Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:4552

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
11-07-2013
Zaaknummer
CD 200.127.048-01 25-6-2013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding betreffende de uitvoering van een kavelaanvaardingswerk in het kader van een landinrichting op grond van de Wilg. Meer in het bijzonder gaat het om de aanleg van een duiker voor het perceel van appellanten. de uitvoeringscommissie heeft uit vier varianten de voor alle partijen minst bezwarende oplossing gekozen. Ruime beoordelingsmarge voor de commissie. Appellanten hebben op grond van de Wilg de werkzaamheden te dulden. Appellanten hebben enige schade aan de wortels van de bomen op hun erf te aanvaarden. Beroep op verjaring faalt, omdat de toedeling bij de akte van toedeling in het kader van de landinrichting een originaire wijze van eigendomsverkrijging is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.127.048/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/137024 / KG ZA 13-82)

arrest in kort geding van de tweede kamer van 25 juni 2013

in de zaak van

1 [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

hierna: [appellant 1],

2. [appellante 2],

wonende te [woonplaats],

hierna: [appellante 2],

3. [appellante 3],

wonende te [woonplaats],

hierna: [appellante 3],

4. [appellant 4],

wonende te [woonplaats],

hierna: [appellant 4],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. M. Wullink, kantoorhoudend te Hengelo, die ook heeft gepleit,

tegen

Provincie Overijssel,

gevestigd te Zwolle,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: De Provincie,

advocaat: mr. J.J.M. Pinners, kantoorhoudend te Zwolle, die ook heeft gepleit.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 26 april 2013 van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep d.d. 8 mei 2013, met grieven en producties,

  • -

    een memorie van eis van 21 mei 2013,

  • -

    de memorie van antwoord van 28 mei 2013, met producties,

  • -

    het gehouden pleidooi waarbij pleitnotities zijn overgelegd en waarbij [appellanten] en de Provincie tevens de op voorhand op 28 mei en 29 mei 2013 toegezonden akten, houdende overlegging producties hebben genomen.

2.2

Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellanten] luidt:

"te vernietigen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, d.d. 26 april 2013 onder zaaknummer C/08/137024 KG ZA 13-82 zoals gewezen tussen appellanten als eisers en geïntimeerde als gedaagde, appellanten akte te verlenen van hun eiswijziging in hoger beroep en opnieuw rechtdoende, zonodig onder aanvulling of verbetering van gronden bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair

De Uitvoeringscommissie bij wege van voorlopige voorziening te verbieden om uitvoering te geven aan de afwateringsvarianten 4 en 5 als genoemd in deze dagvaarding voor de afwatering van het perceel [adres 1]zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 (zegge: éénduizend euro) per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat de Uitvoeringscommissie in gebreke blijft te voldoen aan het gevorderde verbod met een maximum van € 50.000,00 (zegge vijftigduizend euro), althans een door uw gerechtshof in goede justitie te bepalen dwangsom.

subsidiair

De Uitvoeringscommissie bij wege van voorlopige voorziening te verbieden werkzaamheden op of om of aan het perceel [adres 2] te verrichten, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 (zegge: éénduizend euro) per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat de Uitvoeringscommissie in gebreke blijft te voldoen aan het gevorderde verbod met een maximum van € 50.000,- (zegge: vijftigduizend euro), althans een door uw gerechtshof in goede justitie te bepalen dwangsom.

II . De Uitvoeringscommissie te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellanten] te voldoen de buitengerechtelijke kosten die worden begroot op twee punten van het toepasselijk liquidatietarief, zijnde in totaal € 904,00 (zegge: negenhonderdvier euro).

III. De Uitvoeringscommissie te veroordelen om aan eisers terug te betalen hetgeen [appellanten] aan de Uitvoeringscommissie voldaan heeft op grond van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 26 april 2013, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van betaling door [appellanten] tot aan de dag der algehele voldoening.

IV. De Uitvoeringscommissie te veroordelen om, indien deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van de aanschrijving tot vrijwillige voldoening aan het te dezen te wijzen arrest heeft voldaan, aan eisers te voldoen aan nakosten € 131,- zonder betekening van dit arrest, te verhogen met € 68,- ingeval dit arrest wel is betekend aan de Uitvoeringscommissie;

V. alles met veroordeling van de Uitvoeringscommissie in de proceskosten in beide instanties, te begroten volgens het gebruikelijke tarief, althans compensatie van kosten."

