Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:4467

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
200.107.653
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appartementsrecht. Vordering tot vernietiging besluit tot wijziging van de akte van splitsing ex art. 5:140b BW. Verhouding tussen limitatieve afwijzingsgronden van lid 3 en de redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2014/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof

(zaaknummer rechtbank Utrecht 309542)

arrest van de tweede civiele kamer van

in de zaak van

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

Vereniging van Eigenaars [A],

gevestigd te [Vestigingsplaats],

appellante in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

hierna: ,

advocaat: mr. H.J.G. Braakhuis,

tegen:

1. de rechtspersoon in de zin van artikel 2:2 Burgerlijk Wetboek

Katholieke Caritas Instelling der stad Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

2. [verweerder 1] en [verweerster 1],

wonende te [woonplaats],

3. Johan Eugenius Meijs en [verweerster 2],

wonende te [woonplaats],

4. [verweerster 3],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in het principaal beroep,

appellanten in het incidenteel beroep,

hierna: ,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen (in de hoofdzaak) van 26 oktober 2011 en 7 maart 2012, die de rechtbank Utrecht tussen de Vereniging van Eigenaars als gedaagde en KCU c.s. als eisers heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

■ de dagvaarding in hoger beroep d.d. 16 mei 2012;

■ de memorie van grieven;

■ de memorie van antwoord;

■ de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities van mr. Braakhuis voornoemd namens de Vereniging van Eigenaars en mr. J.H. van der Velden, advocaat te Utrecht, namens KCU c.s.

2.2

Bij gelegenheid van de pleitzitting van 10 juni 2013 is aan KCU c.s. akte verleend van het overleggen van één nieuwe productie van twee pagina’s, die bij bericht van 29 mei 2013 is ingebracht. Mr. Braakhuis heeft namens de Vereniging van Eigenaars verklaard dat hij zich voor een reactie op deze nieuwe productie voldoende heeft kunnen voorbereiden.

2.3

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald (op één dossier).

3 De vaststaande feiten

3.1

Bij akte van splitsing van 6 februari 2006 is het gebouw “[B]” aan de [adres] te [plaats] gesplitst in 39 appartementsrechten, bestaande uit de exclusieve gebruiksrechten van 25 woningen met stallingsplaats in de stallingsgarage, 13 stallingsplaatsen en 1 berging.

3.2

De appartementsrechten die het exclusieve gebruiksrecht van de woningen met toebehoren omvatten zijn genummerd van A-1 tot en met A-25 en daaraan is een breukdeel toegekend variërend van 85/4.950 tot 245/4.950. De appartementsrechten die het exclusieve gebruiksrecht van de stallingsplaatsen omvatten zijn genummerd van A-26 tot en met A-38 en daaraan is een breukdeel toegekend van telkens 10/4.950. Tot slot is aan het appartementsrecht dat het exclusieve gebruiksrecht van de berging omvat een breukdeel toegekend van 35/4.950.

3.3

Bij de splitsing is vastgesteld een reglement van splitsing (verder: het splitsingsreglement) dat omvat de bepalingen van het model-reglement bij splitsing in appartementsrechten van 2 januari 1992, zoals vastgesteld door de Koninklijke Broederschap van Notarissen in Nederland.

3.4

In afwijking en/of aanvulling van voormeld model-reglement is in het splitsingsreglement het volgende bepaald:

“(…)

Artikel 2 luidt:

  1. Iedere eigenaar is in de gemeenschap gerechtigd voor het breukdeel vermeld in de omschrijving van zijn appartementsrecht. Deze breukdelen zijn gebaseerd op het aantal vierkante meters per privé-gedeelte conform voormeld splitsingstekening inclusief bergingen maar met uitzondering van de buitenruimten (tuinen, terrassen, balkons en dergelijke).

  2. De eigenaars zijn voor de in lid 1 bedoelde breukdelen gerechtigd tot de gemeenschappelijke baten.

  3. De eigenaars zijn voor de in lid 1 bedoelde breukdelen verplicht bij te dragen in de schulden en kosten, die voor rekening van de gezamenlijke eigenaars zijn.
    (…)”

3.5

KCU c.s. zijn eigenaren van diverse appartementsrechten in [B] en in die hoedanigheid tevens lid van de VvE.

