Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:4748

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
11-07-2013
Zaaknummer
CR 200.124.967-01 18-6-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. Artikel 34 lid 2 Uitvoeringsbesluit. Wet op de jeugdzorg. Voor het nemen van een indicatiebesluit hoefde Bureau Jeugdzorg in dit geval niet eerst met de Raad voor de Kinderbescherming overleg te plegen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 810a
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/121 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 18 juni 2013

Zaaknummer 200.124.967

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.D. Nijenhuis,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

Bureau Jeugdzorg Friesland,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

geïntimeerde,

hierna te noemen: BJZ,

vertegenwoordigd door mr. S. Polak.

Belanghebbende:

[de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. L.M. Ligtvoet-van Tuijn,

kantoorhoudende te Dokkum.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 29 maart 2013 (zaaknummer C/17/125796 / FJ RK 13-290) - uitvoerbaar bij voorraad - heeft de kinderrechter in de rechtbank Leeuwarden het verzoek tot verlenging van de termijn (het hof begrijpt: de verlening) van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), geboren op [geboortedag 1] te[geboorteplaats], en [minderjarige 2] (hierna:[minderjarige 2]) en [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3]), beiden geboren op [geboortedag 2] te [geboorteplaats], toegewezen tot 29 juni 2013 onder aanhouding van het overige tot de zitting van 19 juni 2013.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 10 april 2013, heeft de moeder verzocht de beschikking van 29 maart 2013 te vernietigen en opnieuw beslissende het inleidend verzoek van BJZ af te wijzen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 24 april 2013, heeft BJZ het verzoek bestreden en verzocht het appelschrift van de moeder ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder:

  • -

    een op 15 april 2013 ingediende brief van 11 april 2013 van mr. Nijenhuis;

  • -

    een brief van 14 mei 2013 met bijlagen van BJZ;

  • -

    een faxbericht van 18 mei 2013 van mr. Nijenhuis;

  • -

    een brief van 21 mei 2013 met bijlagen van BJZ;

  • -

    op 24 mei 2013 door mr. Nijenhuis ingediende stukken betreffende briefwisseling tussen de gezinsvoogd en mr. Nijenhuis d.d. 6, 16, 18 en 24 mei 2013.

Ter zitting van 28 mei 2013 is de zaak behandeld. Verschenen zijn:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Nijenhuis;

  • -

    mr. Polak, [A en B],

namens BJZ;

- mr. Ligtvoet-van Tuijn namens de vader.

Zowel mr. Nijenhuis als mr. Polak hebben pleitnotities overgelegd.

De beoordeling

Nagekomen stukken

1.

Zoals ter zitting reeds is medegedeeld heeft het hof geen kennisgenomen van de door mr. Nijenhuis op 24 mei 2013 bij het hof ingediende uitdraaien van internet, nu deze zonder noodzaak buiten de termijn van artikel 1.4.4 van het proces-reglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven zijn binnengekomen.

2.

De door mr. Nijenhuis bij faxberichten van 18 en 27 mei 2013 gedane verzoeken tot het oproepen van informanten zijn voorafgaand aan de zitting afgewezen.

Voor wat betreft de heer [C] van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) was de reden daarvoor dat het hof de huidige opvoedingssituatie bij de moeder dient te beoordelen en dat het onvoldoende toegevoegde waarde heeft om de raad als informant te horen over hoe deze situatie eerder in de tijd was. Voor wat betreft mevrouw [Q] is het verzoek als tardief gedaan afgewezen.

De feiten

3.

De vader en de moeder zijn op 14 juli 2005 met elkaar gehuwd. Zij hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1],[minderjarige 2], [minderjarige 3] en hun oudere broer [broer], geboren op [geboortedag 3]. [broer] woont vanwege een verstandelijke beperking, ADHD en PDD-NOS vanaf zijn zevende jaar in een instelling.

4.

De ouders hebben op 13 april 2011 een ouderschapsplan ondertekend. Daarin is opgenomen dat de kinderen sinds het uiteengaan van de ouders hun hoofdverblijf-plaats bij de moeder hebben en hebben zij een zorgregeling afgesproken.

De ouders zijn officieel gescheiden op 12 oktober 2011.