3 Beoordeling

Vaststaande feiten

3.1.

Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.

3.2.

[appellanten] hebben in 2002 het perceel [adres 2] te [woonplaats] in eigendom verworven en de op dit perceel gelegen boerderij verbouwd tot woonboerderij.

3.3.

Op het perceel [adres 1]is het landbouwbedrijf van de maatschap
[de maatschap] gevestigd.

3.4.

Gedeputeerde Staten van de Provincie (verder te noemen: GS) hebben in 1998 in het kader van de wettelijke herverkaveling voor het deelgebied [X] een landinrichtingsplan vastgesteld. Op deze landinrichting is thans de Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) van toepassing.

3.5.

GS hebben voor het deelgebied [X] met toepassing van artikel 2 van de Wilg in samenhang met artikel 81, lid 1 van de Provinciewet de Uitvoeringscommissie Inrichting Landelijk Gebied (verder: de Uitvoeringscommissie) ingesteld en hun wettelijke bevoegdheden op grond van de Wilg gedelegeerd aan deze commissie.

3.6.

De Uitvoeringscommissie heeft een ruilplan opgesteld dat op 7 december 2012 is geëffectueerd door de inschrijving van de notariële akte van toedeling in de openbare registers van het Kadaster.

3.7.

Onderdeel van de landinrichting vormt het verleggen van een deel van de loop van de [de beek] in de nabijheid van de [straat]. De gemeente [A] (verder: de Gemeente) heeft de nieuwe loop van de [de beek] ook vastgelegd in het bestemmingsplan. Als gevolg van deze ingreep zullen enkele aan de maatschap
[de maatschap] toegedeelde percelen ten noorden van de [straat] niet meer rechtstreeks op deze beek kunnen afwateren. De Uitvoeringscommissie heeft tot taak in de vorm van een kavelaanvaardingswerk de ontwatering van deze percelen zodanig uit te voeren dat een gelijke mate van drooglegging wordt gewaarborgd als in de inbrengsituatie.

3.8.

De Uitvoeringscommissie heeft daartoe een viertal mogelijkheden onderzocht, nadat zij in een eerder stadium al de mogelijkheid om de percelen via een noordelijke watergang (door de Provincie naderhand aangeduid als variant 0) als ongeschikt van de hand had gewezen.

Variant 1 voorziet in een afwatering naar de verlegde [de beek] door middel van onder andere een buis door een ten zuiden van de [straat] gelegen perceel van de maatschap [de maatschap].

Variant 2 gaat uit van afvoer van het overtollige water door een bermsloot aan de zuidkant van de [straat].

In variant 3 vindt de afwatering plaats via een op de grond van de maatschap
[de maatschap] te verdiepen bermsloot aan de noordzijde van de [straat], die ter hoogte van het perceel van [appellanten] om dat perceel wordt gelegd.

Bij variant 4 wordt de bermsloot aan de noordzijde van de [straat] eveneens verdiept, maar wordt ter hoogte van het perceel van [appellanten] parallel aan de [straat] een duiker aangelegd.

3.9.

De Uitvoeringscommissie heeft gekozen voor uitvoering van variant 4 en een aannemer opdracht gegeven de noodzakelijke werkzaamheden uit te voeren. De aannemer heeft inmiddels aan weerszijden van het perceel van [appellanten] de bermsloot aan de noordzijde van de [straat] verdiept.

3.10.

De Gemeente is eigenares van de berm tussen de [straat] en het perceel van [appellanten] en heeft de Uitvoeringscommissie toestemming gegeven tot de aanleg van een duiker in haar grond.

3.11.

Ter hoogte van de woonboerderij van [appellanten] sluit hun perceel direct aan op de berm en ter plaatse van de schuur naast de woonboerderij wordt hun perceel van de berm gescheiden door een bermslootje. Ter afscheiding van hun perceel hebben [appellanten] voor de woonboerderij en de bijbehorende inrit een sierhek geplaatst en voor de woonboerderij tevens een beukenhaag geplant.

Het geschil in eerste aanleg

3.12.

[appellanten] hebben in eerste aanleg gevorderd de Uitvoeringscommissie op straffe van een dwangsom te gebieden onmiddellijk na het wijzen van het vonnis alle informatie met betrekking tot de verschillende alternatieven voor de afwatering van het perceel [adres 1] aan hen ter beschikking te stellen. Daarnaast hebben zij gevorderd, eveneens op straffe van een dwangsom, de Uitvoeringscommissie te gebieden onmiddellijk na het wijzen van het vonnis alle activiteiten ter realisering van de afwatering van het perceel [adres 1]langs de [straat] in de richting van [adres 2] te staken en deze tot twee maanden na volledige aanlevering van de hiervoor bedoelde informatie gestaakt te houden.

