Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:5044

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
10-07-2013
Zaaknummer
200.092.726-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Advocatendeclaratie. Wie is de wederpartij?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.092.726/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 105236 / HA ZA 10-515)

arrest van de eerste kamer van 25 juni 2013

in de zaak van

[appellante],

Kantoorhoudende te [vestigingsplaats 1],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: [het advocatenkantoor],

advocaat: mr. H.P. de Lange, kantoorhoudend te Heerenveen,

tegen

[geïntimeerde],

Voorheen kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [B.V. X],

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 18 mei 2011 van de rechtbank Leeuwarden.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep d.d. 18 mei 2011,

  • -

    de memorie van grieven (met producties) d.d. 12 maart 2013.

2.2

Tegen [B.V. X] is op de rolzitting van 30 augustus 2011 verstek verleend.

2.3

Vervolgens heeft [het advocatenkantoor] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.4

De vordering van [het advocatenkantoor] luidt:

"Het vonnis van de rechtbank Leeuwarden onder zaaknummer/rolnummer 105236/HA ZA 10-515 op 18 mei 2011 gewezen tussen appellante als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en geïntimeerde als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, (…) te vernietigen en opnieuw recht doende, in conventie geïntimeerde haar vorderingen te ontzeggen en in reconventie geïntimeerde te veroordelen om aan appellante het bedrag van
€ 8.575,65 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente sedert 5 mei 2010, althans vanaf de dag van de dagvaarding in eerste instantie, althans vanaf heden, tot aan de dag van uiteindelijke betaling en in conventie en in reconventie geïntimeerde te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties"

2.5

Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

3 De beoordeling

De vaststaande feiten

3.1.

De rechtbank heeft in haar vonnis van 18 mei 2011 onder 2.1 tot en met 2.16 feiten vastgesteld. Met grief I komt [het advocatenkantoor] op tegen de onder 2.14 vermelde feiten. Het hof zal hierna, met inachtneming van deze grief en hetgeen verder als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken is komen vast te staan, de feiten opnieuw vaststellen.

3.1.1

[B.V. X] is een volledige dochtervennootschap van [de moedermaatschappij] (hierna: [de moedermaatschappij]). [de moedermaatschappij] heeft op haar beurt een negental aandeelhouders/bestuurders, waaronder
[R] (de praktijkvennootschap van mr.[R]) en
[S](de praktijkvennootschap van mr. [S]).

3.1.2

Bij besluit van de algemene vergadering van de aandeelhouders van 16 februari 2010 is [B.V. X] B.V. ontbonden. [R] is als vereffenaar benoemd. Op die datum zijn tevens de aandeelhouders/bestuurders van [de moedermaatschappij], waaronder ook [S], als functionarissen van [de moedermaatschappij] uit functie getreden.

3.1.3

Op 10 oktober 2008 heeft [S] een akte gepasseerd ter zake de levering van aandelen van [T] in de besloten vennootschap [U] aan [V]. [T] heeft naar aanleiding van die transactie een vordering ingesteld tegen [S] in persoon, in zijn hoedanigheid van notaris.

3.1.4

Op 1 januari 2009 heeft [S] zijn notariskantoor als eenmanszaak in het handelsregister ingeschreven. Dit kantoor is op hetzelfde adres gevestigd als [B.V. X] en [de moedermaatschappij].

3.1.5

Op verzoek van [R] heeft [Y] van [het advocatenkantoor] op 24 juni 2009 deelgenomen aan een bespreking in het kantoor van [R], met [R] en diens medewerker [medewerker] (hierna: [medewerker]) alsmede [S]. In dit gesprek is
[Y] verzocht om [S] bij te staan in de door [T] tegen hem aangespannen procedure waarin inmiddels een verstekvonnis was gewezen tot betaling van een bedrag van € 71.106,- . [Y] heeft dit verzoek geaccepteerd. In dit gesprek is niet ter sprake gekomen wie de opdrachtgever van [Y] was en aan wie [Y] zijn declaraties diende te versturen. De opdracht is door partijen niet op schrift gesteld.

3.1.6

[Y] heeft namens [S] tegen genoemd vonnis verzet aangetekend en ervoor gezorgd dat de executiemaatregelen met betrekking tot de woning werden gestaakt.

