Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:4609

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-04-2013
Datum publicatie
01-07-2013
Zaaknummer
200.108.292
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding, vaststelling omvang en waarde van de tussen partijen te verdelen en te verrekenen vermogensbestanddelen; toepassing Turks (huwelijksvermogens)recht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.108.292

(zaaknummer rechtbank Zutphen 122490)

beschikking van de familiekamer van 4 april 2013

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. G. Öntaş te Amsterdam,

en

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F.J. Bosma te Apeldoorn.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Zutphen van 25 mei 2011 en 16 maart 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift, ingekomen op 15 juni 2012;

  • -

    het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 5 september 2012;

  • -

    het verweerschrift tegen het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 3 december 2012;

  • -

    een brief van mr. Öntaş van 31 januari 2013 met bijlagen, ingekomen op 1 februari 2013.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 14 februari 2013 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De man is voorts bijgestaan door een tolk, de heer S. Boskan.

2.3

Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.

3. De motivering van de beslissing in het principaal en in het incidenteel hoger beroep

3.1

Partijen zijn op[datum] 1989 te [plaats], Turkije, met elkaar gehuwd. Ten tijde van de huwelijkssluiting hadden beide partijen de Turkse nationaliteit.

3.2

Het huwelijk van partijen is op [datum] 2011 ontbonden door inschrijving van de beschikking echtscheiding van de rechtbank Zutphen van 25 mei 2011 in de registers van de burgerlijke stand.

3.3

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 16 maart 2012 met inachtneming van Turks recht de omvang en de waarde van de tussen partijen te verdelen en te verrekenen vermogensbestanddelen vastgesteld. In dit hoger beroep is thans tussen partijen nog in geschil:

  • -

    a) de waardering van de gemeenschappelijke voormalige echtelijke woning van partijen, gelegen aan de [adres] te Apeldoorn (grief 1 in het principaal hoger beroep);

  • -

    b) de vergoedingsplicht van de man aan de vrouw van € 17.000,- wegens de door de man ontvangen ontbindingsvergoeding (grief 2 in het principaal hoger beroep);

  • -

    c) de verdeling bij helfte van het saldo op het SNS-rekeningnummer [rekeningnummer 1] (grief 3 in het principaal hoger beroep) en van de saldi op de gezamenlijke (inmiddels door de man opgeheven) Turkse bankrekeningen met nummers[rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] (grief A in het incidenteel hoger beroep);

  • -

    d) de waardering en de verrekening van de inhoud van de kluis van de vrouw bij de SNS-bank (grief 4 in het principaal hoger beroep);

  • -

    e) de waardering en de verdeling van de inboedel (grief 5 in het principaal hoger beroep);

  • -

    f) de verrekening van diverse schulden van de man (grief 6 in het principaal hoger beroep);

  • -

    g) de waardering en verrekening van de woning en de bakkerij in Turkije (grief B in het incidenteel hoger beroep).

3.4

Tussen partijen is niet in geschil dat Turks recht van toepassing is. Bij echtscheiding vindt krachtens het huidige Turks Burgerlijk Wetboek (hierna: TBW) een financiële afrekening plaats van hetgeen tijdens het huwelijk door de echtgenoten is verworven. Iedere echtgenoot is rechthebbende op de helft van de aan de andere echtgenoot toebehorende nettowaarde van diens verwervingen (artikel 236 TBW), vorderingen worden onderling verrekend. In artikel 231 TBW is bepaald dat de nettowaarde de waarde is die overblijft nadat de totale waarde van de verwervingen van elk der echtgenoten met de op deze goederen rustende schulden is verminderd.

3.5

Het hof overweegt als volgt ten aanzien van de tussen partijen nog bestaande geschilpunten.

Ten aanzien van de waarde van de woning te [woonplaats] (grief 1 in het principaal hoger beroep)

3.6

Het hof stelt voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 225 TBW als peildatum voor het bepalen van de omvang van de verwervingen te gelden heeft het tijdstip van beëindiging van het huwelijksgoederenregiem, te weten het tijdstip waarop de rechtszaak tot beëindiging van het huwelijk wegens echtscheiding is aangevangen. In de onderhavige zaak is het inleidend verzoekschrift tot echtscheiding op 14 oktober 2010 bij de griffie van de rechtbank Zutphen ingekomen. De vermogensbestanddelen die op dat moment tot de verwervingen van partijen behoorden, moeten op grond van artikel 235 TBW worden gewaardeerd op het tijdstip van vereffening, dus op de waarde ten tijde van de feitelijke verdeling.