3.13.

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis van 26 april 2013 de vorderingen van [appellanten] afgewezen en hen veroordeeld in de kosten van de procedure.

Wijziging van eis

3.14.

[appellanten] hebben in hoger beroep hun eis gewijzigd. De Provincie heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Ter zake van de vordering van [appellanten] zal derhalve recht worden gedaan op de gewijzigde eis.

Spoedeisend belang

3.15.

Tussen partijen is niet in geding dat [appellanten] een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening hebben, nu de Uitvoeringscommissie zover met de voorgenomen werkzaamheden is gevorderd dat zij op zeer korte termijn de duiker voor het perceel van [appellanten] wil aanleggen.

De grieven

3.16.

Het hof stelt voorop dat het ter wille van de duidelijkheid bij de bespreking van de verschillende varianten van het onderhavige kavelaanvaardingswerk de in eerste aanleg gehanteerde nummering zal hanteren, zoals die ook blijkt uit de weergave van de feiten hiervoor onder rechtsoverweging 3.8.

3.17.

Met grief 1 komen [appellanten] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de vordering om alle informatie met betrekking tot de verschillende varianten te verschaffen moet worden afgewezen, omdat deze vordering te onbepaald is (rechtsoverweging 4.2.). Volgens hen was het duidelijk dat het ging om alle informatie die de Uitvoeringscommissie ter beschikking stond over deze varianten. Aangezien zij door de Uitvoeringscommissie op geen enkele wijze waren geïnformeerd, waren zij niet in staat om hun vordering nader te concretiseren.

3.18.

[appellanten], die in hoger beroep hun vordering tot het verstrekken van informatie hebben laten vallen, hebben bij pleidooi naar voren gebracht dat hun belang bij beoordeling van deze grief is gelegen in ongedaanmaking van de door de voorzieningenrechter ten laste van hen uitgesproken proceskostenveroordeling. Het hof zal derhalve nader op deze grief ingaan.

3.19.

Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat een veroordeling tot het verstrekken van alle informatie te onbepaald en niet voor executie vatbaar is, althans bij executie een groot risico op executiegeschillen in zich bergt. Met name ook het door [appellanten] genoemde artikel 843a Rv, waarop zij overigens geen beroep hebben gedaan, kent geen ongeclausuleerde exhibitieplicht. Bovendien hebben [appellanten] zichzelf de mogelijkheid onthouden hun vordering nader invulling te geven door, ondanks de toezegging van de Provincie in afwachting van de zitting de werkzaamheden te staken, niet in te stemmen met het verzoek van de Provincie om uitstel van de zitting in eerste aanleg. Wanneer zij wel hadden meegewerkt aan uitstel hadden zij – kenbaar – tijdig voor de zitting de beschikking gehad over verschillende relevante stukken en zonodig nog hun vordering daarop kunnen aanpassen.

3.20.

De grief slaagt niet.

3.21.

In de aanhef van grief 7 hebben [appellanten] gesteld dat zij de in het vonnis van 26 april 2013 door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten betwisten voor zover de voorzieningenrechter de in de pleitnota van de Uitvoeringscommissie ter gelegenheid van de zitting van 17 april 2013 naar voren gebrachte feiten als vaststaand heeft aangenomen.

3.22.

Het hof leest in dat verband in de toelichting onder punt 88 een grief tegen de vaststelling in rechtsoverweging 2.2. van het bestreden vonnis dat het perceel van [appellanten] is gelegen in het herverkavelingsblok [X]. [appellanten] hebben een en ander verder uitgewerkt in punt 64 en volgende van hun pleitnota.

Op grond van de door de Provincie overgelegde kaart (productie 13 bij memorie van antwoord) en de bespreking daarvan ter zitting moet evenwel worden geoordeeld dat het perceel van [appellanten] is gelegen in het deelgebied [X] en ook onderdeel vormt van die landinrichting. Dat betekent dat de bepalingen van de Wilg van toepassing zijn op het perceel van [appellanten] met inbegrip van de bepalingen omtrent de uitvoering van (kavelaanvaardings)werken.

3.23.

Grief 7 slaagt in zoverre niet.

3.24.

