Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:4328

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
30-07-2013
Zaaknummer
200.107.235
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Elektriciteitsverstrekker spreekt haar afnemer aan wegens tekortschieten in de contractuele zorgplicht, alsmede een tekortschieten in een algemene zorgplicht, nadat huurders van de afnemer in of nabij het verhuurde hennep hadden geteeld en daarvoor elektriciteit hadden afgetapt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.107.235

(zaaknummer rechtbank Utrecht, locatie Utrecht 779944)

arrest van de tweede kamer van 18 juni 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

hierna: [A],

advocaat: mr. A. Ester,

tegen:

[B] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: [B],

advocaat: mr. A. Ramsoedh.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 28 december 2011 en 2 mei 2012 die de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector handel en kanton, locatie Utrecht) tussen [A] als eiseres en [B] als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

[A] heeft bij exploot van 10 mei 2012 [B] aangezegd van voormeld vonnis van 2 mei 2012 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [B] voor het hof Arnhem.

2.2

Bij memorie van grieven heeft [A] vier grieven tegen het bestreden vonnis van 2 mei 2012 aangevoerd, bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, [B] zal veroordelen om aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag ad € 12.290,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 november 2010, althans de wettelijke rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, alles tot aan de dag van algehele voldoening en met veroordeling van [B] in de kosten van beide instanties.

2.3

Na het aanvankelijk verleende verstek te hebben gezuiverd, heeft [B] bij memorie van antwoord verweer gevoerd en bewijs aangeboden. Hij heeft geconcludeerd dat het hof het door [A] ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dan wel ongegrond zal verklaren dan wel zo een beslissing zal nemen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling van [A] in de kosten van het hoger beroep, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.1

[A] is netbeheerder van een elektriciteitsnet in [plaats]. [B] is eigenaar van (het appartementsrecht ter zake van) de begane grond, de eerste verdieping en de kelder van het kantoor- en bedrijfspand aan de [adres] in [plaats] (hierna: het bedrijfspand). In dat pand voert [B] een accountantspraktijk. [B] en [A] hebben met elkaar een overeenkomst gesloten op grond waarvan [A] aan het bedrijfspand elektriciteit levert.

3.2

[B] heeft een gedeelte van zijn bedrijfspand, namelijk garageboxen in de kelder, per 1 januari 2004 aan [naam] verhuurd. De toegang tot het verhuurde gedeelte (hierna: het verhuurde) ligt aan de[adres 2] in [plaats], terwijl de hoofdingang van het bedrijfspand aan de[adres 3] ligt.

3.3

Op 13 oktober 2010 heeft de Regiopolitie [vestigingsplaats] tezamen met [A] een inval gedaan in het verhuurde. Zij hebben bij die gelegenheid een of meer hennepkwekerijen ontdekt.

3.4

De hennepkwekerij(en) werd(en) van elektriciteit voorzien doordat een illegale aftakking was gemaakt van de kabel, waarmee [A] elektriciteit naar het bedrijfspand toevoerde. Deze aftakking bevond zich vóór de elektriciteitsmeter van [B], zodat het verbruik voor de hennepteelt niet werd geregistreerd en [A] dat verbruik niet in rekening heeft gebracht.

3.5

In de tussen [B] en [A] gesloten overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard, waarvan artikel 4 inhoudt:

“(…)

2. 2. De contractant is gehouden, voor zover zulks redelijkerwijs nodig is, aan de netbeheerder zijn medewerking te verlenen bij de toepassing en de uitvoering van het in de aansluit- en transportovereenkomst bepaalde en de controle op de naleving daarvan, en wel in het bijzonder door:

3. a. de netbeheerder zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen van door hem waargenomen of vermoede schade, gebreken of onregelmatigheden in het in het perceel aanwezige gedeelte van de aansluiting en/of de meetinrichting, verbreking van de verzegeling daaronder begrepen.

(…)

3. De contractant is gehouden het redelijkerwijs mogelijke te doen om schade aan het in het perceel aanwezige gedeelte van de aansluiting en/of de meetinrichting te voorkomen.

(…)
6. Het is contractant niet toegestaan:

a. door middel van en/of met behulp van de installatie via het net dat door de netbeheerder wordt beheerd, hinder of schade te veroorzaken voor de netbeheerder of andere contractanten;

(…)

c. handelingen te verrichten of te doen verrichten waardoor de hoeveelheid getransporteerde elektrische energie niet of niet juist kan worden vastgesteld, dan wel een situatie te scheppen waardoor het normaal functioneren van de meetinrichting of (andere) door de netbeheerder beheerde apparatuur wordt verhinderd of de Tarieven- en vergoedingsregeling van de netbeheerder niet of niet juist kan worden toegepast.