3.6

Op 21 december 2010 heeft een vergadering van eigenaren plaatsgevonden. In die vergadering is met 215 stemmen voor en 49 stemmen tegen een besluit genomen om de akte van splitsing te wijzigen in die zin dat de kosten die voor rekening van de gezamenlijke eigenaars komen, worden uitgesplitst in een aantal categorieën, namelijk: algemene kosten, kosten die alleen betrekking hebben op het woongedeelte en kosten die alleen betrekking hebben op de stallingsgarage. In het besluit is daarnaast voor ieder van die categorieën een eigen verdeling op grond van bepaalde breukdelen vastgesteld.

3.7

KCU c.s. hebben allen tegen deze wijziging van de splitsingsakte gestemd.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

KCU c.s. hebben op de voet van het toenmalige artikel 5:140a Burgerlijk Wetboek (BW) (thans artikel 5:140b) vernietiging gevorderd van het besluit van 21 december 2010 tot wijziging van de splitsingsakte. Bij het vonnis van 7 maart 2012 heeft de rechtbank deze vordering toegewezen. Daartegen richten zich de grieven van de Vereniging van Eigenaars.

4.2

Grief 1 betreft de aard van de toetsing en de inhoud van de criteria bij de toepassing van (thans) artikel 5:140b BW. Met een beroep op de wetsgeschiedenis is de rechtbank er van uitgegaan dat zij tot vernietiging gehouden was, behalve voor zover zich een van de limitatieve afwijzingsgronden van het derde lid zou voordoen. Volgens de Vereniging van Eigenaars is dat uitgangspunt onjuist. In dit verband beroept de Vereniging van Eigenaars zich erop dat volgens artikel 5:124 en 2:8 BW de verhouding tussen de Vereniging van Eigenaars en haar leden door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst, ook in hun goederenrechtelijke verhoudingen.

4.3

Het hof stelt het volgende voorop. De waarde van een appartementsrecht wordt in belangrijke mate bepaald door de inhoud van de akte van splitsing. In verband daarmee is wijziging van de akte van splitsing door de wetgever met bijzondere waarborgen omgeven. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het toenmalige artikel 5:140a BW was voor de wijziging van een akte van splitsing de medewerking van alle appartementseigenaren vereist, dan wel in plaats daarvan machtiging door de kantonrechter. Bij gelegenheid van bedoelde inwerkingtreding is dat stelsel weliswaar gewijzigd, maar uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever nog steeds een zeer groot gewicht toekent aan de bescherming van de individuele appartementseigenaren tegen een wijziging van de akte van splitsing. In verband daarmee gelden in geval van een meerderheidsbesluit tot wijziging van de akte van splitsing bijzondere regels. Zo is een gekwalificeerde meerderheid nodig van vier vijfden van de appartementseigenaren (artikel 5:139 lid 2 BW). Bovendien geldt de voorziening van (thans) artikel 5:140b BW. Volgens het eerste lid van dat artikel wordt op vordering van een appartementseigenaar die niet voor een overeenkomstig artikel 5:139 lid 2 BW bij meerderheid van stemmen genomen besluit tot wijziging van de akte van splitsing heeft gestemd, het besluit bij rechterlijke uitspraak vernietigd. Het tweede lid bevat een korte verjaringstermijn van drie maanden. Het derde lid houdt in dat de rechter de vordering kan afwijzen, wanneer de eiser geen schade lijdt of hem een redelijke schadeloosstelling wordt aangeboden en voor de betaling hiervan voldoende zekerheid is gesteld.

4.4

Over de verhouding tussen het eerste en het derde lid van (thans) artikel 5:140b BW zegt de Memorie van Toelichting onder meer het volgende (Kamerstukken II, 28614, nr. 3, p. 11):

‘Men zij erop bedacht dat op grond van de woorden “wordt vernietigd” in lid 1 de rechter het besluit zal moeten vernietigen, en dat de vernietigingsvordering alleen kan worden afgewezen in de limitatief in lid 3 opgesomde gevallen.

