Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:4977

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-07-2013
Datum publicatie
11-07-2013
Zaaknummer
CD 200.025.450-01 9-7-2013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medische fout. Aansprakelijkheid is vastgesteld. Begroting schade vanwege verlies verdienvermogen. Redelijke verwachtingen over de carrière van een verpleegkundige in de hypothetische situatie dat de fout niet zou zijn gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2013/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.025.450/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 77423/HA ZA 06-596)

arrest van de eerste kamer van 9 juli 2013

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats 1],

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. M. Elmers, kantoorhoudend te Brielle,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats 2],

hierna: [geïntimeerde 1],

2. Stichting Antonius Ziekenhuis,

gevestigd te Sneek,

hierna: Antonius Ziekenhuis,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 5 februari 2013 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

[appellante] heeft een akte uitlating producties genomen, waarbij producties in het geding zijn gebracht.

1.2

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

In genoemd tussenarrest heeft het hof overwogen dat het in een volgend tussenarrest zal oordelen over de vraag hoe naar redelijke verwachting de carrière van [appellante] zich zonder ongeval zou hebben ontwikkeld. Het hof heeft [appellante] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de door [geïntimeerden] in het geding gebrachte producties die betrekking hebben op deze vraag. [appellante] heeft in haar akte uitlating producties van die gelegenheid gebruik gemaakt. Zij heeft daarbij twee producties overgelegd, te weten een brief van het door haar ingeschakelde schadeberekeningsbureau en een brief van haar medisch adviseur. In beide brieven wordt gereageerd op de door [geïntimeerden] in het geding gebrachte producties. Het hof ziet gelet op het karakter van deze producties - een inhoudelijke reactie op eerdere producties van [geïntimeerden] - geen reden [geïntimeerden] in de gelegenheid te stellen zich over deze producties te uit te laten.

2.2

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag hoe de carrière van [appellante] zich in de (hypothetische) situatie zonder medische fout zou hebben ontwikkeld. Het hof stelt bij het antwoord van deze vraag het volgende voorop. Op [appellante] rusten de stelplicht en bewijslast ten aanzien van haar stellingen omtrent de ontwikkeling van haar carrière in de hypothetische situatie zonder medische fout. Omdat het bij hypothetische gebeurtenissen niet zozeer om feiten gaat, maar veeleer om veronderstellingen, waaraan slechts een bepaalde mate van waarschijnlijkheid ten grondslag ligt, kunnen aan het bewijs van de hypothetische situatie zonder ongeval geen al te strenge eisen worden gesteld. Daarbij is van belang dat het de aansprakelijke veroorzaker is geweest die de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen zekerheid te verschaffen over wat zich in de hypothetische situatie zou hebben voorgedaan (vgl. Hoge Raad 15 mei 1998, LJN: ZC2654). Het gaat bij de bepaling van de hypothetische situatie om redelijke verwachtingen over de toekomstige ontwikkelingen. Die redelijke verwachtingen zullen doorgaans overeenkomen met de realistische verwachtingen, de verwachtingen die overeenkomen met de - uitgaande van de concrete omstandigheden van de benadeelde - normale gang van zaken. De partij die een afwijking van deze normale gang van zaken bepleit voor de hypothetische situatie, zal deze afwijking deugdelijk dienen te onderbouwen.

2.3

Partijen verschillen van mening over het carrièrepatroon van [appellante] in de situatie zonder de beroepsfout. Volgens [appellante] zou zij in die hypothetische situatie in 1997 zijn verhuisd naar [plaats] en dat zij daar zou zijn gaan werken in het [gasthuis], een ziekenhuis waar zij eerder heeft gewerkt. Zij zou tot 1 januari 1997 parttime (voor 50%) hebben gewerkt als verpleegkundige A en per 1 januari 2007 fulltime zijn gaan werken. Met ingang van 1 januari 1998 zou zij de opleiding tot IC-verpleegkundige zijn gestart, aldus [appellante], die uitgaat van een (fulltime) dienstverband dat tot 26 oktober 2022 ([appellante] is dan

66 jaar en 9 maanden oud) zou hebben voortgeduurd.

