Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:4329

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
30-07-2013
Zaaknummer
200.108.695
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nakoming van betaling van huur en huurkoopverplichtingen. Bewijslevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

afdeling civiel recht

locatie Arnhem

zaaknummer gerechtshof 200.108.695

(zaaknummer rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo: 377557)

arrest van de tweede civiele kamer van 18 juni 2013

in de zaak van

1 [A]

en

2. [B],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna gezamenlijk: [A] (mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. K. ter Mors,

tegen:

de stichting [C],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna: [C],

advocaat: mr. G.A.G. Warfman.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 19 april 2011 (verstekvonnis, zaaknummer 372597), 1 november 2011 (tussenvonnis) en 31 januari 2012 (eindvonnis), die de kantonrechter (rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo) heeft gewezen tussen [A] als gedaagde, respectievelijk opposant, en [C] als eiseres, respectievelijk geopposeerde.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 25 april 2012, waarbij [A] aan [C] hoger beroep heeft aangezegd tegen de vonnissen van 19 april 2011, 1 november 2011 en 31 januari 2012 en [C] heeft gedagvaard voor het gerechtshof Arnhem,

  • -

    de memorie van grieven,

  • -

    de memorie van antwoord, tevens houdende vermindering van eis.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten:

3.1.

[A] huurt van [C] een standplaats tegen een huurprijs van € 145,60 per maand en heeft van [C] een woonwagen in huurkoop gekocht. [A] moest de huurkoopsom met rente in 60 maandelijkse termijnen van elk € 286,85 aan [C] betalen, voor het eerst op 1 januari 2003.

3.2.

Bij het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde verstekvonnis van 19 april 2011 heeft de kantonrechter [A] op vordering van [C] veroordeeld om ter zake van de huurkoop € 2.605,35 te betalen (€ 1.155,35 aan achterstand en € 1.450 aan boete), om de standplaats te ontruimen, om ter zake van de huur € 1.030,17 te betalen, vermeerderd met € 145,60 per maand vanaf 1 april 2011 tot de ontruiming, en om de proceskosten te betalen.

3.3.

[A] heeft op 24 mei 2011 een bedrag van € 4.259,14 aan [C] betaald en heeft op 1 juni 2011 verzet gedaan tegen het verstekvonnis. Na het tussenvonnis van 1 november 2011 heeft de kantonrechter in het eindvonnis van 31 januari 2012 de veroordelingen tot betaling van de bedragen van € 2.605,35 en € 1.030,17 vernietigd, het verstekvonnis voor het overige bekrachtigd en [A] veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1.

Bij de memorie van antwoord heeft [C] producties overgelegd, waarop [A] niet heeft kunnen reageren. Bij de hierna bepaalde comparitie van partijen kan [A] alsnog op die producties reageren.

4.2.

Grief I van [A] strekt ertoe om de in het bestreden eindvonnis in stand gelaten ontruimingsveroordeling alsnog te vernietigen en de desbetreffende vordering van [C] af te wijzen. Nu [C] in haar memorie van antwoord te kennen heeft gegeven dat zij de desbetreffende vordering intrekt, zal het hof in zoverre beslissen zoals [A] dat wenst.

4.3.

Met grief II komt [A] op tegen het oordeel in het eindvonnis, dat hij de inhoud van de door [C] bij akte van 29 november 2011 gegeven specificaties van de betalingsachterstand niet gemotiveerd heeft betwist en dat hij door betaling van het bedrag van € 4.259,14 de achterstand heeft aangezuiverd. [A] voert als toelichting op deze grief aan dat hij onder protest heeft betaald en dat de door [C] verstrekte specificaties ten onrechte geen melding maken van zijn betaling in 2008 aan [C] van een bedrag van (bijna) € 5.000. [A] heeft in hoger beroep zijn desbetreffende bewijsaanbod herhaald.

4.4.

Nu de veroordeling tot ontruiming reeds op grond van grief I wordt vernietigd en in het eindvonnis de overige vorderingen van [C] alsnog werden afgewezen, hangt het lot van de in het verstekvonnis toegewezen vorderingen niet af van de vraag of [A] op 24 mei 2011 jegens [C] verplicht was tot betaling van het bedrag van € 4.259,14. Van die beoordeling hangt echter wel af of [A] in de verzetprocedure werd aangemerkt als grotendeels in het ongelijk gestelde partij en in de kosten van die procedure werd veroordeeld. [A] heeft namelijk met grief III bezwaar tegen die beslissing gemaakt.