5.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter in kort geding van 8 november 2012 is de vader op vordering van de moeder veroordeeld tot nakoming van de door partijen in het ouderschapsplan opgenomen afspraken over de zorgregeling.

6.

Op 9 november 2012 heeft het AMK een melding gedaan bij de raad over [broer], [minderjarige 1],[minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Naar aanleiding daarvan heeft de raad onderzoek gedaan naar de opvoedingssituatie van de kinderen. Dit heeft op

29 januari 2013 geresulteerd in een rapport waarin een verzoek aan de kinderrechter is geformuleerd om [broer], [minderjarige 1],[minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van één jaar onder toezicht te stellen van BJZ. Bij beschikking van

13 februari 2013 is dit verzoek toegewezen.

7.

Op 9 maart 2013 heeft BJZ de kinderrechter mondeling verzocht een machtiging

tot (spoed)uithuisplaatsing van [minderjarige 1],[minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor

pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Bij beschikking

van diezelfde datum heeft de kinderrechter dit verzoek toegewezen voor de duur

van 4 weken onder aanhouding van de beslissing over de langer verzochte duur.

8.

Bij verzoekschrift van 12 maart 2013, ingekomen op 13 maart 2013, heeft BJZ

de kinderrechter verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1],[minderjarige 2]

en [minderjarige 3] te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling in een

voorziening voor pleegzorg.

9.

Bij de beschikking waarvan beroep is beslist als hiervoor vermeld onder "Het

geding in eerste aanleg". Tegen deze beslissing heeft de moeder tijdig appel

ingesteld.

De informanten

10.

Het ter zitting herhaalde verzoek van mr. Nijenhuis om de heer [C] van de raad en mevrouw [Q] en mevrouw [R] van Jeugdhulp Friesland als informanten ter zitting te horen wordt wederom afgewezen. Het hof acht zich, op basis van wat hierna wordt overwogen, voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen. Het horen van de door mr. Nijenhuis verzochte informanten acht het hof dan ook rechtens relevant noch noodzakelijk.

De machtiging tot uithuisplaatsing

11.

Een machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verleend indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarigen.

12.

Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken van gronden die een uithuisplaatsing van de minderjarigen noodzakelijk maken. Voldoende aannemelijk is geworden dat de moeder op dit moment niet in staat is de minderjarigen een opvoedingsklimaat te bieden waarin de continuïteit van en de veiligheid in hun dagelijkse verzorging en opvoeding voldoende zijn gewaarborgd.

In het bijzonder uit de informatie van het gastouderbureau, de verslagen van de spoedeisende hulp en de verhalen van de kinderen zelf, zoals deze uit het dossier naar voren komen, ontstaat het beeld dat zowel de emotionele als materiële en fysieke verzorging van de kinderen te wensen overlaat. Dit alles speelt tegen de achtergrond van de huidige aanhoudende (echtscheidings-)strijd tussen de ouders waarvan de kinderen de inzet lijken te zijn.

13.

Een en ander is geëscaleerd op 9 maart jl. De kinderen zijn toen opgevangen in een zogeheten nacht-en-ontij-gezin, omdat beide ouders niet in staat waren om voor hen te zorgen. De moeder moest werken en de vader was ziek (overspannen). De ouders bleken niet in staat om in onderling overleg een oplossing te vinden voor dit probleem. De kinderen zijn de avond van 9 maart jl. door beide ouders aan hun lot overgelaten. De moeder is gaan werken en de vader was niet beschikbaar en/of bereikbaar. Het incident van 9 maart jl. is de directe aanleiding voor de door BJZ verzochte machtiging tot spoeduithuisplaatsing van de kinderen geweest. Het hof ziet in de handelwijze van beide ouders op die bewuste dag een duidelijke aanwijzing dat zij hun verantwoordelijkheid voor deze kinderen niet aankunnen of zelfs ontlopen. Volledigheidshalve merkt het hof op dat dit incident - dat door de moeder geheel anders wordt geïnterpreteerd dan door BJZ - bepaald niet de enige reden is waarom uithuisplaatsing van de kinderen onvermijdelijk is.

14.