2.4

[geïntimeerden] hebben dit carrièrepatroon betwist. Zij hebben er allereerst op gewezen dat het niet voor de hand ligt dat [appellante] in 1998 nog de opleiding tot IC-verpleegkundige zou zijn gaan volgen. Zowel de leeftijd van [appellante], haar ook in de hypothetische situatie beperkte gezichtsvermogen en haar carrière tot 1994 wijzen er niet op dat [appellante] de intensieve opleiding tot IC-verpleegkundige zou zijn gaan volgen, aldus [geïntimeerden] Volgens [geïntimeerden] ligt het, gelet op de gezinssituatie van [appellante] - zij heeft als alleenstaande de zorg voor een zoon met autisme -, niet voor de hand dat zij fulltime zou zijn gaan werken. Zij heeft tot 1994 ook nauwelijks fulltime gewerkt. Bovendien werken de meeste verpleegkundigen parttime, aldus [geïntimeerden], die ook betwisten dat uitgegaan moet worden van een beëindiging van de loopbaan van [appellante] in oktober 2022. Volgens [geïntimeerden] dient te worden uitgegaan van een eerdere beëindiging. [geïntimeerden] betwisten ook het percentage onregelmatigheidstoeslag (ORT) waarmee in de door [appellante] overgelegde schadeberekening wordt gerekend. Dat zou te hoog zijn. Bovendien wordt te lang uitgegaan van ORT.

2.5

Het hof is, met [geïntimeerden], van oordeel dat niet was te verwachten dat [appellante] in de hypothetische situatie nog een opleiding tot IC-verpleegkundige zou hebben gevolgd. Het hof wil aannemen dat het de wens van [appellante] is geweest (en is gebleven) om als

IC-verpleegkundige werkzaam te zijn. Uit het relaas van [appellante], dat als bijlage bij het door haar overgelegde berekeningsrapport is gevoegd, volgt dat [appellante] graag

IC-verpleegkundige zou zijn geworden. Er volgt ook uit dat [appellante] in 1984, toen zij bij het [gasthuis] werkte, zich heeft aangemeld voor het volgen van die opleiding, maar dat zij toen is afgewezen (ofschoon collega's en hoofden van de IC haar verzoek zouden hebben gesteund). Vastgesteld kan worden dat [appellante] er nadien, tot aan 1994, niet in is geslaagd in te stromen in een opleiding tot IC-verpleegkundige. Onder deze omstandigheden acht het hof het, daargelaten of voor het volgen van deze opleiding (de facto) een leeftijdsgrens geldt en of de ook zonder de fout opgetreden visusstoornis aan het volgen van de opleiding in de weg zou(den) hebben gestaan, niet realistisch ervan uit te gaan dat [appellante] deze opleiding wel zou zijn gaan volgen. [appellante] heeft haar stelling dat zij volgens redelijke verwachtingen IC-verpleegkundige zou zijn geworden dan ook onvoldoende onderbouwd.

2.6

Het hof gaat er, met [appellante], vanuit dat een redelijke verwachting omtrent de toekomstige ontwikkelingen in haar situatie met zich brengt dat ervan dient te worden uitgegaan dat [appellante] in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben doorgewerkt tot het bereiken van de voor haar geldende pensioengerechtigde leeftijd. Het hof baseert dit oordeel op het feit dat gesteld noch gebleken is dat [appellante] in aanmerking zou komen voor een prepensioenregeling en evenmin dat haar financiële situatie zich zodanig zou hebben ontwikkeld dat zij, het schadeveroorzakende feit weggedacht, het zich kon permitteren om voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd te stoppen met werken. Integendeel, nu [appellante] een aantal jaren niet heeft gewerkt en zij over die jaren geen pensioen heeft opgebouwd, ligt het ook met het oog op het opbouwen van pensioenrechten juist voor de hand dat [appellante] tot aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zou zijn blijven werken. Ook het bestaan van andere omstandigheden die het aannemelijk maken dat [appellante] eerder zou zijn gestopt met werken - zoals een partner die eerder met pensioen zou zijn gegaan en/of mede in haar levensonderhoud zou hebben kunnen voorzien -, is niet aannemelijk geworden. Het enkele feit dat volgens statische gegevens een aanzienlijk deel van de verpleegkundigen voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd stopt met werken, leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst betreffen deze statistische gegevens de situatie tot nu toe, waarin een lagere pensioenleeftijd geldt en nog gebruik kan worden gemaakt van prepensioenregelingen. Bovendien geven deze gegevens, uiteraard, slechts algemene informatie over een breed samengestelde beroepsgroep en zijn ze om die reden niet zonder meer toepasbaar op de specifieke situatie van [appellante], zoals hiervoor aangeduid.