3.1.7

In een e-mail van 31 juli 2009 van [medewerker] aan [Y] heeft [medewerker] [het advocatenkantoor] verzocht een kort bericht te sturen aan [Z], de advocaat van [T], teneinde [Z] ertoe te bewegen af te zien van het voortzetten van de reeds aangevangen executiemaatregelen respectievelijk het aanvangen van nieuwe maatregelen.

3.1.8

De rechtbank Leeuwarden heeft het verzet gegrond verklaard, het verstekvonnis vernietigd en de vordering van [T] alsnog afgewezen.

3.1.9

Bij brief van 20 januari 2010 is [S] door [het advocatenkantoor] verzocht de openstaande facturen ten bedrage van € 7816,19, € 50,46 en € 178,50 te betalen. Op
20 januari 2010 heeft [het advocatenkantoor] [medewerker] per e-mail verzocht voor een spoedige betaling van de aan de email gehechte declaraties zorg te dragen.

3.1.10

Na overleg met [S] heeft [het advocatenkantoor] de factuur op naam van [S] gecrediteerd en een nieuwe factuur met specificatie, gedateerd 20 april 2010, aan
[B.V. X] gestuurd. De factuur is door [B.V. X] niet voldaan.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.2

[B.V. X] heeft - samengevat - gevorderd voor recht te verklaren dat
[het advocatenkantoor] geen vordering heeft op [B.V. X], althans dat [B.V. X] aan [het advocatenkantoor] niets is verschuldigd, alsmede voor recht te verklaren dat er tussen
[B.V. X] en [het advocatenkantoor] nimmer enige overeenkomst is gesloten, met veroordeling van [het advocatenkantoor] in de kosten van het geding. In reconventie heeft
de betaling van de factuurbedragen gevorderd.

3.3

De rechtbank heeft aangenomen dat [S] in persoon de opdrachtgever was van [het advocatenkantoor]. Om die reden heeft zij de vorderingen van [B.V. X] in conventie toegewezen, uitgezonderd de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de verklaring voor recht, en de vordering van [het advocatenkantoor] in reconventie afgewezen. AVB is veroordeeld in de kosten van het geding in conventie en reconventie.

De overige grieven

3.4

De rechtbank heeft in r.o. 4.5 van het bestreden vonnis geoordeeld dat in het onderhavige geval [S] als opdrachtgever van [het advocatenkantoor] moet worden beschouwd omdat, kort gezegd, de rechtsbijstand van [het advocatenkantoor] het belang betreft van [S] in persoon en niet dat van [B.V. X]. [het advocatenkantoor] bestrijdt dit oordeel met de grieven III, IV, V en VII.

3.5

De centrale vraag in deze procedure is wie de wederpartij van [het advocatenkantoor] is geweest voor de door [Y] verleende rechtsbijstand in de procedure van [S] tegen [T]. De rechtbank heeft daarbij terecht, hetgeen in appel ook niet is bestreden, als maatstaf het arrest Stolte-Schiphoff (HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521) genomen. In grief II klaagt ADV Advocaten erover dat de rechtbank die maatstaf evenwel onjuist heeft toegepast.

3.6

Het hof stelt dan ook voorop dat het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam - dat wil zeggen als wederpartij van die ander - is opgetreden, afhankelijk is van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Daarbij komt onder meer betekenis toe aan de aard van de desbetreffende overeenkomst en hetgeen ten aanzien van overeenkomsten als de onderhavige in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is. Daarbij moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval (vgl. HR 28 juni 1996, NJ 1997, 494 en HR 10 januari 1997, NJ 1998, 544). Ingevolge de in artikel 150  Rv. neergelegde hoofdregel rusten op
[het advocatenkantoor] de bewijslast en het bewijsrisico met betrekking tot haar stelling dat zij heeft aangenomen en redelijkerwijs mocht aannemen dat Nord Advocaten met betrekking tot de hiervoor onder 3.1.8 genoemde werkzaamheden als haar opdrachtgeefster optrad. In zoverre is grief II, die erover klaagt dat de rechtbank AVB ten onrechte heeft belast met de stelplicht en zo nodig de bewijslast dat namens een ander is gehandeld, gegrond.

