Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:5193

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-07-2013
Datum publicatie
22-07-2013
Zaaknummer
CR 200.124.312-01 11-7-2013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. Hof gelast deskundigenonderzoek naar o.a. de vraag of, en onder welke voorwaarde de thuisplaatsing mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 11 juli 2013

Zaaknummer 200.124.312

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[de moeder] ,

wonende op een geheim adres,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. W. de Kleine,

kantoorhoudende te Emmen,

tegen

Bureau Jeugdzorg Drenthe,

gevestigd te Assen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: BJZ Drenthe.

Belanghebbenden:

1 [de vader]

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande,

hierna te noemen: de vader,

2 Mevrouw [pleegmoeder],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegmoeder.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 27 december 2012 (zaaknummer 96209 / FA RK 12-3140) heeft de kinderrechter in de rechtbank Assen, de duur van de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortejaar] in de gemeente [geboorteplaats] (hierna [minderjarige]) met ingang van 27 december 2012 verlengd voor een jaar met handhaving van BJZ Drenthe als uitvoerder van de maatregel. Voorts heeft de kinderrechter, conform en ter effectuering van het indicatiebesluit, de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] met ingang van 27 december 2012 verlengd voor een jaar.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 27 maart 2013, heeft de moeder verzocht de beschikking van 27 december 2012 te vernietigen op het punt van de machtiging tot uithuisplaatsing en opnieuw beslissende te bepalen dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] op zo kort mogelijke termijn wordt beëindigd en zij wordt teruggeplaatst bij de moeder.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 17 april 2013, heeft BJZ Drenthe het verzoek bestreden en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder een brief van 5 april 2013 van de raad voor de kinderbescherming (hierna de raad) met de mededeling dat er geen recente rapportage aanwezig is.

Ter zitting van 24 mei 2013 is de zaak behandeld. De moeder is verschenen en bijgestaan door haar advocaat. Namens BJZ Drenthe waren mevrouw Nieuwveld en mevrouw Sloter aanwezig. De vader en de pleegmoeder zijn, hoewel zij behoorlijk zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling, niet verschenen.

De beoordeling

1. De moeder is van Nigeriaanse en de vader is van Israelische afkomst. De ouders zijn in maart 2009 getrouwd in Nigeria. Bij het vertrek uit Nigeria naar Nederland medio 2009 heeft de moeder haar zoontje, geboren in [geboortejaar], achtergelaten bij haar moeder die zijn verzorging en opvoeding op zich heeft genomen.

2. [minderjarige] is geboren uit het huwelijk van haar ouders. Het huwelijk is inmiddels ontbonden en de moeder oefent sinds de beschikking van de rechtbank Assen van 4 mei 2011 het ouderlijk gezag over [minderjarige] alleen uit. De vader heeft geen contact meer met de moeder en [minderjarige]. Uit een nieuwe relatie van de moeder is in [geboortejaar] een dochter geboren voor wie de moeder zorg draagt. In juni 2013 zal haar zoon overkomen uit [land van verblijf] naar Nederland en zal de moeder ook de zorg voor hem weer op zich nemen. De moeder heeft sinds 2010 een verblijfsvergunning voor 5 jaar.

3. [minderjarige] staat sinds[datum] -op dat moment was zij [aantal weken] oud- (voorlopig) onder toezicht. Zij verblijft sindsdien in het huidige pleeggezin, met uitzondering van een aantal dagen in januari 2010 waarop zij bij haar ouders thuis heeft verbleven. Het pleeggezin is inmiddels perspectiefbiedend en wordt thans, na de (echt)scheiding van de pleegouders in 2012, gevormd door de pleegmoeder. De pleegmoeder heeft naast de zorg voor [minderjarige] ook de zorg voor twee andere pleegkinderen en drie eigen kinderen.

4. De duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing is bij de beschikking waarvan beroep verlengd tot 27 december 2013.

5. De moeder is van deze beschikking in beroep gekomen. Haar hoger beroep richt zich niet tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar uitsluitend tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.