3.7

Tussen partijen is niet in geschil dat hun voormalige echtelijke woning te[woonplaats] gemeenschappelijk eigendom is, dat de vrouw die woning toegedeeld wil krijgen en de hypothecaire lening op zich zal nemen en dat de overwaarde van die woning bij helfte tussen partijen verdeeld zal worden.

3.8

De man stelt zich op het standpunt dat de woning meer waard is dan de door de rechtbank op grond van het door de vrouw overgelegde taxatierapport van Mensink & Sijtsma Makelaars van 7 juni 2011 vastgestelde waarde van € 150.000,-. Volgens de man is dat taxatierapport niet betrouwbaar en daardoor niet bruikbaar. Hij voert hiertoe aan dat hij al in 2010 aan de vrouw namen van drie verschillende makelaars heeft doorgegeven voor taxatie van de woning, maar dat de vrouw vervolgens een andere makelaar de taxatie heeft laten verrichten. In die taxatie is ten onrechte geen rekening gehouden met de vele verbeteringen aan de woning. Nu de woning bij het vertrek van de man zeker € 195.000,- waard was, kleinere woningen in de buurt momenteel voor € 168.000,- te koop worden aangeboden, is het volgens de man redelijk om de woning te waarderen op € 175.000,-, mede gebaseerd op de WOZ-taxatie van 2010 en met inachtneming van zijn investeringen in de woning.

3.9

Naar het oordeel van het hof heeft de man zijn stelling dat de waarde van de woning hoger is dan de destijds door de makelaar van de vrouw getaxeerde waarde van € 150.000,-, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, onvoldoende onderbouwd. Ondanks de medewerking van de vrouw aan een nieuwe taxatie door een makelaar van de man, heeft de man om hem moverende redenen geen taxatierapport of ander (bewijs)stuk in de procedure gebracht waaruit een hogere waarde van de woning zou kunnen blijken. Op grond van het vorenstaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat uitgegaan moet worden van de waarde van de woning van € 150.000,-. De overwaarde van de woning dient bij helfte tussen partijen te worden verdeeld. Grief 1 van de man in het principaal hoger beroep faalt.

Ten aanzien van de ontbindingsvergoeding van de man (grief 2 in het principaal hoger beroep)

3.10

Het hof is met de vrouw en de rechtbank van oordeel dat de door de man eind december 2009 ontvangen ontbindingsvergoeding van zijn voormalige werkgever, Nemef, onder de 'verwervingen' valt zoals is bedoeld in artikel 219 TBW en niet op grond van artikel 220 TBW behoort tot het persoonlijk vermogen van de man, zoals hij stelt. In artikel

219 TBW is geen uitputtende opsomming gegeven van hetgeen onder de verwervingen valt, terwijl in artikel 220 TBW sprake is van een limitatieve opsomming van hetgeen tot het persoonlijk vermogen behoort. Gelet op de aard van een ontbindingsvergoeding, waarbij mogelijke financiële consequenties van het verliezen van arbeid voor de nabije toekomst deels worden gecompenseerd, moet deze vergoeding naar het oordeel van het hof dan ook tot de verwervingen als bedoeld in artikel 219 TBW worden gerekend. Het hof verwijst naar de motivering op bladzijde vier van de bestreden beschikking en maakt deze tot de zijne.

3.11

Aan de vrouw komt op grond van artikel 236 TBW de helft toe van de door de man ontvangen ontbindingsvergoeding. Als onbetwist staat vast dat de man eind december 2009 een bedrag van € 71.946,16 bruto, zijnde € 34.000,- netto, als ontbindingsvergoeding van Nemef heeft ontvangen. De man heeft gesteld, en dit ter mondelinge behandeling in hoger beroep toegelicht, dat hij over het bedrag van € 34.000,- nog extra 6% heeft moeten afdragen aan de belastingdienst. Nu de vrouw deze stelling van de man niet heeft weersproken, gaat het hof uit van deze extra belastingbetaling van 6% van de man over € 34.000,-, te weten van € 2.040,-, zodat het hof in beginsel rekening houdt met een door de man ontvangen ontbindingsvergoeding van € 31.960,-.

