Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:4196

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-05-2013
Datum publicatie
11-07-2013
Zaaknummer
CR 200.102.592-01 30-5-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek vervangende toestemming tot verhuizing afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 247
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 288
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 360
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2013/133 met annotatie van M.A. Baeten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 30 mei 2013

Zaaknummer: 200.102.592/01

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[de vader] ,

wonende te [woonplaats 1],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. E.M. Thoenes-van der Veen, kantoorhoudende te Zwolle,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.C. Dorresteijn, kantoorhoudende te Zwolle.


Het hof verwijst naar zijn tussenbeschikking van 15 mei 2012 waarbij een deskundigenonderzoek is gelast.

Het verdere procesverloop

Na de tussenbeschikking is op 9 januari 2013 het deskundigenbericht binnengekomen van mevr. drs.[deskundige] gedateerd 20 december 2012 met daarbij de schriftelijke reacties van partijen op de bevindingen van de deskundige.

Op 11 maart 2013 is voorts een brief met bijlagen binnengekomen van mr. Dorresteijn, gedateerd 8 maart 2013, en op 18 maart 2013 is een brief binnengekomen van de Raad voor de Kinderbescherming gedateerd 14 maart 2013.

De zaak is verder behandeld - in een andere samenstelling - ter zitting van het hof van 21 maart 2013. Partijen zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

Door mr. Thoenes-van der Veen is een pleitnotitie overgelegd.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Het minderjarig kind van partijen is[minderjarig kind], geboren in de gemeente[geboorteplaats] op[geboortedag].

2.

Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over[minderjarig kind].

3.

De moeder heeft op 25 oktober 2011 op de voet van artikel 1:253a BW een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank waarin zij heeft verzocht te bepalen dat het hoofdverblijf van[minderjarig kind] bij haar wordt bepaald en voorts dat de moeder (vervangende) toestemming wordt verleend om met[minderjarig kind] te verhuizen naar [woonplaats 2] en hem daar aan te melden voor de basisschool.

4.

De vader heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en daarbij het verzoek gedaan aan de rechtbank om een raadsonderzoek te gelasten.

5.

Bij de bestreden beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, van 30 januari 2012 zijn de verzoeken van de moeder - uitvoerbaar bij voorraad - toegewezen en is het meer of anders gevorderde afgewezen. Hiertegen richt zich het appel van de vader.

6.

De moeder is kort na de bestreden beschikking met[minderjarig kind] verhuisd naar [woonplaats 2] en heeft hem daar ingeschreven op een basisschool. De vader heeft sindsdien een omgangsregeling met[minderjarig kind] inhoudende kort gezegd drie van de vier weekenden.

7.

Bij beschikking van 26 april 2012 heeft het hof het verzoek van de vader om de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen, afgewezen, kort gezegd, omdat geen sprake was van een kennelijke misslag of misbruik van executiebevoegdheid en een inhoudelijke weging in de bodemprocedure plaats hoort te vinden.

Het deskundigenbericht

8.

Uit het voormelde rapport van mw. [deskundige] blijkt onder meer dat[minderjarig kind] een goede hechting lijkt te hebben met beide ouders en dat beide ouders over goede pedagogische vaardigheden beschikken. Zij zijn zorgzaam voor[minderjarig kind] en geven blijk van affectie, liefde en verantwoordelijkheid ten aanzien van[minderjarig kind]. Door de afstand tussen moeder ([woonplaats 2]) en vader ([woonplaats 1]) is het voor[minderjarig kind] echter niet mogelijk om zijn leven bij zijn moeder te integreren met het leven bij zijn vader. Het is voor partijen als ouders voorts moeilijk wennen om van relatieniveau naar ouderniveau met elkaar om te gaan. Volgens de deskundige lijkt het erop dat[minderjarig kind] het beste af zou zijn als de ouders dichterbij elkaar zouden wonen en de zorg van één ouder niet beperkt blijft tot een weekend. Elke zorgverdeling heeft echter

voor - en nadelen. Als[minderjarig kind] in [woonplaats 2] blijft wonen is het contact met de vader beperkt tot de weekenden en de vakanties omdat de afstand te groot is om op regelmatige basis door de week heen en weer te gaan. Omgekeerd geldt hetzelfde als[minderjarig kind] in [woonplaats 1] bij zijn vader zou wonen en zijn moeder in [woonplaats 2]. Het is volgens de deskundige voor[minderjarig kind] vooral van belang dat partijen de zorgverdeling als een gezamenlijke beslissing aan hem overbrengen, dat sprake is van duidelijkheid en niet van strijd om zorg.

De overwegingen van het hof

9.

Partijen hebben als ouders die gezamenlijk met het ouderlijk gezag over[minderjarig kind] zijn belast hun geschil met betrekking tot de gezagsuitoefening op de voet van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) ter beoordeling in rechte voorgelegd. Het hof dient een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

10.

Volgens vaste rechtspraak dient in een geval als het onderhavige het belang van de minderjarige een eerste overweging te vormen maar dient de rechter daarnaast ook andere belangen en omstandigheden in aanmerking te nemen, zoals:

  • -

    de noodzaak om te verhuizen;

  • -

    de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

  • -

    de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de
    gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te
    verzachten en/of te compenseren;

  • -

    de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

  • -

    de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met
    elkaar in hun vertrouwde omgeving;
    - de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

  • -

    de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en
    na de verhuizing;

  • -

    de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige
    geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen; en

  • -

    de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

11.