3.7

Naar het oordeel van hof kan uit de enkele omstandigheid dat [T] ervoor heeft gekozen [S] in persoon aan te spreken, niet voorshands worden aangenomen dat [S] als opdrachtgever van [het advocatenkantoor] heeft te gelden. Naar het oordeel van het hof moet betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat de door [T] ingestelde vordering voortvloeit uit een vermeende beroepsfout die door [S] is gemaakt terwijl hij voor [B.V. X] werkzaam was. Verder is van belang, zoals door [het advocatenkantoor] onbestreden is gesteld, dat de onderneming van [S]
is ingebracht in [B.V. X] en in ieder geval tot 1 januari 2009 is gebleven. [B.V. X] had dus een eigen belang bij een goede afwikkeling van de door
[T] ingestelde vordering. De aanwezigheid van dit eigen belang is op zichzelf niet voldoende om [B.V. X] als opdrachtgever te beschouwen. Het hof is evenwel van oordeel dat er groot aantal omstandigheden is dat erop wijst dat de stelling van
[het advocatenkantoor] dat [B.V. X] de opdrachtgeefster was, juist is.

3.8

Om te beginnen is het initiatief voor het inhuren van [Y] van [R] uitgegaan. Het is [R] geweest die [Y] op 24 juni 2009 heeft uitgenodigd voor een bespreking op zijn kantoor. De stelling van [B.V. X] dat [R] alleen aan tafel zat omdat hij [Y] al geruime tijd kende, acht het hof, mede gelet op de uitlating van [R] in zijn e-mailbericht van 20 mei 2010 (productie 19 conclusie van dupliek in reconventie) dat hij in 2006 het initiatief heeft genomen om te verordonneren dat klachten en aansprakelijkheden subiet bij hem zouden worden gemeld, niet geloofwaardig. Daarbij komt dat ook [S] en [Y] jarenlang kantoorgenoten zijn geweest.

3.9

Vaststaat dat tijdens de bespreking op 24 juni 2009 aan [Y] de opdracht is verstrekt om verzet in te stellen tegen het hiervoor onder 3.1.6 genoemde verstekvonnis en dat [Y] die opdracht heeft uitgevoerd. Na het verstrekken van de opdracht is er inhoudelijk overleg geweest tussen [medewerker] en [Y]. Ook heeft [medewerker] het in minstens één geval nodig geoordeeld om [Y], met betrekking tot de door
[T] jegens [S] aangevangen executiemaatregelen, direct te instrueren (vgl. de hiervoor onder 3.1.7 genoemde e-mail van 31 juli 2009). Indien
[B.V. X] niet de opdrachtgever was, dan valt niet begrijpen waarom deze instructie is gegeven. Dat [Y] daarnaast met [S] contact heeft gehad over de procedure doet aan het voorgaande niet af. Het spreekt immers voor zich dat [Y] ook contact met [S] had nu [S] door [T] in persoon in een procedure is betrokken. Het antwoord op wiens naam de beroepsaansprakelijkheidsverzekering is gesloten die dekking biedt voor de fouten die zijn gemaakt rond het passeren van de akte van [U] op 10 oktober 2008 is in deze procedure in het ongewissen gebleven. Aan het bestaan van deze verzekering als zodanig kunnen geen doorslaggevende argumenten worden ontleend voor een van beide procespartijen.

3.10

De door de rechtbank opgenoemde feiten en omstandigheden in r.o. 4.7 van het bestreden vonnis wijzen in tegenovergestelde richting. Het hof is evenwel van oordeel dat die feiten en omstandigheden minder zwaar wegen. Het hof hecht geen zwaarwegend belang aan het feit dat het dossier door [het advocatenkantoor] is geadministreerd [S]/[T]. De interne administratie van een dossier op naam van de partijen die het onderwerp van de procedure vormen, is – zoals [het advocatenkantoor] terecht betoogt – een gebruikelijke wijze van het administreren van een zaak en zegt niets over de vraag wie als opdrachtgever moet worden beschouwd. De omstandigheid dat [het advocatenkantoor] haar declaraties aanvankelijk aan [S] heeft gestuurd, kan een indicatie zijn dat [het advocatenkantoor] aanvankelijk er vanuit ging dat [S] in persoon opdrachtgever was. De stelling van [het advocatenkantoor] dat het hier een administratieve fout betrof die zij, nadat betaling uitbleef, heeft rechtgezet door de declaraties alsnog naar [B.V. X] te sturen, komt het hof evenwel niet ongeloofwaardig voor. Het hof is van oordeel dat [het advocatenkantoor] in de gegeven omstandigheden mocht afgaan op de mededeling van [S], op dat moment nog steeds middels zijn persoonsvennootschap indirect bestuurder van [B.V. X], dat
opdrachtgever was.