4.5.

[A] heeft bij akte van 3 januari 2012 aangevoerd dat hij de betaling van 24 mei 2011 onder protest heeft verricht - van welk protest tevens bleek uit hetgeen [C] in § 12 van haar conclusie van antwoord in oppositie had aangevoerd. Dit betekent dat in rechtsoverweging 2.3 van het bestreden eindvonnis vooralsnog ten onrechte is geoordeeld dat de geldvorderingen van [C] door die betaling zijn voldaan - welke conclusie in het eindvonnis onder meer heeft geleid tot de beslissing om de kosten van de verstekprocedure en die van de verzetprocedure voor rekening van [A] te brengen.

4.6.

[C] heeft in haar memorie van antwoord aangevoerd dat [A] in eerste aanleg uitsluitend bewijs in de vorm van schriftelijke stukken heeft aangeboden, maar heeft daarmee miskend dat [A] in de conclusie van repliek in oppositie tevens getuigenbewijs heeft aangeboden. In hoger beroep heeft [A] dit bewijsaanbod uitdrukkelijk gehandhaafd - [A] wil in elk geval een voormalig personeelslid van [C] als getuige laten verklaren. Het hof zal [A] toelaten tot de door hem aangeboden bewijslevering.

4.7.

Uit hetgeen partijen in de stukken hebben aangevoerd blijkt dat [C] beschikt over adresgegevens van de door [A] beoogde getuige, maar heeft geweigerd om die gegevens aan [A] te verstrekken op grond dat zij daardoor artikel 8 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) zou schenden. Hieruit begrijpt het hof dat [C] als werkgever van de bedoelde getuige de “verantwoordelijke” is in de zin van de Wbp en uit dien hoofde verplicht is tot geheimhouding. Deze geheimhoudingsplicht wijkt voor wettelijke voorschriften, waarin, in voldoende mate toegesneden op de verstrekking van persoonsgegevens en in overeenstemming met bepalingen van een hogere orde (waaronder artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens), aan [C] een verplichting wordt opgelegd om desnoods ook privacygevoelige gegevens te verstrekken. Daarom is het plan van [A] om de door hem bedoelde ex-werkneemster van [C] als getuige te laten verklaren niet bij voorbaat gedoemd tot mislukking.

4.8.

Ten overvloede vermeldt het hof dat het niet zal kunnen beslissen over de verplichting tot terugbetaling van het bedrag van € 4.259,14, nu er geen tegenvordering tot veroordeling van [C] tot terugbetaling is ingesteld (en ook niet meer alsnog kan worden ingesteld). Of [A] de boete en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten aan [C] verschuldigd was, zal niet afzonderlijk worden beoordeeld, omdat een oordeel daarover niet aan een door het hof te geven beslissing ten grondslag zou kunnen liggen en daarom tussen partijen geen betekenis zou hebben.

5 Slotsom

Grief I slaagt, zodat het bestreden eindvonnis bij later arrest in elk geval zal moeten worden vernietigd voor zover het de ontruimingsveroordeling betreft. Bij grief II heeft [A] daarom geen afzonderlijk belang. Ten aanzien van grief III wordt bewijslevering mogelijk gemaakt. Het hof zal na afloop van het eerste getuigenverhoor compareren om zonodig naar aanleiding van de getuigenverklaringen inlichtingen in te winnen, en in elk geval om te proberen of partijen het met elkaar eens kunnen worden over een regeling van hun geschil, dan wel een onderdeel daarvan. Verdergaande beslissingen moeten wachten.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [A] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat hij in 2008 ongeveer € 5.000 contant aan [C] heeft betaald;

bepaalt dat daartoe een getuigenverhoor zal worden gehouden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. H.E. de Boer, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen ([A] in persoon en [C] vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het beantwoorden van vragen in staat is) bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [A] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de 2 juli 2013, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [A] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat partijen ([A] in persoon en [C] vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot het aangaan van een schikking) samen met hun advocaten bij het verhoor van de getuigen aanwezig zullen zijn om [A] in staat te stellen tot het geven van een reactie op de producties bij de memorie van antwoord, om partijen zelf zo nodig nadere inlichtingen te laten geven over de punten waarover de getuigen zullen worden gehoord en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verdere beslissingen aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, K.J. Haarhuis en Th.C.M. Willemse en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2013.