[minderjarige 1] enerzijds en de tweeling anderzijds wonen sinds 12 maart jl. in twee

verschillende crisispleeggezinnen. Op basis van het door de kinderen in deze gezinnen vertoonde gedrag alsmede de bevindingen van de kinderarts naar aanleiding van 'top-teen onderzoeken' zijn de reeds over hen bestaande zorgen, die op 13 februari 2013 tot de kinderbeschermingsmaatregel van ondertoezichtstelling hebben geleid, verder gegroeid. Zo vertonen zij kenmerken van hechtings-problematiek en is bij [minderjarige 1] sprake van veel cariës en kiespijn. Gaandeweg blijkt steeds meer dat [minderjarige 1],[minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan alle kanten tekort zijn gekomen qua (op)voeding en basisveiligheid in de thuissituatie.

Daar komt bij dat in een letselrapportage d.d. 7 maart 2013 ten behoeve van

justitie en AMK, opgemaakt door een forensisch arts van GGD Fryslân naar

aanleiding van bij [minderjarige 3] op het lichaam geconstateerde blauwe plekken,

geconcludeerd wordt dat het totaalbeeld van de op verschillende plekken op het

lichaam van [minderjarige 3] aanwezige letsels niet kan worden verklaard door

accidenteel geweld maar beter past bij toegebracht letsel door bijvoorbeeld slaan,

stompen of knijpen. Hetgeen de moeder eerst ter zitting van het hof naar voren

heeft gebracht aangaande een bij haar aanwezige erfelijke bloedziekte doet - wat

daar verder ook van zij - in dit stadium aan de zorgelijkheid van deze constatering

niet af.

15.

Duidelijk is geworden dat de vader thans geen zorg kan en wenst te dragen voor de kinderen en van mening is dat de uithuisplaatsing moet worden gecontinueerd. Voorts bestaat thans onvoldoende zicht op de wijze waarop de moeder in pedagogische, affectieve en materiële zin voor de kinderen kan zorgen. De moeder geeft (ook ter zitting) de indruk overspannen te zijn. Haar draagkracht is, evenals die van de vader, beperkt. Beide ouders laten eigen overwegingen prevaleren en geven de indruk niet in staat te zijn tot kindgericht denken. De moeder toont bovendien - zoals ook ter zitting is gebleken - op dit moment onvoldoende probleembesef.

16.

Al met al zijn er te veel zorgelijke signalen over [minderjarige 1],[minderjarige 2] en [minderjarige 3] om hen terug te plaatsen bij de moeder voordat uitgezocht is wat deze kinderen nodig hebben en of de moeder hen dit kan bieden in de thuissituatie. Het feit dat de kinderen thans elders verblijven garandeert op dit moment zorg, veiligheid, rust en regelmaat voor hen. Dat is voor deze toch al kwetsbare kinderen thans een belang van de eerste orde.

Artikel 34 lid 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

17.

Mr. Nijenhuis heeft ter zitting opgemerkt dat ingevolge artikel 34 lid 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg eerst overleg met de raad had moeten plaatsvinden alvorens BJZ de indicatiebesluiten had kunnen nemen.

18.

Dit standpunt is niet juist. Bedoeld artikellid heeft betrekking op gevallen waarin de raad (of het openbaar ministerie, maar dat is in dit geval niet aan de orde) de instantie is die de rechter verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. In het onderhavige geval is het initiatief tot het verzoek echter van BJZ uitgegaan.

Artikel 810a lid 2 Rv

19.

Mr. Nijenhuis heeft ter zitting (subsidiair) verzocht de heer[S] van Zo Zorgoplossingen als deskundige een onderzoek te laten verrichten naar de noodzaak tot uithuisplaatsing.

20.

Op grond van artikel 810a lid 2 Rv benoemt de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

21.

In dit geval zal naar het oordeel van het hof, gelet op de hierboven omschreven eigen bevindingen van het hof, een onderzoek door een deskundige niet tot een ander oordeel leiden. Daarnaast zal een nieuw onderzoek door een deskundige de kinderen zodanig belasten dat geoordeeld moet worden dat hun belang zich tegen inwilliging van het verzoek verzet.

Slotsom

22.

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat de beschikking waarvan beroep bekrachtigd dient te worden.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, M.P. den Hollander en S. Rezel, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 juni 2013 in het bijzijn van de griffier.