3.11

Aan [B.V. X] kan worden toegegeven dat het in beginsel op de weg van [het advocatenkantoor] had gelegen om de opdracht schriftelijk te bevestigen en dat de eventuele onduidelijkheid met betrekking tot de identiteit van de opdrachtgever voor risico van
moet komen. Het hof is evenwel van oordeel dat in de gegeven omstandigheden - mrs. [R], [Y] en [S] waren oud-kantoorgenoten en kenden elkaar goed - het niet in rede ligt het ontbreken van de schriftelijke bevestiging als zwaarwegend argument ten nadele van [het advocatenkantoor] te laten komen. Het hof is van oordeel dat de onder 3.7 en 3.8 beschreven omstandigheden zwaarder wegen.

3.12

Uit het voorgaande volgt dat de grieven III, IV,V en VII slagen. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat eventueel in eerste aanleg door
[B.V. X] aan de orde gestelde, maar buiten behandeling gebleven stellingen en weren, alsnog ambtshalve door het hof moeten worden behandeld. Grief VI behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer.

3.13

Aan het verweer dat er tussen [B.V. X] en [het advocatenkantoor] geen overeenkomst tot stand is gekomen omdat er geen sprake is van aanbod en aanvaarding, althans geen overeenstemming over de essentialia van de overeenkomst, gaat het hof - gelet op hetgeen hierover onder 3.9 is overwogen - voorbij.

3.14

[B.V. X] heeft daarnaast het verweer gevoerd dat de rechtbank op grond van de Wet tarieven in burgerlijke zaken onbevoegd is om van de vordering van [het advocatenkantoor] kennis te nemen omdat zij de declaraties niet heeft kunnen controleren.


3.15 Het hof passeert dit verweer. De in de Wet tarieven in burgerlijke zaken voorgeschreven procedure is slechts voorgeschreven in die gevallen waarin de hoogte van het door een advocaat aan een cliënt berekend honorarium wordt betwist. De hoogte van de vordering wordt door [B.V. X] evenwel niet betwist. In deze zaak berust de weigering van [B.V. X] om de declaratie te betalen op haar stelling dat zij niet de opdrachtgeefster is en de declaraties dus niet heeft kunnen controleren. De hoogte van de declaratie is door haar niet inhoudelijk betwist, terwijl zij - anders dan zij stelt - de declaraties heeft kunnen controleren omdat een specificatie daarvan haar op 20 januari 2010 en nogmaals op 20 april 2010 is toegestuurd. De door [het advocatenkantoor] voorgedragen grieven I en II in reconventie slagen derhalve.

4 De slotsom

4.1

Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. De vordering van [het advocatenkantoor] zal tot het bedrag van € 8.575,65 vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 5 mei 2010 tot aan de dag van de uiteindelijke betaling worden toegewezen.

[B.V. X] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.



5.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 18 mei 2011 en doet opnieuw recht

  • -

    wijst af de vorderingen van [B.V. X];

  • -


    veroordeelt [B.V. X] tot betaling aan [het advocatenkantoor] van het bedrag van
    € 8.575,65 vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 5 mei 2010 tot aan de dag van de uiteindelijke betaling;

- veroordeelt [B.V. X] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [het advocatenkantoor] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op
€ 1.251,89 voor de kosten van het geding in conventie en op € 384,- voor salaris advocaat in reconventie en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 632,-
(1 punt in tarief I) voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 725,31 voor verschotten;

- verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad.



Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Rowel-van der Linde, J.H. Kuiper en R.E. Weening en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2013.