(…)

Lid 3, waarvan de formulering is ontleend aan artikel 5:141 lid 3 BW, bevat een uitputtende opsomming van gevallen waarin de rechter bevoegd is om de vordering tot vernietiging af te wijzen.’

4.5

Naast de mogelijkheid van een besluit bij gekwalificeerde meerderheid is blijven bestaan de mogelijkheid om een machtiging van de kantonrechter te verzoeken (artikel 5:140 BW). Gelet op de wetsgeschiedenis en -systematiek staat aan deze laatste mogelijkheid niet in de weg dat een eerder besluit van een vereniging van eigenaars op de voet van artikel 5:140b BW is vernietigd. Die vernietiging levert dus (zoals bij gelegenheid van de pleidooizitting door KCU c.s. is beaamd) geen gewijsde op waarop in een verzoekschriftprocedure ex artikel 5:140 BW een beroep zou kunnen worden gedaan.

4.6

Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief. Op zichzelf is juist dat de verhouding tussen een vereniging van eigenaars en haar leden mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst, ook in hun goederenrechtelijke verhoudingen. Het hof houdt ook voor juist dat daaruit volgt dat een vordering tot vernietiging ex artikel 5:140b BW onder omstandigheden op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan afstuiten. Daarnaast zullen bij de uitleg en toepassing van de criteria van het derde lid van artikel 5:140b BW de eisen van redelijkheid en billijkheid medebepalend kunnen zijn. Maar een en ander betekent niet dat (zoals de Vereniging van Eigenaars met grief 1 ingang wil doen vinden) de rechter bij de toepassing van artikel 5:140b BW – niettegenstaande de duidelijke wetsgeschiedenis van dat artikel – de ruimte zou hebben voor, en zelfs verplicht zou zijn tot, een volledige inhoudelijke beoordeling van het besluit tot wijziging van de akte van splitsing. Voor zover de Vereniging van Eigenaars op het standpunt staat dat de vordering tot vernietiging van KCU c.s. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, geldt dat zij daarvoor onvoldoende heeft gesteld. Uit het debat zoals dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is gevoerd, volgt dat tussen partijen een verschil van inzicht bestaat over de vraag wat een eerlijke verdeling is van de financiële lasten van de parkeergarage. Dat debat wordt met redelijke argumenten gevoerd. Gelet op de wetssystematiek zoals hiervoor besproken, is de onderhavige procedure niet de plaats om dat debat te beslissen. Wat betreft de toepassing van de criteria van artikel 5:140b lid 3 BW verwijst het hof naar de bespreking van grief 2.

4.7

Met grief 2 komt de Vereniging van Eigenaars op tegen de overweging van de rechtbank volgens welke gesteld noch gebleken is dat de Vereniging van Eigenaars een redelijke schadeloosstelling heeft aangeboden. Aldus beroept de Vereniging van Eigenaars zich op het derde lid van artikel 5:140b BW.

4.8

De grief faalt reeds op de grond dat, zoals de Vereniging van Eigenaars bij gelegenheid van de pleidooizitting in hoger beroep heeft erkend, nimmer door de Vereniging van Eigenaars aan KCU c.s. een daadwerkelijk aanbod tot schadeloosstelling is gedaan, terwijl evenmin voor de betaling van een zodanige schadeloosstelling zekerheid is gesteld. De Vereniging van Eigenaars voert aan dat KCU c.s. niet tot (redelijk) overleg bereid was en dat op die grond van haar niet kon worden gevergd dat zij schadeloosstelling zou aanbieden. Niet valt echter in te zien waarom de bedoelde omstandigheid (indien juist) de Vereniging van Eigenaars belette om aan KCU c.s. een aanbod te doen. Hoe dan ook kan die omstandigheid er niet toe leiden dat zich de afwijzingsgrond van artikel 5:140b lid 3 BW voordoet, ook niet in verband met de eisen van redelijkheid en billijkheid zoals die de onderlinge verhouding tussen partijen mede beheersen.