Uit de toelichting op grief 7 blijkt verder dat de bezwaren van [appellanten] zich niet zozeer richten tegen de door de voorzieningenrechter onder de kop "2. De feiten" vastgestelde feiten, als wel tegen de keuze van de Uitvoeringscommissie voor variant 4 en hetgeen de voorzieningenrechter daaromtrent heeft overwogen onder de kop "4. De beoordeling". Deze bezwaren zullen, voor zover nodig, hierna bij de bespreking van de grieven 2 tot en met 6 aan de orde komen.

3.25.

[appellanten] stellen met de grieven 2 tot en met 6 en met grief 7 voor het overige het geschil in volle omvang aan de orde. Zij hebben aangevoerd, zoals nader toegelicht bij pleidooi, dat de Uitvoeringscommissie met haar keuze voor variant 4 ten opzichte van hen onrechtmatig handelt als bedoeld in artikel 6:162 BW. De duiker zal ten dele op hun terrein komen te liggen; het sierhek, de beukenhaag, de leidingen, de inrit naar hun perceel en de wortels van de bomen op hun perceel in de nabijheid van de erfgrens zullen (mogelijk) worden beschadigd; en de afwatering van hun perceel is niet voldoende gewaarborgd, aldus [appellanten] Verder komt in hun ogen de verkeersveiligheid in het gedrang en beschikt de Uitvoeringscommissie niet over een watervergunning. Naar hun mening had de Uitvoeringscommissie moeten kiezen voor variant 1, omdat aan die keuze minder bezwaren zijn verbonden en al in het bestemmingsplan voor deze variant is gekozen. Volgens hen was de Uitvoeringscommissie daardoor niet meer bevoegd voor een andere variant te kiezen. Door te kiezen voor variant 4 heeft de Uitvoeringscommissie in de opvatting van [appellanten] tevens gehandeld in strijd met het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel. Daarnaast hebben zij nog gesteld dat de Uitvoeringscommissie hen te laat bij de besluitvorming heeft betrokken en hen onvoldoende, respectievelijk te laat de noodzakelijke informatie heeft verstrekt.

3.26.

Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken. Uitgangspunt voor de beoordeling van het thans voorliggende geschil vormt de keuze van de Uitvoeringscommissie voor variant 4 voor de detailontwatering van de percelen van de maatschap
[de maatschap]. Derhalve staat ter beoordeling of de Uitvoeringscommissie door de uitvoering van deze variant, in het licht van alle omstandigheden van het geval, onrechtmatig handelt tegenover [appellanten] Het hof tekent daarbij aan dat – kort gezegd – op grond van de hoofdregel van bewijsrecht neergelegd in artikel 150 Rv op [appellanten] de bewijslast rust van hun stelling dat de Uitvoeringscommissie onrechtmatig handelt.

3.27.

Het hof zal nu als eerste ingaan op de stelling dat de Uitvoeringscommissie niet meer bevoegd was te kiezen voor variant 4. [appellanten] hebben zich gebaseerd op een passage in de zienswijzennota behorende bij het bestemmingsplan, waarin de Gemeente naar aanleiding van een bezwaar van [Q] tegen verlegging van de [de beek] heeft gesteld dat voor de afwatering ter plekke wordt gekozen voor de aanleg van een duiker van circa 70 meter en 30 centimeter doorsnede. Dit betreft variant 1. Naar het oordeel van het hof kunnen [appellanten] aan de zienswijzennota echter geen rechten ontlenen, omdat een dergelijke nota juridisch niet bindend is. Daarnaast beslist in eerste instantie de Uitvoeringscommissie over de keuze voor een bepaalde uitvoering van een kavelaanvaardingswerk en niet de Gemeente. De Gemeente stelt slechts de planologische kaders. Het is als onweersproken vast komen te staan dat het bestemmingsplan geen belemmeringen inhoudt voor de uitvoering van variant 4, zodat het de Uitvoeringscommissie ook in planologisch opzicht vrijstond voor deze variant te kiezen.

3.28.

Het volgende punt van geschil dat het hof zal beoordelen is de vraag of de duiker gedeeltelijk op het perceel van [appellanten] zal worden aangelegd. [appellanten] hebben zich op het standpunt gesteld dat als gevolg van verkrijgende verjaring de grens tussen hun perceel en de berm wordt gevormd door het sierhek en niet door de kadastrale grens. De Provincie heeft die opvatting met verschillende argumenten bestreden.

