Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:4778

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
11-07-2013
Zaaknummer
CR 200.125.064-01 27-6-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderen met ouders ondergedoken in Duitsland. Geen zicht op de ontwikkeling van de minderjarigen. Hof acht gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog steeds aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 27 juni 2013

Zaaknummer 200.125.064

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

Bureau Jeugdzorg,

kantoorhoudende te Groningen,

appellant,

hierna te noemen: BJZ,

tegen

1.

[de vader] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2.

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat mr. H.F.M. Struycken, kantoorhoudende te Amsterdam.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 26 maart 2013 (zaaknummer: C/18/138420 / JE RK 13-18) heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, het verzoek van BJZ afgewezen en de ouders in hun verzoeken niet-ontvankelijk verklaard.



Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 11 april 2013, heeft BJZ verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 26 maart 2013 te vernietigen ten aanzien van het punt van de afwijzing van de verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing en alsnog de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen, zoals in eerste aanleg door BJZ verzocht. Voor zover het hof bij de behandeling in deze tot de conclusie komt dat de bestreden beschikking op het punt van het afwijzen van het verzoek verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van BJZ dient te worden vernietigd verzoekt BJZ zo mogelijk en ter beoordeling van het hof de ouders de opdracht te geven hun medewerking te verlenen, in die zin dat zij zich melden bij hetzij de Duitse Centrale Autoriteit of het Jugendamt dan wel de Nederlandse Centrale Autoriteit of BJZ, zodat er hulp ingeschakeld kan worden voor de kinderen (en ouders) met het doel om zicht te krijgen op de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van de kinderen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 3 mei 2013, hebben de ouders het verzoek bestreden en verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen en de Nederlandse rechter onbevoegd te verklaren en opnieuw beschikkende BJZ niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken en in hoger beroep. Alle beschikkingen, die ter zake zijn gewezen door rechtbanken en gerechtshoven, nietig te verklaren.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een faxbericht van 18 april 2013 met een bijlage en een brief van 8 mei 2013 met bijlagen van BJZ.

Ter zitting van 21 mei 2013 is de zaak behandeld. Verschenen zijn mevrouw
[A] en mevrouw [B] namens BJZ en mr. Struyken namens de ouders.

De beoordeling

Nadere stukken

1.

Op 14 mei 2013 is bij het hof binnengekomen een faxbericht met bijlage van

14 mei 2013 van mr. Struyken, waarin hij het hof verzoekt toe te staan dat de grootmoeder van de minderjarigen, mevrouw [de grootmoeder], ter zitting aanwezig is en het woord mag voeren. Gelet op het bepaalde in artikel 1.4.3. van het procesreglement verzoekschrift procedures familiezaken gerechtshoven, zal het hof geen acht slaan op de bijlage bij het faxbericht van 14 mei 2013, ingekomen op 14 mei 2013. Genoemd artikel bepaalt namelijk dat stukken waarop iemand zich wenst te beroepen zo spoedig mogelijk moeten worden overgelegd, maar in ieder geval uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling.
Nu voornoemde bijlage derhalve te laat bij het hof is binnengekomen, zal het hof op de inhoud hiervan geen acht slaan.

De vaststaande feiten

2.

De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar. Uit deze relatie zijn drie thans nog minderjarige kinderen geboren, namelijk:

  • -

    [kind 1], geboren in de gemeente [X] op [geboortedag 1] (hierna: [kind 1]);
    - [kind 2], geboren in de gemeente [X] op [geboortedag 2] (hierna: [kind 2]); en

  • -

    [kind 3], geboren in de gemeente [Y] op [geboortedag 3] (hierna: [kind 3]).

3.

De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen.

4.

Op 12 oktober 2011 heeft BJZ, naar aanleiding van een incident op 10 oktober 2011, bij de raad melding gedaan van de instabiele en onveilige opvoedingssituatie van de kinderen door het gebrek aan gestructureerde en consequente opvoeding en het plaatsvinden van huiselijk geweld tussen de ouders waarvan de kinderen getuige zijn. Naar aanleiding van deze melding is de raad aangevangen met een beschermingsonderzoek.

5.

