Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:4984

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-07-2013
Datum publicatie
11-07-2013
Zaaknummer
CD 200.101.041-01 9-7-2013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeelde partij is onwetend van het vonnis en krijgt dit eerst ver na het verstrijken van de appeltermijn toegezonden. Het appelexploot wordt echter niet binnen 14 dagen na verzending van het vonnis betekend. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2013/218
NJF 2013/353
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.101.041/01

(zaaknummer rechtbank Groningen: 126694 \ HA ZA 11-456)

arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken van 9 juli 2013

in de zaak van

Stichting Zorgkantoor Menzis,

gevestigd te Wageningen,

appellante,
in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Menzis,

advocaat: mr. S. Boot, kantoorhoudende te Enschede,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S. de Vaal, kantoorhoudende te Groningen.

1 Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 29 december 2010 (zaaknr. 122747 \ HA ZA 10-997) en 13 juli 2011, gewezen door de rechtbank Groningen, sector civielrecht (hierna: de rechtbank).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij exploot van 9 januari 2012 is door Menzis hoger beroep ingesteld van het vonnis van 13 juli 2011.

2.2

De conclusie van de memorie van grieven (met vier producties) luidt:

"(…) dat het Gerechtshof het vonnis, waarvan beroep, vernietigt en opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] veroordeelt tegen bewijs van kwijting aan Menzis te betalen een bedrag ad € 19.323,80 met de wettelijke rente over € 17.321,41 vanaf 22 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening en [geïntimeerde] veroordeelt in de kosten van het geding in beide instanties, waaronder begrepen de B.T.W. over de te liquideren kosten."

2.3

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord (met één productie, zijnde de verzetdagvaarding in eerste aanleg) geconcludeerd tot verwerping van de door Menzis aangevoerde grief en tot bekrachtiging van het aangevallen vonnis, voor zover nodig met verbetering en aanvulling van gronden, en met veroordeling van Menzis in de kosten van het geding in hoger beroep.

2.4

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd, waartoe Menzis de stukken heeft overgelegd. In het gefourneerde dossier ontbreken de producties 1 en 2 die behoren bij de verzetdagvaarding in eerste aanleg van [geïntimeerde]. Of dit relevant is voor de verdere procedure, zal het hof beoordelen in hetgeen hierna volgt.

2.5

Gelet op art. CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Stb. 2012, 313) wordt in deze vóór 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

3 De beoordeling

Het geschil en de procedure in eerste aanleg

3.1

Menzis heeft bij inleidende dagvaarding van 11 november 2010 gevorderd dat [geïntimeerde], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van € 19.323,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 17.321,41 vanaf 22 oktober 2010 tot aan de dag der voldoening. Menzis heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd (samengevat) dat [geïntimeerde] de aan hem uitgekeerde voorschotten op zijn PGB (persoonsgebonden budget) dient terug te betalen.

3.2

Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend. De rechtbank heeft de vordering van Menzis in haar vonnis van 29 december 2010 afgewezen voor zover het de gevorderde € 5,70 aan deurwaarderskosten (GBA) betreft en voor zover de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 1.075,76 (incl. btw) overstijgen. Voor het overige heeft de rechtbank de vordering van Menzis als niet onrechtmatig of ongegrond beoordeeld en toegewezen, hetgeen neerkomt op veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 19.209,56, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over € 17.321,41 vanaf 22 oktober 2010 tot de dag van volledige betaling. Tevens is [geïntimeerde] veroordeeld in de proceskosten van Menzis ten bedrage van € 1.704,93. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.3

Bij exploot van 21 april 2011 is [geïntimeerde] in verzet gekomen van het vonnis van 29 december 2010. In de procedure na verzet is Menzis volgens de rechtbank niet verschenen. De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen, aangezien zijn stellingen die vordering kunnen dragen en door Menzis niet zijn weersproken. In haar vonnis van
13 juli 2011 heeft de rechtbank het (verstek)vonnis van 29 december 2010 vernietigd en Menzis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] ten bedrage van € 613,81.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

3.4

In zijn memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] gesteld dat Menzis te laat en ten onrechte hoger beroep heeft aangetekend. Tegen het verstekvonnis van 13 juli 2011 had Menzis verzet moeten aantekenen, in plaats van hoger beroep, aldus [geïntimeerde].

