Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:4322

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
18-07-2013
Zaaknummer
200.102.527
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing ontslag van instatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.102.527

(zaaknummer rechtbank Utrecht 294063)

arrest van de eerste kamer van 18 juni 2013

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [eiser],

advocaat: mr. B.M. Sadza,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna: [gedaagde],

advocaat: mr. A.C.P.M. van Dun.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 1 december 2010 en 25 mei 2011 die de rechtbank Utrecht tussen [gedaagde] als eiseres in conventie/verweerster in voorwaardelijke reconventie en [eiser] (naast [A] Beheer B.V.) als gedaagde in conventie/eiser in voorwaardelijke reconventie heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep d.d. 23 augustus 2011,

  • -

    de memorie van grieven,

  • -

    een akte houdende uitlating ex artikel 27 Faillissementswet (Fw) door

mr. B.P.W. van Brink, bewindvoerder van [eiser] ingevolge de wettelijke schuldsaneringsregeling,

- een akte houdende verzoek tot ontslag van instantie ex artikel 27 lid 2 Fw door [gedaagde].

2.2

Vervolgens heeft [gedaagde] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Nadat [gedaagde] op de rol van 25 september 2012 schorsing van de procedure had gevraagd wegens het feit dat [eiser] (op 14 augustus 2012) is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, is het hoger beroep wat betreft de conventionele vordering van rechtswege geschorst ex artikel 29 jo. artikel 313 Fw.

3.2

Wat betreft de reconventionele vordering is het geding ex artikel 27 lid 1 jo. artikel 313 Fw overeenkomstig het verzoek van [gedaagde] geschorst, teneinde haar de gelegenheid te geven de bewindvoerder van [eiser] tot overneming van het geding op te roepen. Daarop heeft de bewindvoerder laten weten het geding niet over te nemen.

3.3

[gedaagde] heeft daarna, op de rol van 27 november 2012, ontslag van instantie verzocht.

3.4

Het hof overweegt als volgt. Uit de gedingstukken blijkt dat de vordering in conventie en in voorwaardelijke reconventie ten nauwste met elkaar verweven zijn. De aan de vordering in voorwaardelijke reconventie ten grondslag gelegde stelling van [eiser] dat de vaststellingsovereenkomst gesloten is onder invloed van dwaling en/of bedrog door [gedaagde], vormt tevens een belangrijk verweer in conventie.

Indien nu het verzoek van [gedaagde] tot ontslag van instantie zou worden toegewezen, zou daarmee het geschil in reconventie ten einde zijn en zou de beslissing van de rechtbank dat [eiser] geen beroep op dwaling en bedrog toekomt, kracht van gewijsde krijgen. Het zou in strijd met een goede procesorde zijn indien dat beroep in geval van voorzetting van het geding in conventie na betwisting van de verificatie van de vordering van [gedaagde] met een beroep op het gezag van gewijsde van de beslissing in reconventie dienaangaande, niet meer aan de orde kan komen (vergelijk HR 22 november 1991, LJN AD1539). Gelet daarop zal het verzoek tot ontslag van instantie worden afgewezen.

3.5

De zaak zal worden verwezen naar de rol teneinde [gedaagde] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraag of zij het geding in reconventie buiten bezwaar van de boedel wenst voort te zetten. Ook indien [gedaagde] de procedure in reconventie wenst voor te zetten, zal het geding in reconventie, opnieuw gelet op de samenhang met het geding in conventie en het voorwaardelijk (van de uitkomst in conventie afhankelijke) karakter, naar analogie met het bepaalde in artikel 2.23 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven ambtshalve worden doorgehaald teneinde weer te kunnen worden opgebracht als ook het geding in conventie eventueel wordt hervat.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

wijst het verzoek van [gedaagde] tot ontslag van de instantie in reconventie af;

verwijst de zaak naar de rol van 30 juli 2013 voor uitlating voortzetting van het geding in reconventie, buiten bezwaar van de boedel, aan de zijde van [gedaagde].

Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, H.L. Wattel en F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2013.