3.29.

Het hof is met de Provincie van oordeel dat aan het beroep van [appellanten] op verkrijgende verjaring moet worden voorbijgegaan. Op 7 december 2012 is het ruilplan geëffectueerd door de inschrijving van de notariële akte van toedeling in de openbare registers van het Kadaster. In de akte van toedeling is vastgelegd wat elk van de belanghebbende eigenaren in het ruilpan toegedeeld heeft gekregen. Op dat moment zijn de kadastrale grenzen tussen de diverse percelen (opnieuw) vastgesteld. Het betreft een originaire wijze van eigendomsverkrijging. Voor zover [appellanten] al door verkrijgende verjaring een strook van de berm in eigendom hadden verkregen is die eigendom met het passeren van de akte van toedeling dan ook komen te vervallen. Desgewenst hadden [appellanten] hun belangen kunnen veilig stellen in de procedure die heeft geleid tot het vaststellen van hun inbreng, respectievelijk hun toedeling. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat het sierhek, althans het vanaf de weg gezien linkerdeel daarvan, op terrein van de Gemeente staat.

Op grond van een overgelegde tekening (productie 14 bij memorie van antwoord) en de daarop bij pleidooi gegeven toelichting moet verder worden vastgesteld dat de duiker geheel op gemeentegrond zal worden aangelegd. Toestemming van [appellanten] voor de aanleg van de duiker is daarom niet vereist.

3.30.

De Provincie heeft zowel in de memorie van antwoord als bij het pleidooi te kennen gegeven dat de afwatering van het perceel van [appellanten] gewaarborgd blijft, doordat het bermslootje ter hoogte van de schuur geen wijziging ondergaat en het slootje zal worden aangesloten op de nieuw gegraven watergang, dan wel door middel van een put op de aan te leggen duiker. De verantwoordelijkheid voor het onderhoud en het functioneren van de duiker komt bij de Gemeente te liggen. [appellanten] hebben onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de afwatering van hun perceel aldus niet is gegarandeerd.

3.31.

Voor zover het sierhek op grond van de Gemeente staat moet het worden verplaatst. De Provincie heeft een en andermaal aangegeven dat de aannemer in dat geval het hek op kosten van de Uitvoeringscommissie zal verwijderen en na uitvoering van de werkzaamheden weer terug zal plaatsen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de beukenhaag. Met betrekking tot de inrit en eventueel beschadigde leidingen heeft De Uitvoeringscommissie te kennen gegeven dat deze door de aannemer zullen worden hersteld. Ook ten aanzien van deze punten hebben [appellanten] niet voldoende gemotiveerd gesteld dat onrechtmatig handelen van de Uitvoeringscommissie dreigt.

3.32.

Op voorhand valt niet uit te sluiten dat bij het graven van een sleuf ten behoeve van de aanleg van de duiker wortels van de bomen op het perceel van [appellanten] beschadigd zullen worden. [appellanten] hebben echter op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat deze bomen die ingreep niet zullen overleven. Enige beperking in de groei kan evenmin op voorhand worden uitgesloten, maar dat acht het hof geen onaanvaardbare inbreuk op de rechten van [appellanten] Bovendien loopt de eigenaar van een boom nabij de erfgrens altijd het risico dat doorschietende wortels worden afgehakt, zoals volgt uit artikel 5:44 BW. Overigens heeft de Provincie bij het pleidooi medegedeeld dat de aannemer op dit moment onderzoekt of de duiker onder de wortellaag door kan worden geperst, zodat in het geheel geen schade optreedt.

3.33.

[appellanten] hebben hun stelling dat als gevolg van de uitvoering van variant 4 de verkeersveiligheid op de [straat] in het geding komt niet voldoende onderbouwd. Weliswaar wordt de bermsloot ter hoogte van de percelen van de maatschap [de maatschap] dieper, maar de berm langs de weg behoudt dezelfde breedte.

3.34.

Nu vaststaat dat het gaat om een kavelaanvaardingswerk en het perceel van [appellanten] onderdeel vormt van de landinrichting [X] hebben [appellanten] op grond van artikel 41 lid 1 Wilg te dulden dat de inrit voor de duur van de werkzaamheden wordt opgebroken en het sierhek en de beukenhaag tijdelijk worden verplaatst. Voor zover zij daar nadeel van ondervinden hebben zij op grond van artikel 41 lid 2 Wilg aanspraak op een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding. Ook na afronding van de landinrichting [X] en opheffing van de Uitvoeringscommissie kunnen zij zich daartoe wenden tot de Provincie.

