Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:4264

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-06-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
200.116.670
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming voor verhuizing; hoofdverblijfplaats van de kinderen en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.116.670

(zaaknummer rechtbank Utrecht 324360)

beschikking van de familiekamer van 13 juni 2013

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E. Keijzerwaard te Rotterdam,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. A.E. van Solinge te Utrecht.


1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 1 augustus 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 31 oktober 2012;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 20 december 2012;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 30 januari 2013;

- een brief van mr. Van Solinge van 15 april 2013 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een brief van mr. Keijzerwaard van 16 april 2013 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

2.2

Na te noemen [kind 2] heeft bij brieven ingekomen op 14 januari 2013 en 26 februari 2013 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.3

Op 17 april 2013 zijn [kind 2] en na te noemen [kind 1] verschenen, die buiten aanwezigheid van de moeder, de vader en de raad door het hof zijn gehoord.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 25 april 2013 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van de moeder en de vader is op [datum] 2009 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De moeder en de vader zijn de ouders van:

- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1996;

- [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2001, en

- [kind 3] (verder te noemen: [kind 3]), geboren op [geboortedatum] 2003,

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3

Bij beschikking van 13 november 2012 heeft het hof Amsterdam zich relatief onbevoegd verklaard van de zaak kennis te nemen en de zaak in de stand waarin hij zich bevindt naar het hof Arnhem verwezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen zijn in geschil het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming, de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders betreffende de kinderen.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking (naar het hof begrijpt:) de verzoeken van de moeder afgewezen.

4.2

De moeder is met vijf grieven in hoger beroep gekomen tegen de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

4.3

De vader is op zijn beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. Deze grief ziet op de hoofdverblijfplaats van de kinderen. De vader heeft tevens zijn verzoek gewijzigd en verzoekt thans de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De moeder heeft het voornemen om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen. De vader kan zich hiermee niet verenigen en hij weigert voor die verhuizing zijn toestemming te geven. Beide partijen zijn thans van mening dat het co-ouderschap niet meer in het belang is van de kinderen en verzoeken de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij elk van hen afzonderlijk te bepalen en een omgangsregeling met de andere ouder vast te stellen.

5.2

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank, en in hoger beroep het hof, worden voorgelegd.

5.3

Het hof stelt voorop dat uit het bepaalde in artikel 1:253a BW volgt dat het een zodanige beslissing dient te nemen als het hof in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij deze beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.

5.4

Ingevolge artikel 1:253a lid 4 BW in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.

5.5

Ter mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats van [kind 1] bij de vader wordt vastgesteld en dat er voor hem geen omgangsregeling wordt vastgesteld, zodat [kind 1] zelf kan bepalen wanneer hij naar de moeder gaat. Het hof zal, conform de overeenstemming, de hoofdverblijfplaats van [kind 1] bij de vader vaststellen.

5.6

De moeder heeft verzocht om een raadsonderzoek danwel een verzoek gedaan tot het benoemen van een bijzonder curator opdat de kinderen worden gehoord en onderzocht wordt wat het beste is voor de kinderen. Het hof wijst beide verzoeken af. Het hof acht zich voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat voorafgaand aan de zitting op 17 april 2013 uitgebreid met [kind 1] en [kind 2] is gesproken. Voorts acht het hof het in het belang van de kinderen dat voor de zomervakantie van 2013 duidelijkheid zal bestaan over waar [kind 2] en [kind 3] met ingang van het nieuwe schooljaar hun hoofdverblijfplaats zullen hebben.

5.7

Ter mondelinge behandeling is gebleken dat beide ouders zeer betrokken zijn bij hun kinderen en allebei het beste met hen voor hebben. Beide ouders zijn gedurende de week beschikbaar voor hun kinderen. Zij komen evenwel niet tot overeenstemming omtrent de hoofdverblijfplaats van [kind 2] en [kind 3], op het moment dat [kind 2] na de aanstaande zomervakantie naar de middelbare school gaat. De moeder wenst dat [kind 2] en [kind 3] in [plaats] komen wonen. Daarnaar gevraagd heeft zij aangegeven dat zij vindt dat [kind 2] en [kind 3] hoe dan ook bij elkaar dienen te blijven. De vader wenst dat [kind 2] en [kind 3] in [woonplaats] blijven wonen. Als voor [kind 2] de hoofdverblijfplaats bij de moeder in [plaats] wordt bepaald, is hij van mening dat [kind 3] bij hem in [woonplaats] dient te blijven wonen.