3.5

Het hof stelt voorop dat niet naar de vorm, maar naar de inhoud moet worden beoordeeld of een vonnis als een verstekvonnis of als een contradictoir vonnis is te beschouwen (Hof 's-Gravenhage 4 februari 1981, NJ 1981, 526). Met zijn stellingname ziet [geïntimeerde] eraan voorbij dat door het instellen van verzet de instantie wordt heropend. Art. 148 Rv bepaalt verder dat het geding verloopt als in de vijfde afdeling van titel 1, boek 2, Rv, met dien verstande dat het exploot van verzet als conclusie van antwoord geldt. Ook de rechtbank heeft miskend dat door het instellen van verzet de instantie wordt heropend, nu zij de vordering van [geïntimeerde] in verzet heeft toegewezen, maar zonder te motiveren waarom aan de door Menzis bij dagvaarding naar voren gebrachte (en met producties onderbouwde) stellingen voorbij wordt gegaan en zonder de door Menzis bij inleidende dagvaarding geformuleerde vordering alsnog af te wijzen, zoals door [geïntimeerde] in zijn verzetdagvaarding is gevorderd.

3.6

Wat hiervan ook zij, het vonnis waarvan beroep is als een vonnis op tegenspraak te beschouwen, zodat Menzis hiervan in hoger beroep kon komen.

3.7

Ten aanzien van de overschrijding van de appeltermijn, waarop ook door [geïntimeerde] is gewezen, overweegt het hof als volgt.

3.8

Menzis stelt dat zij eerst op 28 december 2011 kennis heeft genomen van het vonnis van 13 juli 2011. Zij heeft dat onderbouwd door overlegging van een op 23 december 2011 gedateerde nota van de financiële afdeling van de rechtbank voor betaling van (een deel van) de proceskosten. Het vonnis van 13 juli 2011 was als bijlage aan de nota toegevoegd. Menzis stelt dat haar termijnoverschrijding op grond hiervan verschoonbaar is.

3.9

Op grond van art. 339 lid 1 Rv was de laatste dag van de appeltermijn 13 oktober 2011. Een overschrijding van deze termijn is verschoonbaar te achten, indien deze het gevolg is van een omstandigheid waarvoor de rechtzoekende in redelijkheid niet het risico dient te dragen. Dat is het geval indien de overschrijding het gevolg is van een voor de rechtzoekende niet te verwachten en te onderkennen fout aan de zijde van het gerecht, tegen wiens beslissing een rechtsmiddel kan worden aangewend (vgl. HR 27 mei 2011, LJN: BQ0510). In gevallen waarin het vonnis als gevolg van zo'n apparaatsfout de belanghebbende te laat bereikt om nog tijdig beroep te kunnen instellen, wordt de beroepstermijn verlengd met een termijn van veertien dagen (of een zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke beroepstermijn) na de dag van verstrekking of verzending van de uitspraak.

3.10

Wanneer wordt uitgegaan van de juistheid van de hiervoor in 3.8 weergegeven gang van zaken, zoals die door Menzis is geschetst, dan is naar het oordeel van het hof sprake van een apparaatsfout als omschreven in 3.9. Daarvan uitgaande geldt het volgende. In dit geval is het vonnis aan Menzis verzonden op 23 december 2011. De dag daarop is de verlengde beroepstermijn van 14 dagen aangevangen en die loopt vervolgens tot en met vrijdag 6 januari 2012. De appeldagvaarding is echter eerst op maandag 9 januari 2012 uitgebracht. Aangezien Menzis niet alsnog binnen veertien dagen na verzending van het aangevallen vonnis het appelexploot heeft uitgebracht, kan zij niet geacht worden binnen de termijn in hoger beroep te zijn gekomen. Dat bedoelde nota en het aangevallen vonnis eerst op 28 december 2011 door haar zijn ontvangen, zoals Menzis stelt, doet hieraan niet af. Menzis gaat er kennelijk, maar ten onrechte, vanuit dat haar na ontvangst van het aangevallen vonnis nog een verlengde beroepstermijn van veertien dagen ter beschikking stond. Dit is geen bijzondere omstandigheid die tot een verdere verlenging van de beroepstermijn aanleiding geeft. Te meer niet nu uit productie 5 bij de memorie van grieven blijkt dat de advocaat van Menzis reeds op 2 januari 2012 per fax contact heeft gehad met de rechtbank Groningen. Niet valt daarom in te zien waarom niet vóór of op 6 januari 2012 door Menzis een appelexploot kon worden uitgebracht. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden nopen, zijn door Menzis niet gesteld.

slotsom

3.11

Het hoger beroep van Menzis dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Door het ontbreken van de producties 1 en 2 bij de verzetdagvaarding wordt [geïntimeerde] niet in zijn processuele belangen geschaad, zodat dit verder geen gevolgen heeft.

3.12

Menzis zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris advocaat: ½ punt in tarief III).

4 De beslissing:

Het gerechtshof:

verklaart Menzis niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;

veroordeelt Menzis in de kosten van het geding in hoger beroep en stelt die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak vast op € 1.158,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat en op € 666,- aan verschotten.

Aldus gewezen door mrs. J.M. Rowel-van der Linde, L. Groefsema en R.E. Weening, en door de rolraadsheer uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 9 juli 2013 in bijzijn van de griffier.