Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:4957

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-07-2013
Datum publicatie
06-08-2013
Zaaknummer
200.054.958
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procedure ex art. 3:20 lid 2 BW tot inschrijving van notariële verklaring ad verkrijgende verjaring in de openbare registers. Geen inbezitneming of bezitsoverdracht door Gemeente door aanleg van trottoir, onder meer omdat daardoor in de uitoefening van de feitelijke macht door de eigenaren van de grond niets veranderde. Geen met HR 9 september 2011, LJN BQ5989 vergelijkbaar geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2013/103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof

(zaaknummer rechtbank Almelo 105967)

arrest in kort geding van de tweede civiele kamer van

in de zaak van

de openbare rechtspersoon Gemeente Tubbergen,

zetelende te Tubbergen,

appellante,

hierna: de ,

advocaat: mr. W. van de Wetering,

tegen:

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

3.[geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats],

4. [geïntimeerde 4],

wonende te [woonplaats],

5. [geïntimeerde 5],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden sub 1 tot en met 5,

hierna: ,

advocaat: mr. W.J.J. Lamers,

en tegen:

6 de Bewaarder van het kadastrale register,

kantoorhoudende te Zwolle,

geïntimeerde sub 6,
hierna: het Kadaster,

advocaat: mr. J.A.J.M. van Aken.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 17 november 2009, dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo tussen de Gemeente als eiseres en [geïntimeerde 1] c.s. en het Kadaster als gedaagden heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

■ de dagvaardingen in hoger beroep d.d. 11 december 2009 en 14 december 2009;

■ de memorie van grieven;

■ de memorie van antwoord van het Kadaster;

■ de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] c.s.;

■ het pleidooi van de advocaat van de Gemeente overeenkomstig zijn pleitnotitie ter zitting van 24 juni 2013, alsmede de aantekeningen van de griffier van het pleidooi van de advocaat van [geïntimeerde 1] c.s. bij dezelfde gelegenheid.

2.2

Het Kadaster is bij gelegenheid van de pleitzitting niet verschenen. Het hof heeft vastgesteld dat de advocaat van het Kadaster via het roljournaal van tijd en plaats van de zitting op de hoogte was (althans behoorde te zijn), zodat het niet-verschijnen van het Kadaster geen beletsel vormde om de zitting doorgang te doen vinden. De Gemeente en [geïntimeerde 1] c.s. hebben ermee ingestemd dat de pleitzitting buiten aanwezigheid van het Kadaster plaatsvond.

2.3

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende. De Gemeente staat op het standpunt dat zij door verjaring eigenaar is geworden van stroken grond die eerder aan [geïntimeerde 1] c.s. toebehoorden. [geïntimeerde 1] c.s. bestrijden dat standpunt. De Gemeente heeft aan het Kadaster notariële verklaringen aangeboden als bedoeld in artikel 34 Kadasterwet, namelijk dat naar haar verklaring de verjaring is ingetreden. Deze verklaringen zijn geboekt in het register van voorlopige aantekeningen. Op de voet van artikel 3:20 lid 2 Burgerlijk Wetboek vordert de Gemeente in dit geding dat de voorzieningenrechter het Kadaster zal bevelen de bedoelde notariële verklaringen alsnog in de openbare registers in te schrijven. De voorzieningenrechter in eerste aanleg heeft die vordering afgewezen. Daartegen richten zich de grieven.

3.2

Het Kadaster, dat zich wat betreft de inhoudelijke beoordeling van de zaak aan het oordeel van het hof heeft gerefereerd, heeft de vraag opgeworpen of de vordering van de Gemeente moet worden afgewezen in verband met het ontbreken van spoedeisend belang. Deze vraag behoeft echter geen beantwoording, omdat het hof hierna reeds op andere gronden tot het oordeel komt dat de vordering van de Gemeente niet toewijsbaar is.

3.3

Aan haar standpunt dat zij door verjaring eigenaar geworden is van de stroken grond, legt de Gemeente in hoger beroep de navolgende stellingen ten grondslag. De bedoelde stroken grond zijn gelegen aan de[adres 1] en de [adres 2] in [woonplaats]. Rond 1960 heeft de Gemeente een reconstructieplan opgesteld voor de [adres 2] en[adres 1] (toen [adres 3] geheten) in [woonplaats]. Die reconstructie zag mede op het aanleggen van trottoirs op de stroken grond, die toen eigendom waren van de rechtsvoorgangers van [geïntimeerde 1] c.s. De eigenaren van de stroken grond zijn door de Gemeente destijds benaderd met de vraag of zij bereid waren de bedoelde stroken aan de Gemeente te verkopen. In 1961 hebben de eigenaren zich daartoe bereid verklaard. Eveneens in 1961 heeft de reconstructie plaatsgevonden. In 1963 heeft de Gemeente besloten om te stroken grond inderdaad aan te kopen. De daarvoor benodigde toestemming van Gedeputeerde Staten van de provincie is vervolgens in 1964 verkregen. In 1965 is de eigendom van diverse omliggende stroken grond (van andere eigenaren dan de rechtsvoorgangers van [geïntimeerde 1] c.s.) aan de Gemeente overgedragen. De rechtsvoorgangers van [geïntimeerde 1] c.s. hebben niet willen meewerken aan levering van de stroken grond aan de Gemeente. Deze feitelijke stellingen van de Gemeente zijn door [geïntimeerde 1] c.s. deels betwist. Met name betwisten zij dat hun rechtsvoorgangers zich bereid hebben verklaard om de stroken grond aan de Gemeente te verkopen.