4.9

Ten overvloede voegt het hof aan het voorgaande nog toe dat volgens de eigen stellingen van de Vereniging van Eigenaars wat betreft de zes appartementsrechten die aan geïntimeerde sub 1 toebehoren, zij geen compensatie wenst aan te bieden. Wat betreft geïntimeerde sub 1 kan ook daarom artikel 5:140b lid 3 BW geen toepassing vinden.

4.10

Met grief 3 betoogt de Vereniging van Eigenaars dat geïntimeerde sub 4 in haar vordering niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard op de grond dat zij bij haar vordering geen belang heeft omdat zij door de wijziging van de akte van splitsing niet in financiële zin wordt benadeeld.

4.11

De Vereniging van Eigenaars heeft haar belang bij deze grief niet begrijpelijk toegelicht. Voor zover al juist zou zijn dat geïntimeerde sub 4 bij haar vordering geen belang heeft, leidt dat niet tot haar niet-ontvankelijkheid. Het ontbreken van voldoende belang zou wel kunnen leiden tot afwijzing van de vordering. Omdat echter hoe dan ook wat betreft geïntimeerden sub 1, 2 en 3 de vordering terecht is toegewezen, zou vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vordering ten aanzien van (alleen) geïntimeerde sub 4 geen betekenis hebben.

4.12

Grief 4, die betrekking heeft op de kosten van het geding in eerste aanleg, bouwt op de overige grieven voort en deelt in hun lot.

4.13

In de reactie van KCU c.s. op grief 4 in het principaal beroep bij hun memorie van antwoord en in de conclusie van die memorie ligt besloten dat KCU c.s. incidenteel beroep instelt tegen de door de rechtbank toegepaste compensatie van proceskosten. De Vereniging van Eigenaars hebben in het incidenteel beroep niet geantwoord en zij hebben ook de pleidooizitting niet benut om in het incidenteel beroep verweer te voeren.

4.14

De grief in het incidenteel beroep slaagt. Als de in het ongelijk gestelde partij dient de Vereniging van Eigenaars te worden veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg.

4.15

Ook in het principaal en het incidenteel beroep is de Vereniging van Eigenaars de in het ongelijk gestelde partij, zodat zij ook in zoverre zal worden veroordeeld in de proceskosten, zij het dat het hof de kosten van het incidenteel beroep zal begroten op nihil.

5 Slotsom

5.1

De slotsom is dat de grieven in het principaal beroep falen en dat de grief in het incidenteel beroep slaagt. Het hof zal het vonnis van 7 maart 2012 vernietigen uitsluitend wat betreft de beslissing omtrent de proceskosten. Opnieuw recht doende zal het hof de Vereniging van Eigenaars veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg. Het hof zal de Vereniging van Eigenaars ook veroordelen in de kosten van het principaal en het incidenteel beroep.

5.2

De kosten van de procedure in eerste aanleg zal het hof aan de zijde van KCU c.s. begroten op € 90,81 voor explootkosten, op € 454,— voor griffierecht en op € 904,— voor salaris van de advocaat (twee punten tarief II à € 452,— per punt: één punt voor de inleidende dagvaarding en één punt voor de comparitie van partijen).

5.3

De kosten van het principaal beroep zal het hof aan de zijde van KCU c.s. begroten op € 666,— voor griffierecht en op € 2.682,— voor salaris van de advocaat (drie punten tarief II à € 894,— per punt: één punt voor de memorie van antwoord en twee punten voor het pleidooi).

5.4

De kosten van het incidenteel beroep zal het hof van de zijde van KCU c.s. begroten op nihil.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 7 maart 2012 uitsluitend wat betreft de beslissing omtrent de proceskosten en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt de Vereniging van Eigenaars in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van KCU c.s. begroot op € 90,81 voor explootkosten, op € 454,— voor griffierecht en op € 904,— voor salaris van de advocaat;

bekrachtigt genoemd vonnis voor het overige;

veroordeelt de Vereniging van Eigenaars in de kosten van het principaal beroep en het incidenteel beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van KCU c.s. begroot op € 666,— voor griffierecht en op € 2.682,— voor salaris van de advocaat;

verklaart dit arrest wat betreft voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, G.J. Rijken en A.L.H. Ernes, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2013.