Op het moment van de melding verbleven de kinderen feitelijk, met instemming van BJZ, bij hun grootmoeder, de moeder van vader. De ouders waren op dat moment uit elkaar. Tijdens (de afronding van) het raadsonderzoek, in november 2011, zijn de ouders met de kinderen vertrokken naar Duitsland.

6.

Bij verzoekschrift van 23 november 2011, binnengekomen bij de rechtbank op

24 november 2011, heeft de raad verzocht de minderjarigen voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen van BJZ en voorts een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Daags daarna heeft de raad de rechtbank voorts verzocht, kort gezegd, om de voorlopige ondertoezichtstelling van de kinderen uit te spreken voor de duur van drie maanden en een (spoed) machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen.

9.

Bij beschikking van 25 november 2011 heeft de kinderrechter de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden en aan BJZ machtiging verleend om de kinderen met spoed uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 14 december 2011 heeft de kinderrechter de beschikking van 25 november 2011 bekrachtigd en is door de kinderrechter de definitieve ondertoezichtstelling van de kinderen uitgesproken met ingang van

25 februari 2012 voor de duur van een maand en een machtiging uithuisplaatsing verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling. De beslissingen op de langer verzochte duur is aangehouden. De kinderen zijn op basis van deze beschikkingen in Duitsland met dwang uit huis gehaald, enige dagen opgevangen in kinder-tehuizen aldaar en daarna overgedragen aan BJZ die de kinderen in crisis-pleeggezinnen heeft geplaatst.

10.

Naar aanleiding van het appel van de ouders tegen de beschikkingen van de kinderrechter van 25 november 2011 en 14 december 2011, heeft dit hof bij beschikking van 1 maart 2012, gewezen onder zaaknummer 200.100.831, onder meer de beschikking van 14 december 2011 bekrachtigd. Bij beschikking van

4 januari 2013 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de ouders tegen de beschikking van dit hof van 1 maart 2012 met toepassing van artikel 81 lid 1 RO verworpen.

11.

Bij beschikking van 20 juli 2012 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het verzoek van de ouders afgewezen om, voor zover hier van belang, de beschikkingen van 25 november 2011 en 14 december 2011 van de rechtbank Groningen en de beschikking van 1 maart 2012 van het hof nietig te verklaren (1a) en de teruggeleiding van de kinderen naar de ouders in Duitsland te gelasten (2).

1.
Ten aanzien van het verzoek om voor recht te verklaren dat de feitelijke uithuisplaatsing onrechtmatig is (1b) heeft de rechtbank bepaald dat deze zal worden voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure en daartoe is verwezen naar de rol van 22 augustus 2012. Het verzoek om de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onmiddellijk te beëindigen (3) is -tezamen met de overige (hier niet nader genoemde) verzoeken- verwezen naar de rechtbank Groningen. De ouders hebben op 26 juli 2012 tegen deze beschikking hoger beroep in gesteld bij het gerechtshof 's-Gravenhage en bij beschikking van

29 augustus 2012 heeft het hof de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen.
Bij beschikking van 5 april 2013 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de ouders tegen de beschikking van het gerechtshof 's-Gravenhage van 29 augustus 2012 met toepassing van artikel 81 lid 1 RO verworpen.

14.

Bij beschikking van 22 maart 2012 heeft de kinderrechter, in vervolg op de beschikkingen van 25 november 2011 en 14 december 2011, de minderjarigen met ingang van 25 maart 2012 voor de duur van elf maanden onder toezicht gesteld van BJZ en met ingang van 25 maart 2012 voor de duur van vier maanden machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een voorziening van pleegzorg verleend. Bij beschikking van 18 oktober 2012 heeft dit hof de beschikking van de kinderrechter van 22 maart 2012 bekrachtigd en het meer of anders in hoger beroep verzochte afgewezen.

15.

Bij beschikking van 23 juli 2012 heeft de kinderrechter, onder meer beslissende op het aangehouden verzoek ten aanzien van een uithuisplaatsing voor de periode vanaf 25 juli 2012, de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg verlengd voor de duur van twee maanden, derhalve tot 25 september 2012.

16.

