zullen komen te verkeren met ingang van de datum dat dit vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, is tot rechter-commissaris benoemd mr. A.E. Zweers en tot curator mr. R.J. Joustra. Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 23 april 2013 ingekomen verzoekschriften zijn [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en hebben zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en te beslissen dat de schuldsaneringsregelingen ten aanzien van hen van toepassing blijven.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van de verzoekschriften met bijlagen, alsmede van de (fax)brieven (met bijlagen) van mr. Verrillo van 13 mei 2013, 5 juni 2013, 10 juni 2013, 24 juni 2013 en 25 juni 2013 en van de brieven met bijlagen van de bewindvoerder van 21 juni 2013 en 24 juni 2013.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 juni 2013, waarbij [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn verschenen in persoon, bijgestaan door hun advocaat. Namens de bewindvoerder is I. de Boer verschenen. Voorts is verschenen E. Atasoy, tolk in de Turkse taal.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

De rechtbank heeft de schuldsaneringsregelingen ten aanzien van [appellant sub 1], geboren op 1 maart 1969, en zijn echtgenote [appellant sub 2], geboren op 17 mei 1972, tussentijds beëindigd, omdat zij tijdens de schuldsaneringsregeling een bovenmatige nieuwe schuld van € 2.382,75 hebben laten ontstaan, die zij tijdens de regeling niet meer kunnen aflossen.

3.2

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] kunnen zich met de beslissing van de rechtbank niet verenigen. Zij

stellen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat TVM Verzekeringen (hierna te noemen: TVM) de schade van het ongeval, waarbij [appellant sub 1] op 11 september 2011 betrokken was, op [appellant sub 1] heeft verhaald, waardoor er een nieuwe, bovenmatige schuld is ontstaan ter hoogte van € 2.382,75. [appellant sub 1] erkent dat hij op 11 september 2011, rijdend in de vrachtauto met kenteken BN-PT-54 van zijn toenmalige werkgever [werkgever] Transport (hierna te noemen: [werkgever]), betrokken was bij een ongeval. [appellant sub 1] ontkent echter dat hij schuld heeft aan dat ongeval, dat er tengevolge van het ongeval schade is ontstaan aan genoemde vrachtauto, dat zijn Bulgaarse rijbewijs ongeldig is en dat TVM op grond van een mogelijk ongeldig rijbewijs een vordering op hem heeft ter grootte van genoemd schadebedrag van € 2.382,75. Er is volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dan ook in het geheel geen sprake van een nieuwe bovenmatige schuld op grond waarvan hun schuldsaneringsregeling zou kunnen worden beëindigd. Indien er wel sprake zou zijn van genoemde schuld, dan zijn zij in staat om met een betalingsregeling die schuld binnen de regeling af te betalen, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

3.3

Namens de bewindvoerder is bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger

beroep het standpunt ingenomen dat sprake is van een bovenmatige nieuwe schuld op grond waarvan de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dient te worden beëindigd.

3.4

Het hof oordeelt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat

TVM, klaarblijkelijk op grond van een tussen TVM en [werkgever] bestaande overeenkomst van verzekering, aan [werkgever] een bedrag van € 2.382,75 terzake van de beweerde op 11 september 2011 ontstane casco-schade aan de hierboven in 3.2 genoemde vrachtauto heeft uitgekeerd. TVM vordert genoemd bedrag van [appellant sub 1]. [appellant sub 1] heeft het bestaan van die vordering gemotiveerd betwist. Uit artikel 5 aanhef en onder 14 van de polisvoorwaarden vrachtautopakketverzekering van TVM, waarin is bepaald: “Van de verzekering is uitgesloten: schade, veroorzaakt terwijl de feitelijk bestuurder: niet in het bezit is van een ter plaatse geldig voor het verzekerd voertuig voorgeschreven of erkend rijbewijs (…)” naar welke voorwaarde TVM heeft verwezen, volgt naar het oordeel van het hof geen grond voor de vordering van TVM op [appellant sub 1]. Deze bepaling behelst een uitsluiting van de verzekering in de verhouding tussen TVM en [werkgever]. Het is het hof dan ook niet duidelijk waarom TVM

- nog daargelaten dat thans niet vast staat dat [appellant sub 1] ten tijde van het ongeval niet in het bezit was van een geldig rijbewijs - ondanks de in genoemd artikel van de polisvoorwaarden beschreven uitsluitingsgrond, toch is overgegaan tot uitbetaling van genoemd bedrag aan [werkgever]. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat TVM genoemd bedrag thans van [appellant sub 1] kan vorderen, zodat niet aannemelijk is geworden dat [appellant sub 1] een (bovenmatige) nieuwe schuld heeft doen of laten ontstaan.

Het hof overweegt ten overvloede dat, indien wel sprake zou zijn van het doen of laten ontstaan van een (bovenmatige) schuld door [appellant sub 1], de enkele omstandigheid dat [appellant sub 2] met [appellant sub 1] in gemeenschap van goederen is gehuwd, niet meebrengt dat [appellant sub 2] eveneens als schuldenaar kan worden aangemerkt. Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dient te worden voortgezet.

3.5

Het hoger beroep slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en er zal als volgt worden beslist.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel van 16 april 2013 en, opnieuw recht doende:

bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wordt voortgezet;

wijst het meer of anders verzochte af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Ch.E. Bethlem, P.H. van Ginkel en L.J. de Kerpel-van de Poel, en is op 4 juli 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.