6. De moeder stelt dat de gronden voor voortzetting van de uithuisplaatsing niet langer aan de orde zijn. Zij stelt dat haar situatie is verbeterd en gestabiliseerd en zij meent dat zij [minderjarige] een goed en veilig thuis kan bieden. De moeder betwist dat in het verleden al herhaalde malen is ingezet op terugkeer van [minderjarige] bij de moeder, volgens de moeder is dat maar een keer geweest, en zij ontkent dat dit niet is geslaagd omdat de moeder contacten met de vader bleef onderhouden. Zij wijst er verder op dat het afgelopen jaar voor [minderjarige] een roerige periode is geweest door een heftige echtscheiding tussen de pleegouders en een vlucht en verhuizing van de pleegmoeder met de kinderen. Voorts is er een zorgmelding bij het AMK geweest ten aanzien van dit pleeggezin. Van stabiliteit, veiligheid, rust en hechting is dan ook geen sprake meer. In haar ogen heeft BJZ Drenthe een en ander onvoldoende onderkend en daarop niet adequaat gereageerd. BJZ Drenthe heeft pas bij de rechtbank enig inzicht gegeven in deze echtscheiding door het overleggen van de brief van 31 oktober 2012 van Yorneo (pleegzorg) en de checklist indicatoren veiligheid kind in pleegzorg, en deze informatie laat nog veel onduidelijk. De moeder heeft zorgen over [minderjarige] in het pleeggezin, thans het gezin van de pleegmoeder. De moeder meent dat het niet goed gaat met [minderjarige] nu er al langere tijd signalen zijn van hechtingsproblematiek, zij angstig reageert op mannen en er nog steeds problemen zijn met haar zindelijkheid.

7. BJZ Drenthe wijst er op dat veel van de stellingen van de moeder al in een eerdere procedure in hoger beroep aan het hof zijn voorgelegd en dat het hof destijds de verlenging van de termijn van de machtiging heeft bekrachtigd. BJZ Drenthe benadrukt dat er in het eerste levensjaar van [minderjarige] veel is gedaan om moeder en kind te verenigen, maar dat deze inspanningen niet tot het gewenste resultaat hebben geleid -en niet eens tot uitvoering zijn gekomen- omdat de moeder op dat moment heeft gekozen voor voortzetting van de relatie met de vader, terwijl die relatie een directe aanleiding is geweest voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] in 2009. BJZ Drenthe heeft [minderjarige] niet willen blootstellen aan het fysiek en verbaal geweld binnen die relatie. BJZ Drenthe heeft verklaard dat zij de moeder tijdig en zorgvuldig heeft geïnformeerd over de echtscheiding van de pleegouders, die werd ingegeven door de medische problematiek c.q. gezondheidstoestand van de pleegvader. De pleegmoeder heeft korte tijd bij haar ouders gewoond in afwachting van een (op dat moment al aanstaande) zelfstandige woning in de omgeving, nabij haar familie en haar verdere sociaal netwerk. De stabiliteit, veiligheid, rust en hechting voor [minderjarige] is niet in gevaar geweest. BJZ Drenthe heeft verklaard dat de AMK melding vooral zijn herkomst vond in een burenconflict en niet zag op [minderjarige]. Deze melding heeft geleid tot een onderzoek door Yorneo Pleegzorg en uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat pleegmoeder, die inderdaad een zwaar jaar achter de rug heeft, een capabele opvoeder is die sensitief is op de behoeften van de kinderen en de kinderen duidelijkheid en structuur kan bieden. BJZ Drenthe acht het niet in het belang van [minderjarige] dat de gehechtheid aan de pleegmoeder wordt doorbroken door overplaatsing naar de moeder.

8. De duur van de machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verlengd indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarige.

9. Het hof constateert uit de stukken dat de uithuisplaatsing destijds (vooral) was gelegen in de relationele problematiek tussen de ouders. Wat er ook zij van de redenen om in het eerste jaar van de uithuisplaatsing niet over te gaan tot terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, duidelijk is dat de situatie van de moeder zich sindsdien heeft verbeterd en gestabiliseerd. De moeder heeft definitief gebroken met de vader: hun huwelijk is ontbonden en de vader is al geruime tijd (ook letterlijk) buiten beeld. Zij woont zelfstandig en beschikt over een vergunning tot verblijf. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de opvoedingscapaciteiten van de moeder onvoldoende zijn. Verder zijn de omgangscontacten tussen de moeder en [minderjarige] weliswaar beperkt in omvang en duur -eenmaal per maand een dagdeel van vier uur bij de moeder thuis- maar deze contacten verlopen goed, en voor BJZ staat vast dat tussen de moeder en [minderjarige] een vorm van hechting tot stand is gekomen.