3.12

De man heeft voorts gesteld dat hij dat gehele bedrag heeft gebruikt voor aflossing op huwelijkse schulden van partijen, ook in Turkije, onder meer ten behoeve van verbeteringen aan de echtelijke woning en de kosten van de huishouding. Rekening houdend met deze aflossingen op de gezamenlijke schulden op grond van artikel 231 TBW, resteert er geen geld meer van de ontbindingsvergoeding, aldus de man. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat voor zover de door de man genoemde schulden al bestonden en deze feitelijk door hem zijn afgelost, hetgeen de vrouw gemotiveerd heeft betwist, de man zijn stelling dat hij die schulden ten behoeve van de verwervingen is aangegaan niet heeft onderbouwd. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de door de man genoemde schulden behoren tot zijn persoonlijk vermogen. Deze schulden zullen niet bij de eindafrekening worden betrokken.

3.13

Op grond van het vorenstaande houdt het hof rekening met een bedrag aan verwervingen van € 31.960,- terzake de ontbindingsvergoeding van de man. Op grond van artikel 236 TBW komt de vrouw het recht toe op de helft van dat bedrag, te weten

€ 15.980,-. In zoverre slaagt grief 2 van de man in het principaal hoger beroep. Deze grief faalt voor het overige.

Ten aanzien van de SNS-rekening en de Turkse bankrekeningen (grief 3 in het principaal hoger beroep en grief A in het incidenteel hoger beroep)

3.14

De man betwist dat partijen tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank Zutphen op 1 december 2011 overeenstemming hebben bereikt dat het (negatieve) saldo van de SNS-rekening op zijn naam met nummer [rekeningnummer 1] op de datum van vereffening bij helfte moet worden verdeeld. Zijn toelichting tijdens die mondelinge behandeling dat de roodstand op die rekening door zijn toedoen is ontstaan, is door de rechtbank niet goed begrepen. Door nalatigheid van de vrouw was de man destijds genoodzaakt om van die rekening de achterstallige woonlasten te betalen, terwijl afgesproken was dat de vrouw die lasten voor haar rekening zou nemen. Het op de datum van vereffening aanwezige (negatieve) saldo dient dan ook volledig aan de vrouw te worden toegedeeld, aldus de man. De vrouw betwist dit gemotiveerd.

3.15

Naar het oordeel van het hof heeft de man geen enkele verklaring gegeven waarom hetgeen in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 december 2011 en in de bestreden beschikking over de tussen partijen bereikte overeenstemming ter zitting met betrekking tot de SNS-rekening is opgenomen, hetgeen ook door de vrouw wordt bevestigd, niet juist zou zijn. Gelet hierop dient het saldo van die rekening op de datum van vereffening bij helfte tussen partijen te worden verdeeld. Grief 3 van de man in het principaal hoger beroep faalt.

3.16

Ter mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt dat de saldi van de twee Turkse bankrekeningen met de nummers [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3], te weten € 28.239,- en $ 11.695,-, bij helfte tussen hen zullen worden verdeeld. Nu de man de gezamenlijke Turkse bankrekeningen heeft opgeheven en genoemde bedragen naar zijn eigen bankrekeningen heeft overgemaakt, dient de man de helft aan de vrouw te betalen, althans met haar te verrekenen, te weten € 14.119,60 en $ 5.847,50. Grief A van de vrouw in het incidenteel hoger beroep slaagt in zoverre.

Ten aanzien van de kluis bij de SNS bank (grief 4 in het principaal hoger beroep)

3.17

Naar het oordeel van het hof heeft de man zijn stelling dat de vrouw een kluis met inhoud (onder meer met goud) heeft bij de SNS bank, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat grief 4 van de man in het principaal hoger beroep faalt.

Ten aanzien van de inboedel (grief 5 in het principaal hoger beroep)

3.18

De vrouw betwist gemotiveerd dat de man minder dan de helft van de inboedel uit de voormalige echtelijke woning heeft meegenomen en verwijst ter onderbouwing hiervan naar een door haar opgesteld overzicht van de door de man meegenomen inboedelgoederen. Nu de man zijn stelling dat hij minder dan de helft van de inboedel heeft meegenomen tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw niet nader heeft onderbouwd, zal het hof, evenals de rechtbank, bepalen dat ieder het deel van de inboedel dat hij of zij onder zich heeft, toegedeeld krijgt zonder nadere verrekening. Grief 5 van de man in het principaal hoger beroep faalt dan ook.