Bij beschikking van 21 september 2012 heeft de kinderrechter met ingang van

25 september 2012 de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in
een voorziening voor pleegzorg verlengd voor de duur van vijf maanden, tot

25 februari 2013.

17.

Vast staat dat de minderjarigen op 28 september 2012 tijdens een begeleid
contact met de beide ouders door hen zijn meegenomen en dientengevolge aan het toezicht van hun gezinsvoogden zijn onttrokken. Sedertdien verblijven zij op een voor BJZ onbekende plaats. Tot 28 september 2012 verbleven de minderjarigen bij Nederlandse pleeggezinnen.

18.

Bij beschikking van 10 januari 2013 heeft dit hof de beschikkingen van de kinderrechter van 23 juli 2012 en van 21 september 2012 bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.

19.

Bij beschikking van 20 februari 2013 heeft de kinderrechter de termijn van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg ten aanzien van de minderjarigen verlengd met ingang van 25 februari 2013 met 6 weken, derhalve tot 8 april 2013. Bij beschikking van 28 maart 2013 heeft dit hof de ouders niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek, zoals weergegeven onder A), B) en C) van hun petitum, de beschikking van de kinderrechter van 20 februari 2013 bekrachtigd en het voor het overige in hoger beroep verzochte afgewezen.

20.

Bij inleidend verzoekschrift van 17 december 2012, op 7 januari 2013 ingediend bij de rechtbank, heeft BJZ de rechtbank verzocht om de ondertoezichtstelling van de minderjarigen en de machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht te verlengen voor de duur van een jaar.

21.

Bij de beschikking waarvan beroep van heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder het kopje "Het geding in eerste aanleg". Tegen deze beslissing is het hoger beroep van BJZ gericht.

De bevoegdheid van de rechter

22.

Voor wat betreft het verweer van de ouders dat de Groningse rechter niet bevoegd is kinderbeschermingsmaatregelen te nemen ten aanzien van de minderjarigen, die in Duitsland woonachtig zijn, sluit het hof zich - na eigen onderzoek - aan
bij hetgeen het hof Leeuwarden in de beschikking van 1 maart 2012 over de bevoegdheid van de rechter uitvoerig heeft overwogen. Het hof verwijst naar de rechtsoverwegingen 6 tot en met 18 van die beschikking en neemt deze hier over. Bij beschikking van 4 januari 2013 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van
de ouders tegen de beschikking van het hof Leeuwarden van 1 maart 2012 met toepassing van artikel 81 lid 1 RO verworpen. Hetgeen het hof Leeuwarden in de beschikking van 1 maart 2012 heeft beslist, staat daarmee in rechte vast.
Het hof ziet dan ook geen aanleiding om op het punt van de bevoegdheid prejudiciële vragen aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens te stellen, zoals mr. Struyken ter zitting van het hof heeft gevraagd.

Ten aanzien van de verlenging van de duur van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing

23.

Ter beoordeling van het hof staan de ondertoezichtstelling en de machtiging
tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg van de minderjarigen [kind 1], [kind 2] en [kind 3], zoals bij verzoekschrift van 17 december 2012 verzocht door BJZ, derhalve de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuis-plaatsing over de periode vanaf 25 februari 2013 voor de duur van een jaar.

24.

Voor het antwoord op de vraag of de duur van de ondertoezichtstelling van de minderjarige moet worden verlengd, dient te worden beoordeeld of de minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. De duur van de machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verlengd indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarige.

25.

Dit hof heeft bij beschikkingen van 1 maart 2012, 18 oktober 2012, 10 januari 2013 en 28 maart 2013 geconstateerd dat er ten aanzien van de minderjarigen zorgen waren die voldoende grond opleverden voor een (verlenging van de) ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Het hof onderschrijft deze beslissingen en maakt deze - na eigen onderzoek - in zoverre tot de zijne.

26.