1. Het hof stelt voorop dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in beginsel van tijdelijke aard zijn en gericht dienen te zijn op (het werken aan) opheffing van de bedreiging en de terugkeer van het kind naar de ouder(s). Sinds ten minste medio 2010 is het beleid van BJZ Drenthe volledig gericht geweest op handhaving van de plaatsing van [minderjarige] in het gezin van de pleegmoeder en is er geen oog (meer) geweest voor de mogelijkheid dat [minderjarige] op termijn weer bij haar moeder zou kunnen wonen. Op grond van de beschikbare rapportages kan evenwel niet zonder meer geconcludeerd worden dat de moeder niet in staat is om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] in de (nabije) toekomst weer op zich te nemen, terwijl evenmin voldoende duidelijk naar voren is gekomen dat de hechtingsfase waarin [minderjarige] zich thans bevindt, maakt dat een terugplaatsing in strijd met haar belang moet worden geacht. Het hof wil hiermee niet voorbijgaan aan het feit dat [minderjarige], die in[datum] [jaren] jaar oud zal worden, nagenoeg haar hele leven woont in het gezin van de pleegmoeder, zich daar redelijk goed ontwikkelt en dat zij gehecht is aan de pleegmoeder. Niet in geschil is echter dat ook tussen de moeder en [minderjarige] een vorm van (veilige) hechting tot stand is gekomen op basis van beperkte omgangscontacten, en dat niet is gekeken naar de mogelijkheden om deze hechting uit te bouwen, te verdiepen en te verstevigen. In zoverre verschilt de huidige situatie van die ten tijde van de beschikking van dit hof van 5 juni 2012. Ten tijde van die beschikking stond, anders dan in de onderhavige procedure, vast dat de hechting van [minderjarige] zich nog in pril stadium bevond.

1. Het hof acht het voor [minderjarige] maar ook voor de moeder en de pleegmoeder van belang dat op korte termijn duidelijk wordt of [minderjarige] in de (nabije) toekomst weer bij haar moeder kan wonen (het perspectief) en zo ja, wat daar dan voor nodig is. Het hof zal ter beoordeling van deze kwestie een onafhankelijk onderzoek gelasten naar, in het bijzonder, de op dit moment bestaande hechting en gehechtheid tussen [minderjarige] en de moeder, omdat voldoende duidelijk is dat [minderjarige] aan de pleegmoeder is gehecht. Daarbij dient ook de vraag te worden beantwoord of, en op welke wijze een veilige hechting en gehechtheid tussen de moeder en [minderjarige] (verder) tot stand kan worden gebracht en of, en onder welke voorwaarden thuisplaatsing mogelijk is. Daarbij zal ook aandacht moeten zijn voor de mogelijke schade die aan (de ontwikkeling) van [minderjarige] wordt toegebracht door een eventuele doorbreking van de hechtingsrelatie met de pleegmoeder en de vraag of en op welke wijze deze schade kan worden ondervangen of tot een voor [minderjarige] toelaatbaar minimum kan worden beperkt. Aan de zijde van de moeder dient meegewogen te worden dat zij binnenkort de zorg heeft voor twee andere kinderen, die beide kwetsbaar zijn en daardoor mogelijk meer eisen stellen aan hun opvoeder c.q. het opvoedingsklimaat. Haar dochter, geboren in [geboortejaar], is nog jong en volledig van haar afhankelijk. Haar zoon die op dit moment nog in [land van verblijf] verblijft, zal weer bij de moeder in Nederland komen wonen. Hij zal geconfronteerd worden met een andere opvoeder, een andere sociale omgeving, en een andere cultuur in een land waarvan hij de taal niet of nauwelijks spreekt waardoor een extra beroep zal worden gedaan op de opvoedingscapaciteiten van de moeder.

1. Het hof zal het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: het NIFP) thans verzoeken te bemiddelen bij de benoeming van een deskundige, verbonden aan die organisatie, en verzoeken om onderzoek te laten verrichten en in dat kader advies uit te brengen over de volgende vragen:

I. Hoe kan de ontwikkeling en het functioneren van de minderjarige [minderjarige] worden beschreven en wat zijn de eventuele aandachtspunten?

II. Indien blijkt dat er sprake is van een verstoorde ontwikkeling op één of meer ontwikkelingsgebieden, wat kan hiervan de oorzaak zijn?

III. Hoe beleeft de minderjarige de relatie met de moeder?

IV. Hoe verloopt de gehechtheidsontwikkeling en wat zijn de relationele mogelijkheden van de minderjarige?

V. Zijn er (contra-)indicaties voor verzorging en opvoeding in de thuissituatie, mede gelet op de omstandigheid dat de moeder ook de zorg heeft voor twee andere kinderen in haar gezin en gelet op de in dat verband hiervoor onder 11 genoemde omstandigheden?