2.7

Ten aanzien van het percentage ORT heeft [appellante] de kritiek van [geïntimeerden] niet weerlegd. [geïntimeerde 1] noemt 13 à 14%. Het hof volgt [geïntimeerden] niet volledig in hun kritiek op de duur van de ORT in de berekening van [appellante]. Aan [geïntimeerden] kan worden toegegeven dat onregelmatige diensten een belasting vormen, dat die belasting zich meer zal doen gevoelen naarmate de verpleegkundige ouder wordt en dat het, mede gelet op de statistische gegevens in de rede ligt te verwachten is dat ook [appellante] in de hypothetische situatie zonder medische fout de onregelmatige diensten zou hebben afgebouwd. Het hof gaat daarbij echter niet uit van de leeftijd van 55 jaar, zoals [geïntimeerden] voorstaan, maar van 61 jaar.

2.8

De vraag die resteert is met welke deeltijdfactor dient te worden gerekend. Bij het antwoord op die vraag neemt het hof de volgende omstandigheden in aanmerking:
Allereerst heeft [appellante] het grootste deel van haar arbeidsverleden als verpleegkundige
fulltime gewerkt.
Vervolgens dient [appellante] als alleenstaande ouder zelf in haar levensonderhoud (en dat van haar kind) te voorzien. Het ligt voor de hand dat [appellante] om die reden zoveel mogelijk wil werken.
Ten slotte heeft [appellante], als alleenstaande ouder, sinds 1995 de zorg voor een autistisch kind. Die zorg laat zich niet zonder meer combineren met een fulltime baan met onregelmatige diensten.
De beide eerstgenoemde omstandigheden rechtvaardigen de verwachting dat [appellante] in de hypothetische situatie zonder fout fulltime zou hebben gewerkt en vanaf 61 jarige leeftijd voor 80%. Dat in de verpleging veel verpleegkundigen (nog) parttime werken, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof verwijst naar hetgeen het heeft overwogen ten aanzien van de eindleeftijd voor het werken. De laatstgenoemde omstandigheid rechtvaardigt mogelijk een correctie op het uitgangspunt van fulltime werken (en 80% vanaf 61 jaar). Het hof beschikt echter (nog steeds) over onvoldoende informatie om te kunnen bepalen of die correctie dient te worden aangebracht, bijvoorbeeld tot 60% gedurende de periode dat [appellante] veel zorg dient te besteden aan haar zoon. Het hof is daarom niet in staat om ter voorbereiding op de comparitie al een eindoordeel te geven over de te hanteren deeltijdfactor. De comparitie zal mede worden benut om op dit punt meer informatie te verkrijgen. Het hof wenst ter comparitie antwoord te krijgen op de volgende vragen:
a. Welke zorg heeft de zoon van [appellante] nodig en tot welke leeftijd?
b. Op welke wijze wordt nu in die zorg voorzien?
c. Indien [appellante] zelf (grotendeels) in die zorg voorziet: hoe zou in deze zorg zijn
voorzien indien [appellante] fulltime, of met een hoge deeltijdfactor, zou zijn gaan
werken (met onregelmatige diensten)? Welke kosten zouden daaraan zijn verbonden?
d. Indien in de huidige situatie door derden is voorzien in de zorg voor de zoon: welke
kosten zijn daaraan verbonden?

2.9

De slotsom is dat ten aanzien van het verlies verdienvermogen dient te worden uitgegaan van:
- de functie verpleegkundige A
- een eindleeftijd van 67 jaar;
- ORT van 14% tot 61 jaar;
- fulltime werken tot 6 1 jaar en 80% vanaf 61 jaar wanneer geen rekening wordt
gehouden met de zorg voor de zoon van [appellante].