In de beschikking waarvan beroep heeft de kinderrechter geoordeeld
dat niet is gebleken dat de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen is afgenomen c.q. opgeheven en dat die bedreiging in de ontwikkeling zelfs zal kunnen zijn toegenomen, nu de minderjarigen van alle
voor hen belangrijke sociale en medische voorzieningen lijken te zijn verstoten.
Er is immers, sinds de ouders de minderjarigen op 28 september 2012 tijdens
een begeleid contact hebben meegenomen naar een onbekende bestemming (in Duitsland) en daardoor aan het toezicht van de gezinsvoogden hebben onttrokken, in het geheel geen zicht op de opvoedings- en leefsituatie van de minderjarigen.
Het feit dat de minderjarigen ondergedoken zitten en de ouders zich onttrekken aan elk contact met jeugdbeschermings- en hulpverleningsinstanties acht het hof, evenals de rechtbank, schadelijk voor de ontwikkeling van de minderjarigen.
Dit geldt te meer nu uit het dossier en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen dat de minderjarigen al geruime tijd niet meer naar school zijn geweest en zich volgens opgave van hun advocaat onder erbarmelijke omstandigheden schuil moeten houden.

27.

Ondanks dat de kinderrechter de gronden voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog immer aanwezig acht, zijn de verlengingsverzoeken - in
het belang van de minderjarigen - afgewezen. Bij een verlenging van de getroffen jeugdbeschermingsmaatregelen zal de situatie van abstinentie van hulpverlening en voorzieningen voor hen voortduren, hetgeen gelet op de geconstateerde zorgen en problemen niet in hun belang wordt geacht, aldus de kinderrechter.

De kinderrechter heeft de verwachting uitgesproken dat de ouders hun verantwoordelijkheid zullen oppakken, opdat de minderjarigen daardoor weer toegang krijgen tot de hulpverlening en voorzieningen die zij nodig hebben in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling. Echter, ook na de beschikking waarvan beroep hebben de ouders op geen enkele wijze duidelijkheid verschaft over de opvoedings- en leefsituatie van de kinderen. Het gezin staat nergens meer ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en ook is niet gebleken dat de kinderen weer naar school gaan en/of ingeschreven staan bij een school.
Het had op de weg van de ouders gelegen om in het geval van een wijziging van de situatie van de minderjarigen op voornoemde punten hieromtrent schriftelijke stukken te overleggen. De ouders hebben in hoger beroep echter in het geheel geen (met stukken onderbouwde) feiten of omstandigheden naar voren gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat de geconstateerde zorgen ten aanzien van
de minderjarigen niet langer gelden. Nu de ouders sinds de beschikking waarvan beroep, in welke periode [kind 1], [kind 2] en [kind 3] niet onder toezicht stonden en ten aanzien van hen ook geen machtiging tot uithuisplaatsing was verleend, niet hebben laten zien dat de minderjarigen weer toegang hebben tot hulpverlening en (andere) sociale en medische voorzieningen die zij nodig hebben in het belang van hun ontwikkeling en er derhalve inmiddels ruim 9 maanden
in het geheel geen zicht is op de minderjarigen, kan het hof niet anders dan concluderen dat de gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog immer aanwezig zijn.

32.

Gelet op het hiervoor overwogene, is het hof van oordeel dat, teneinde de nog immer aanwezige ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] of hun gezondheid af te wenden, hulp in het kader van een ondertoezichtstelling geboden is. Naar het oordeel van het hof is op grond van het vorenstaande voldoende vast komen te staan dat andere middelen (in een vrijwillig kader) gefaald hebben of zullen falen. Het hof acht daarnaast de uithuisplaatsing van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding.

Slotsom

33.

Gelet op het vorenoverwogene zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

verlengt de duur van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen [kind 1], geboren in de gemeente [X] op [geboortedag 1],
[kind 2], geboren in de gemeente [X] op [geboortedag 2], en [kind 3], geboren in de gemeente [Y] op [geboortedag 3], met één jaar, ingaande op 25 februari 2013;

verlengt de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en
nacht van de minderjarigen [kind 1], geboren in de gemeente [X] op [geboortedag 1], [kind 2], geboren in de gemeente [X] op [geboortedag 2], en [kind 3], geboren in de gemeente [Y] op [geboortedag 3], met één jaar, ingaande op 25 februari 2013;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, voorzitter, A.H. Garos en M.A.L.M. Willems, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van

27 juni 2013 in bijzijn van de griffier.