VI. In hoeverre is terugplaatsing (op korte of lange termijn) in het belang van de minderjarige?

Hierbij dient in het bijzonder aandacht te zijn voor a) de mogelijke schade (zowel op korte als op langere termijn) die aan (de ontwikkeling van) de minderjarige wordt toegebracht indien haar hechtingsrelatie met de pleegmoeder wordt doorbroken tengevolge van een eventuele (terug)plaatsing bij de moeder en b) de mogelijkheden om de eventuele schade tengevolge van terugplaatsing mogelijkerwijs te beperken tot een voor [minderjarige] toelaatbaar minimum bijvoorbeeld door de termijn waarop en de voorwaarden waaronder een eventuele (terug)plaatsing bij de moeder kan plaatsvinden.

VII. Is hulpverlening aangewezen voor de minderjarige en/of de moeder om terugplaatsing naar huis te verwezenlijken en zo ja, welke?

VIII. Indien hulpverlening is aangewezen in een juridisch kader, in welk kader dient dit dan plaats te vinden?

IX. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de minderjarige en/of bij eventueel te nemen beslissingen?

1. Het hof zal het NIFP vragen om binnen een termijn van veertien dagen na de beschikking een deskundige voor te stellen en eventuele nadere of andere vragen te formuleren, indien dit in de ogen van het NIFP dan wel de voorgestelde deskundige (meer) aangewezen is voor het onderzoek dat het hof voor ogen staat. Indien voor toewijzen van het onderzoek meer of andere informatie nodig is dan uit deze beschikking blijkt, kan het NIFP het hof schriftelijk om nadere gegevens (uit het dossier) vragen alvorens een deskundige voor te stellen en nadere of andere vragen te formuleren.

1. Het bericht van het NIFP zal door het hof worden doorgezonden aan partijen en aan de pleegmoeder als belanghebbende aangezien haar woonadres bij het hof bekend is en van de vader geen woon- of verblijfplaats hier ten lande bekend is. Partijen en de pleegmoeder kunnen daarop binnen veertien dagen laten weten of de door het hof voorgestelde vragen in hun visie nog aanvulling behoeven, wat hun zienswijze is ten aanzien van de eventuele aanvulling van het NIFP op dat punt en of bezwaar bestaat tegen de benoeming van de deskundige die door het NIFP wordt voorgedragen. Indien het NIFP eerst nadere informatie nodig heeft, kunnen partijen kenbaar maken of en welke bezwaren bestaan tegen de verstrekking van aanvullende gegevens die het NIFP nodig heeft.

  1. Het hof laat aan de deskundige de inrichting van het onderzoek over met dien verstande dat hij/zij de 'leidraad deskundige in civiele zaken' in acht dient te nemen, zoals gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

  2. Het hof benoemt mr. Garos tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich door tussenkomst van de griffie dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken, indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft.

1. Het aan de deskundige toekomende bedrag wordt bij de te geven eindbeschikking overeenkomstig de daarvoor en krachtens de wet gestelde regelingen ten laste van 's Rijks kas door de griffier aan de deskundige betaald. Het hof tekent hierbij aan dat het NIFP de kosten van het onderzoek vooraf dient te begroten en het hof daarvan een bevestiging dient te sturen, alvorens het onderzoek te starten.

1. Het hof wijst partijen en belanghebbenden er op dat zij wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door een deskundige. Wanneer de medewerking wordt geweigerd, kan het hof daaruit de gevolgtrekking maken die het hof geraden acht en zal het hof op basis van de huidige stukken een beslissing over het verzoek nemen.

1. Het hof zal in afwachting van het deskundigenonderzoek iedere verdere beslissing aanhouden.

De beslissing

Het gerechtshof:

verzoekt het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, Locatie Noord, in de persoon van mevrouw I.E. Troost, kinder- en jeugdpsychiater en portefeuillehouder jeugd,

Postbus 110, 9700 AC Groningen,

bezoekadres: Hereweg 74

Telefoon: 088 0710 420

Fax: 088 0710 449

om te bemiddelen bij de benoeming van een deskundige voor het verrichten van een onderzoek ter beantwoording van de hiervoor onder 12 vermelde vragen;

verzoekt het NIFP het hof te berichten als bedoeld in rechtsoverweging 13 en, indien een deskundige wordt voorgesteld, een begroting van de kosten te verstrekken als bedoeld in rechtsoverweging 17, en wel uiterlijk op 25 juli 2013;

stelt partijen en de pleegmoeder in de gelegenheid om te reageren op hiervoor bedoelde informatie van het NIFP zoals als bedoeld in rechtsoverweging 14, en wel uiterlijk op 8 augustus 2013;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, voorzitter, A.H. Garos en B.J. Voerman, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 11 juli 2013 in bijzijn van de griffier.