3.35.

De stelling van [appellanten] dat de keuze van de Uitvoeringscommissie voor variant 4 in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel kan het hof niet onderschrijven. De Uitvoeringscommissie heeft – na verkenning van de diverse alternatieven – de verschillende varianten tegen elkaar afgewogen en is tot de slotsom gekomen dat variant 4 voor alle belanghebbenden de minst bezwarende is. Bij die afweging komt de Uitvoeringscommissie een ruime mate van beoordelingsvrijheid toe. Naar het oordeel van het hof heeft de Uitvoeringscommissie in de pleitnota's in eerste aanleg en in hoger beroep, alsmede in de memorie van antwoord haar keuze toereikend gemotiveerd. Het hof onderschrijft met name het standpunt van de Uitvoeringscommissie dat het feit dat bij de uitvoering van variant 1 een publieke watergang in de vorm van een duiker in privégrond wordt aangelegd een zwaarwegend argument is dat pleit tegen de keuze voor deze variant. Daarbij komt dat de (nadelige) gevolgen van de uitvoering van variant 4, zoals hiervoor is overwogen, voor [appellanten] zeer beperkt zijn. Van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM is dan ook geen sprake.

3.36.

Ter zake van het bezwaar van [appellanten] dat zij in een te laat stadium zijn betrokken bij de besluitvorming overweegt het hof dat dit bezwaar zonder grond is. De landinrichting [X] is een dynamisch proces, waarin enkele honderden werken binnen een beperkte tijd moeten worden uitgevoerd. De werkwijze van de Uitvoeringscommissie daarbij is dat telkens wanneer de uitvoering van een bepaald werk ter hand wordt genomen met belanghebbenden overleg wordt gevoerd. Bij de varianten 0, 1 en 2 waren [appellanten], anders dan de maatschap [de maatschap], geen belanghebbenden. De belangen van [appellanten] kwamen eerst in beeld nadat de varianten 3 en 4 als reële mogelijkheden in beeld waren gekomen, omdat beide varianten langs hun perceel lopen. De Uitvoeringscommissie heeft hen derhalve tijdig in het debat betrokken.

3.37.

Anders dan [appellanten] in hun pleitnota hebben betoogd is voor de in variant 4 te graven watergang geen watervergunning nodig, omdat bij gelegenheid van het pleidooi is komen vast te staan dat het geen watergang betreft waarvoor op grond van de keur van het Waterschap Regge en Dinkel een vergunningplicht geldt.

3.38.

Met betrekking tot de planning van de werkzaamheden en daarmee het belang van de Uitvoeringscommissie bij een uitvoering van de geplande werkzaamheden op korte termijn overweegt het hof dat de Uitvoeringscommissie haar belang voldoende aannemelijk heeft gemaakt in onderdeel 10 van de memorie van antwoord. Het onderhavige kavelaanvaardingswerk wordt uitgevoerd in het kader van de afronding van de landinrichting [X] en is één van in totaal enkele honderden kavelaanvaardingswerken die met het oog op de beschikbare budgetten dit jaar moeten worden voltooid.

3.39.

Al met al moet worden geoordeeld dat de grieven 2 tot en met 6 en grief 7 voor het overige niet slagen.

3.40.

Grief 8, die zich keert tegen de veroordeling in de proceskosten, heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom niet verder te worden besproken.

3.41.

Aangezien de grieven niet slagen zal de vordering van [appellanten] tot terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan de Provincie mochten hebben betaald reeds om die reden worden afgewezen, noch daargelaten dat zij volgens de Provincie tot op heden niets hebben betaald.

Slotsom

3.42.

Het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter van 26 april 2013 zal worden bekrachtigd.

[appellanten] zullen als de in het ongelijk te stellen partij hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep, die aan de zijde van de Provincie worden begroot op € 683,- aan griffierecht en € 2.682,- (3 punten, tarief II, € 894,- per punt) aan geliquideerd salaris voor de advocaat, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het arrest.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van 26 april 2013;

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, in die zin dat wanneer de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de Provincie van de kosten van de procedure in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Provincie begroot op € 683,- aan griffierecht en € 2.682,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na dagtekening van het arrest;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad, voor zover het betreft de veroordeling in de proceskosten;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.J.H. Hofstee, voorzitter, I. Tubben en B.F. Assink en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 25 juni 2013.