2.10

Onduidelijk is nog of [appellante] naast haar inkomen uit een WAO-uitkering een invaliditeitsuitkering ontvangt van het PGGM en hoe haar arbeidsongeschiktheidsuitkering zich ontwikkelt vanaf 2013. Ter comparitie zullen over dit onderwerp de volgende vragen worden gesteld:
e. Heeft [appellante] aanspraak op een invaliditeitsuitkering en zo ja hoeveel bedraagt die uitkering?

dient bij een bevestigend antwoord voorafgaand aan de comparitie opgave te doen van de door haar ontvangen bedragen en de bewijsstukken daarvan in het geding te brengen;
f. Hoeveel bedraagt de arbeidsongeschiktheidsuitkering van [appellante] (inclusief toeslagen) vanaf 2012?

dient de jaaropgave(n) betreffende 2012 en de drie meest recente uitkeringsspecificaties in het geding te brengen;

2.11

Partijen verschillen ook van mening over de kosten van huishoudelijke hulp. In het tussenarrest van 24 juli 2010 heeft het hof betreffende deze schadepost een aantal vragen gesteld. Een deel van die vragen is in het overgelegde rapport van het NRL beantwoord.
Het hof volgt [geïntimeerden] in hun betoog dat ervan dient te worden uitgegaan dat [appellante] in de situatie zonder medische fout ook huishoudelijke hulp zou hebben gehad indien zij de zorg voor haar zoon zou hebben gecombineerd met een fulltime baan. Indien in de hypothetische situatie wordt uitgegaan van een parttime baan, is er naar het oordeel van het hof onvoldoende reden om ervan uit te gaan dat [appellante] kosten van huishoudelijke hulp zou hebben gehad.

2.12

Het hof ziet geen reden om, zoals in het door [appellante] overgelegde rapport wordt bepleit, de kosten van huishoudelijke hulp vanaf 2013 niet te begroten. Ter comparitie zal dan ook de volgende vraag aan de orde komen:
g. Hoeveel bedragen vanaf 2013 de kosten van huishoudelijke hulp?

dient haar stelling dat een eventuele schadeuitkering zal leiden tot een hogere eigen bijdrage te onderbouwen door de relevante regelgeving betreffende de eigen bijdrage in het geding te brengen en door aan te geven op welke bepalingen zij haar stelling baseert.

2.13

Ten aanzien van de schadepost verlies zelfwerkzaamheid stelt het hof vast dat [appellante] niet heeft toegelicht hoe haar vordering zich verhoudt tot de bedragen uit de richtlijn zelfwerkzaamheid van de Letselschaderaad. [appellante] heeft ook niet aangegeven dat en waarom in dit geval van deze richtlijn zou moeten worden afgeweken. Het hof zal dan ook de richtlijn tot uitgangspunt nemen. Ter comparitie zullen de volgende vragen gesteld worden:
h. Welk bedrag is bij toepassing van de richtlijn jaarlijks gemoeid met het verlies zelfredzaamheid?
i. Verricht [appellante] zelf het tuinonderhoud?

2.14

Het hof zal, zoals aangekondigd, een comparitie van partijen gelasten voor het verkrijgen van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling. De zaak wordt om die reden naar de rol verwezen voor opgave verhinderdata door beide partijen.

2.15

2 16 3. De beslissing

Het gerechtshof:

bepaalt dat partijen, [appellante] in persoon / [geïntimeerden] vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en bevoegd is tot het aangaan van een schikking, samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. H. de Hek, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven als hiervoor vermeld en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden augustus tot en met december zullen opgeven op de roldatum dinsdag 6 augustus 2013, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat partijen de stukken als bedoeld in rov. 2.10 en 2.12 in het geding dienen te brengen en dat partijen ervoor dienen te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van die stukken hebben ontvangen;

verstaat dat het hof de procesdossiers van partijen onder zich zal houden;

bepaalt dat indien een partij ter comparitie nog een proceshandeling wenst te verrichten en/of producties in het geding wil brengen, zij ervoor dient te zorgen dat aan het hof en de wederpartij schriftelijk wordt meegedeeld wat de inhoud is van de ter comparitie te verrichten proceshandeling (voorzien van stukken) en indien een partij ter comparitie nog producties in het geding wenst te brengen dat zij daarvan goed leesbare afschriften aan het hof en de wederpartij dient over te leggen, in beide gevallen uiterlijk veertien dagen voorafgaand aan de zitting;


houdt iedere verdere beslissing aan.


Aldus gewezen door mrs. K.E. Mollema, J.H. Kuiper en H. de Hek en door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 9 juli 2013.