(…)”.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

In de procedure is - kort gezegd - de vraag aan de orde of [B] jegens [A] aansprakelijk is voor de schade die [A] heeft geleden doordat de hennepteler elektriciteit heeft verbruikt die onbetaald is gebleven. [A] heeft die schade gesteld op een bedrag van € 12.290,28, waarvan blijkens productie 4 bij de inleidende dagvaarding een gedeelte van € 10.722,54 wegens naar schatting geleverde elektriciteit, € 721,26 aan kosten van de nieuwe elektra-aansluiting, en € 846,48 aan ‘kosten van ontoelaatbaar handelen’. De rechtbank heeft de vordering van [A] afgewezen op de grond dat [A] onvoldoende feiten heeft gesteld die, indien bewezen, kunnen leiden tot de conclusie dat [B] jegens [A] nalatig is geweest in de nakoming van de overeenkomst.

4.2

[A] heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, de door haar gestelde aansprakelijkheid als volgt onderbouwd: [B] heeft verzuimd om de zorgplichten na te komen, die op hem rusten uit hoofde van de overeenkomst, met name uit hoofde van artikel 4 van de algemene voorwaarden. Volgens [A] heeft [B] tevens een algemene zorgplicht geschonden, doordat gedragingen van zijn (onder)huurders voor rekening en risico van hem komen, hij beter in staat was tot het houden van toezicht daarop en hij ervoor had kunnen kiezen om de aansluiting op naam van de (onder)huurders te zetten.

4.3

[B] heeft weersproken dat hij onvoldoende toezicht heeft gehouden en heeft voorts gemotiveerd betwist dat hij de hennepteelt en de illegale aftakking bij inspecties kon ontdekken. De hennep stond in een loze ruimte buiten het verhuurde en de aftakking van de aansluiting was eveneens buiten het verhuurde aangebracht. [B] heeft voorts nog de gestelde schadeomvang betwist: volgens [B] kan [A] bij de berekening daarvan hoogstens haar inkooptarieven hanteren, maar niet  zoals zij heeft gedaan  de tarieven waartegen zij contractueel pleegt af te rekenen.

4.4

Naar het oordeel van het hof brengen de algemene voorwaarden en de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) mee, dat bij een overeenkomst tot levering van energie als de onderhavige op de afnemer, in dit geval [B], een zorgplicht rust jegens de energieleverancier/netwerkbeheerder, hier: [A], met betrekking tot de op naam van de afnemer geregistreerd staande aansluiting. [B] heeft, zoals hierboven weergegeven, gemotiveerd betwist dat hij daarin jegens [A] is tekortgeschoten en dat de door [A] bedoelde schade een gevolg is van zijn beweerdelijke tekortschieten. Hierdoor is niet vast komen te staan dat [B] jegens [A] aansprakelijk is. [A] draagt de bewijslast van de stellingen, waarop zij [B] aansprakelijkheid heeft gebaseerd.

4.5

Voordat het hof nader beslist, ziet het aanleiding om de plaatselijke situatie op te nemen. Partijen dienen daarbij inlichtingen te kunnen verstrekken, met name over de plaats waar de hennep werd geteeld, waar de illegale aansluiting op het elektriciteitsnet was gemaakt en hoe [B] de aanwezigheid van een en ander had kunnen en moeten opmerken.

4.6

De plaatsopneming zal worden gevolgd door een comparitie van partijen om verdere inlichtingen van partijen te verkrijgen en om te proberen of partijen het geschil of onderdelen daarvan onderling kunnen regelen. Verdere beslissingen moeten wachten.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep, alvorens nader te beslissen:

bepaalt dat het lid van het hof, mr. H.E. de Boer, die hierbij tot raadsheer-commissaris wordt benoemd, het bedrijfspand aan de [adres] en de[adres 2] zal [plaats] zal bezichtigen, dan wel de plaatselijke gesteldheid zal opnemen, vergezeld van de griffier;

bepaalt aansluitend aan deze plaatsopneming een comparitie van partijen;

bepaalt dat partijen, [B] in persoon en [A] vertegenwoordigd door één of meer personen die van de zaak op de hoogte zijn en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat zijn en bevoegd zijn tot het aangaan van een schikking, samen met hun advocaten ter gelegenheid van de in de vorige alinea bedoelde comparitie voor de raadsheer-commissaris zullen verschijnen op een door partijen in gezamenlijk overleg te bepalen plaats in de nabijheid van de plaats van bezichtiging, zulks tot het geven van inlichtingen en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen hun verhinderdagen over de maanden augustus, september en oktober 2013 zullen opgeven op de roldatum 2 juli 2013, waarna dag en uur van de descente en de comparitie van partijen door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld, ook indien één of beide partijen verzuimen om opgave te doen van hun verhinderingen;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, G.J. Rijken en Th.C.M. Willemse en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2013.