3.4

Volgens de Gemeente heeft zij in 1961 door bezitsoverdracht althans inbezitneming het bezit van de stroken grond verkregen. Dat bezit heeft volgens haar sindsdien ononderbroken voortgeduurd, met als gevolg dat zij door verjaring eigenaar is geworden. De Gemeente beroept zich in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2011, LJN: BQ5989.

3.5

Het hof oordeelt als volgt. Op zichzelf is juist dat het mogelijk is dat een koper krachtens de rechtsverhouding met de verkoper jegens deze gerechtigd is, vooruitlopend op de levering van het verkochte, zich over het verkochte de feitelijke macht te verschaffen en deze op een zodanige wijze uit te oefenen dat naar de in het verkeer geldende opvattingen de koper moet worden beschouwd als bezitter van het verkochte. In het onderhavige geval is hiervan echter geen sprake geweest.

3.6

De Gemeente had ten tijde van de beweerde inbezitneming (1961) ook volgens haar eigen stellingen nog niet gekocht. Zij heeft volgens haar eigen stellingen immers eerst in 1963 tot het aankopen van de stroken grond besloten (en in 1964 toestemming van Gedeputeerde Staten verkregen). Ook los daarvan kan niet worden gezegd dat de Gemeente naar de in het verkeer geldende opvattingen bezitter van de stroken grond is geworden. [geïntimeerde 1] c.s. hebben gemotiveerd betoogd dat de stroken grond ook vóór 1961 reeds verhard waren. De Gemeente heeft dit weliswaar in twijfel getrokken, maar heeft de mogelijkheid opengelaten dat dit inderdaad het geval is geweest en voert aan dat dan in ieder geval vóór 1961 geen sprake was van een uniforme bestrating volgens hetgeen de Gemeente voor ogen stond. Ervan uitgaande dat de stroken grond inderdaad reeds vóór 1961 bestraat waren, beperkt de machtsuitoefening door de Gemeente zich tot het doen vervangen van de bestrating (en tot het onderhoud van die bestrating sindsdien). In de mate waarin (de rechtsvoorgangers van) [geïntimeerde 1] c.s. feitelijke macht over de stroken grond uitoefenden en konden uitoefenen, is in 1961 niets veranderd.

3.7

Ten overvloede overweegt het hof dat indien de stroken grond vóór 1961 nog niet verhard waren, nog steeds niet kan worden gezegd dat de Gemeente het bezit van de stroken heeft verkregen, omdat (de rechtsvoorgangers van) [geïntimeerde 1] c.s. op dezelfde wijze als voorheen de feitelijke macht over de stroken grond zijn blijven uitoefenen. Naar verkeersopvattingen is het bezit van (de rechtsvoorgangers van) [geïntimeerde 1] c.s. nimmer geëindigd. Ook in dat opzicht verschilt de onderhavige zaak dus van die zoals beslist in het genoemde arrest van de Hoge Raad (waarin de koper de aangekochte grond had omheind, met als gevolg dat de verkoper daartoe geen toegang meer had, en vervolgens daarop een gebouw had gesticht).

3.8

Aan het voorgaande voegt het hof ten slotte nog toe dat het niet zo ongerijmd is als de Gemeente doet voorkomen dat zij kosten maakte voor de reconstructie van (een weg en) het trottoir zonder eigenaar te zijn van alle ondergrond. Het trottoir was bestemd voor openbaar gebruik, zodat (eenvormige) bestrating ervan het algemeen belang diende. Voor zover de Gemeente zich erop beroept dat de toenmalige eigenaren ervan op de hoogte waren dat de Gemeente de strookjes grond in eigendom wilde verwerven, ziet zij eraan voorbij dat het bij de beoordeling van de vraag of zij het bezit van de stroken grond heeft verkregen er niet zozeer op aankomt wat de toenmalige eigenaren van de stroken grond wisten of konden vermoeden, maar op de verkeersopvatting en op uiterlijke feiten. Daar komt nog bij dat de Gemeente ten tijde van de reconstructie in 1961 ook volgens haar eigen stellingen zich nog niet had vastgelegd op aankoop van de stroken grond.

3.9

Het hof passeert het bewijsaanbod van de Gemeente. In de eerste plaats ligt bewijslevering in een procedure als de onderhavige niet voor de hand en in de tweede plaats heeft het bewijsaanbod niet betrekking op concrete feiten of omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

3.10

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de grieven falen. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal het hof de Gemeente veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Die kosten begroot het hof aan de zijde van het Kadaster op € 313,— voor griffierecht en op € 894,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt tarief II voor de memorie van antwoord), en aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. op € 314,— voor griffierecht en op € 2.682,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (3 punten tarief II, namelijk 1 punt voor de memorie van antwoord en 2 punten voor het pleidooi).

3.11

[geïntimeerde 1] c.s. hebben om uitvoerbaarbijvoorraadverklaring verzocht en het Kadaster niet. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 17 november 2009;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van het Kadaster vastgesteld op € 313,— voor griffierecht en op € 894,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. op € 314,— voor griffierecht en op € 2.682,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest wat betreft de veroordeling van de Gemeente in de proceskosten van [geïntimeerde 1] c.s. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, C.J.H.G. Bronzwaer en I.E. van Wijland-Kalkman, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2013.