5.8

Het hof acht het in het belang van [kind 2] en [kind 3] dat zij bij bepaling van de hoofdverblijfplaats bij een van de ouders, bij elkaar dienen te blijven. Het hof zal de hoofdverblijfplaats van [kind 2] en [kind 3] bij de moeder vaststellen. Daaruit vloeit voort dat de moeder vervangende toestemming krijgt om met [kind 2] en [kind 3] naar [plaats] te verhuizen. Het hof overweegt dat [kind 2] nadrukkelijk de wens heeft om in [plaats] te wonen. Uit het kinderverhoor komt naar voren dat hij daar goed over na heeft gedacht en dat hij meerdere argumenten aandraagt waarom hij graag in [plaats] zou willen wonen. Hij heeft aangegeven dat hij zich prettig voelt in [plaats] en goed overweg kan met de nieuwe echtgenoot van de moeder en diens kinderen. Hij kan minder goed overweg met de nieuwe partner van de vader en haar kind, die sinds februari van dit jaar bij de vader wonen. Voorts wil hij graag naar een bepaalde school in [plaats]. Hij heeft ook scholen bekeken in [plaats], maar die spraken hem minder aan. De vrienden die hij nu heeft op de basisschool in [woonplaats] zullen in ieder geval niet naar dezelfde middelbare school gaan, als [kind 2] in [woonplaats] zou blijven wonen. De vader heeft aangegeven dat er zijns inziens geen noodzaak bestaat om te verhuizen naar [plaats], nu [kind 2] ook in de buurt van [woonplaats] naar een goede en geschikte middelbare school zou kunnen gaan. Het hof merkt dienaangaande op dat het hof dient te beoordelen welke beslissing het hof het meeste in het belang van [kind 2] en [kind 3] voorkomt.
Aan de vader moet worden toegegeven dat de wens van [kind 2] ook de hoofdverblijfplaats van [kind 3] bepaalt. Het hof acht het belang van de kinderen om samen te blijven echter van meer gewicht. Voorts acht het hof het onwenselijk indien [kind 3] de komende jaren, bij bepaling van de hoofdverblijfplaats bij de vader voor de periode die nog resteert op de basisschool, de druk zal voelen over waar haar hoofdverblijfplaats zal zijn op het moment dat zij naar de middelbare school zal gaan. Het hof acht die druk niet in het belang van [kind 3].

5.9

Beide ouders hebben verzocht om een beslissing ten aanzien van de zorg- en contactregeling op het moment dat de hoofdverblijfplaats bij één van de ouders is bepaald. Nu de hoofdverblijfplaats van [kind 2] en [kind 3] bij de moeder zal worden bepaald, acht het hof de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder in het belang van [kind 2] en [kind 3] wenselijk. Het hof zal bepalen dat [kind 2] en [kind 3] drie van de vier weekenden in de maand bij de vader zullen verblijven. De moeder heeft aangegeven met een dergelijke regeling te kunnen instemmen. De vakanties en feestdagen kunnen bij helfte worden verdeeld gelet op het ouderschapsplan en het feit dat de ouders niet hebben aangegeven daarin op dit punt iets te willen veranderen

6 De slotsom

in het principaal en in het incidenteel hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven in het principaal hoger beroep. De grief in het incidenteel hoger beroep faalt. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 1 augustus 2012 en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat [kind 1] met ingang van 1 juli 2013 zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft;

verleent de moeder vervangende toestemming om met [kind 2] en [kind 3] naar [plaats] te verhuizen;

bepaalt dat [kind 2] en [kind 3] met ingang van 1 juli 2013 hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben;

verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de moeder en de vader aldus dat [kind 2] en [kind 3] bij de vader verblijven drie van de vier weekenden, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.H. Schulten, R. Krijger en A.J.H. Blaisse-Ozinga, bijgestaan door mr. C. Nijhuis als griffier, en is op 13 juni 2013 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.