Ten aanzien van de schulden van de man (grief 6 in het principaal hoger beroep)

3.19

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 3.12 is overwogen over de schulden van de man, faalt ook deze grief, nu de man niet heeft onderbouwd dat tegenover de door hem genoemde schulden verwervingen stonden. Deze schulden worden aan het persoonlijk vermogen van de man toegerekend en blijven buiten de verrekening.

Ten aanzien van de woning en de bakkerij in Turkije (grief B in het incidenteel hoger beroep)

3.20

De vrouw stelt dat partijen op 9 november 1995 van hun doorlopend krediet een bedrag van € 15.000,- hebben opgenomen en dat dit bedrag door hen samen in de toenmalige woning van de man in Turkije is geïnvesteerd. Volgens oud Turks recht heeft de vrouw in beginsel recht op compensatie voor deze financiële bijdrage in de toenmalige woning van de man en zijn bakkerij in Turkije, aldus de vrouw. De man betwist gemotiveerd dat de waarde van genoemde onroerende zaken in de verdeling moet worden betrokken. De bakkerij en de woning in Turkije zijn inmiddels verkocht.

3.21

Het hof stelt eerst vast dat uit het overgelegde bankafschrift van de SNS-bank van

9 november 1995 blijkt dat partijen vóór 9 november 1995 uit een doorlopend krediet een bedrag (of meerdere bedragen tot in totaal) fl. 15.000,- hebben opgenomen en niet

€ 15.000,-. Uit de verklaringen van partijen ter mondelinge behandeling is het hof gebleken dat de man deze gezamenlijke lening van partijen in 1998 heeft afgelost. Nu de vrouw niet heeft onderbouwd dat zij met haar eigen geld heeft geïnvesteerd in zowel de toenmalige woning van de man in Turkije alsmede in de bakkerij aldaar, zal niet de waarde van die onroerende zaken die vóór de wijziging van het Turks huwelijksvermogensrecht door de man zijn verkregen, in de berekening worden betrokken. De enkele stelling van de vrouw ter mondelinge behandeling dat partijen onderling hadden afgesproken dat de man de schulden afbetaalde en de vrouw de huishoudelijke kosten voor haar rekening nam, zodat zij indirect heeft meebetaald aan de aflossing van de lening, is, gelet op de betwisting hiervan door de man, onvoldoende om anders ter oordelen. Op grond hiervan faalt grief B van de vrouw in het incidenteel hoger beroep.

4 De slotsom

4.1

Het hof zal voor de duidelijkheid hieronder uiteenzetten waartoe de beslissingen leiden, in samenhang gelezen met de niet bestreden onderdelen van de eindbeschikking van 16 maart 2012:

1) De vrouw dient aan de man te betalen:

- € 28.825,25 ter zake van de overwaarde van de aan haar toegedeelde voormalige echtelijke woning te [woonplaats].

De man dient aan de vrouw te betalen:

  • -

    vanwege de ontbindingsvergoeding,

  • -

    vanwege de waarde van de scooter, en

  • -

    en $ 5.847,50, zijnde de helft van de waarde van de (voormalige) gezamenlijke Turkse bankrekeningen van partijen met nummers [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3]

Dit is in totaal: € 30.349,50 en $ 5.847,50;

Per saldo dient de man aan de vrouw wegens overbedeling te betalen € 1.524,25 en

$ 5.847,50;

2) Het saldo van de SNS rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] dient bij helfte tussen partijen te worden verdeeld;

3) Aan ieder der partijen wordt dat deel van de inboedel toegedeeld dat die partij feitelijk onder zich heeft;

4) De proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd.

4.2

De grieven van de man in het principaal hoger beroep slagen deels; de grieven van de vrouw in het incidenteel hoger beroep slagen eveneens deels, zodat het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk zal vernietigen en zal beslissen als volgt en deze beschikking voor het overige zal bekrachtigen.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zutphen van 16 maart 2012 voor zover daarin is beslist dat (het hof begrijpt:) de vrouw aan de man een bedrag van € 11.575,25 dient te betalen en de man aan de vrouw de helft van de saldi van de gezamenlijke Turkse bankrekeningen met de nummers[rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] dient te betalen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw wegens overbedeling dient te betalen een bedrag van

€ 1.524,25 en $ 5.847,50;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.H.A. Moes, A. Smeeïng-van Hees en

H.L. van der Beek, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier, en is op 4 april 2013 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.