Het hof is van oordeel dat met name de noodzaak van de verhuizing onvoldoende aannemelijk is geworden, evenals de mate waarin die verhuizing is doordacht en voorbereid met het oog op het belang van[minderjarig kind] om zoveel mogelijk in zijn vertrouwde sociale omgeving te blijven en met het oog op de continuïteit van de zorg van zijn vader. Het hof is er in dit verband niet van overtuigd geraakt dat de moeder bij haar beslissing om naar [woonplaats 2] te verhuizen ook het belang van[minderjarig kind] voor ogen heeft gehad. Ter zitting van het hof is gebleken dat het veeleer ging om een impulsieve actie van de moeder: zij voelde zich onveilig door de opgelopen spanningen tussen haar en de vader en wilde daarom weg uit zijn directe omgeving. Moeder is hierop met[minderjarig kind] naar [woonplaats 2] verhuisd, een plaats die op zo'n 115 km van [woonplaats 1] ligt.
De moeder stelt dat het zeer moeilijk was om elders in [woonplaats 1] of in de directe omgeving van [woonplaats 1] een betaalbare woning te vinden. Het hof is van oordeel dat de moeder deze stelling gezien de betwisting daarvan door de vader en mede gezien het indertijd door de vader gedane aanbod om een deel van de woonlasten van de moeder te betalen, onvoldoende heeft onderbouwd.
Voorts is het hof niet gebleken zoals de moeder stelt dat zij in [woonplaats 2] haar eigen netwerk en haar familie heeft en het mede met het oog op haar huidprobleem van belang is dat zij zich dicht bij dit netwerk en haar familie diende te vestigen. Weliswaar is de moeder geboren in [woonplaats 2], maar zij heeft deze plaats al op haar negentiende verlaten om zich in [woonplaats 1] te vestigen. De enige familie die de vrouw in [woonplaats 2] heeft zijn haar moeder en haar stiefvader, met welke laatste zij zelfs geen of zeer beperkt contact heeft en ondanks haar huidprobleem heeft zij al vele jaren, verwijderd van haar familie, een bestaan weten op te bouwen in [woonplaats 1]. De verhuizing naar [woonplaats 2] heeft verstrekkende gevolgen gehad voor[minderjarig kind]. Hij is uit zijn vertrouwde omgeving gehaald, heeft van school moeten wisselen, vriendjes moeten opgeven en is op ruime afstand van zijn vader komen wonen waardoor het contact met deze minder is geworden. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder onvoldoende onderbouwd dat er indertijd geen alternatieven waren voor [woonplaats 2] die minder verstrekkende gevolgen hadden voor de minderjarige[minderjarig kind]. Aldus berust de bestreden beschikking naar het oordeel van het hof, ex tunc gezien, niet op een toereikende motivering.

12.

Het hof dient evenwel in hoger beroep het voorliggende verzoek ex nunc te toetsen, te weten aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich thans voordoen.

13.

Daarbij ziet het hof zich thans gesteld voor het feit dat[minderjarig kind] met zijn moeder inmiddels ruim een jaar in [woonplaats 2] woont. Hij gaat sinds 13 februari 2012 in [woonplaats 2] naar school, [school minderjarig kind], waar hij, blijkens stukken overgelegd door de moeder, zijn draai gevonden lijkt te hebben. Hij doet het goed op school, heeft vriendjes en lijkt zich te hebben gesetteld. Er zijn derhalve geen concrete aanwijzingen dat het niet goed gaat met[minderjarig kind] in [woonplaats 2]. Ter zitting van het hof is voorts gebleken dat de moeder, die een Wajonguitkering heeft, een beperkte draagkracht heeft. De deskundige, mevr. [deskundige], heeft in haar rapport benadrukt dat elke zorgverdeling zijn voor- en nadelen heeft. Naar haar mening zou[minderjarig kind] het beste af zijn wanneer zijn ouders weer dichter bij elkaar zouden wonen en de zorg van een der ouders niet beperkt zou blijven tot het weekend. Beide ouders zijn goede ouders voor[minderjarig kind]. Het hof kan zich goed vinden in deze conclusie van de deskundige. De vraag waar het hof voor staat is of het op dit moment in het belang van[minderjarig kind] is om binnen korte tijd weer van woonplaats en daarmee van school en sociale omgeving te veranderen.[minderjarig kind] is een [leeftijd minderjarig kind] jongetje dat in[groep X] van de basisschool zit. Gezien de omstandigheden waaronder ook zijn leeftijd is het hof van oordeel dat het voor [minderjarig kind] nu nog vrij makkelijk is om te veranderen van school en omgeving. Naar het oordeel van het hof wordt dat anders wanneer hij langer op de basisschool zit en helemaal wanneer hij naar het voorgezet onderwijs gaat.[minderjarig kind] heeft immers nog steeds een aanzienlijk deel van zijn sociale activiteiten in [woonplaats 1]. Zo heeft hij daar nog zijn vriendjes en voetbalt hij daar ook nog altijd. In het gesprek met de deskundige heeft deze weliswaar niet kunnen constateren dat[minderjarig kind] in een loyaliteitsconflict zit, maar zij stelt wel vast dat hij vaker spreekt over zijn vader en [woonplaats 1] dan over zijn moeder. Het lijkt zo meent de deskundige dat hij de inbreng van en het contact met zijn vader mist.[minderjarig kind] geeft zelf aan dat het fijn zou zijn als zijn ouders dichter bij elkaar zouden wonen. Hij lijkt moeite te hebben met de twee werelden, met het leven in [woonplaats 2] en het leven in [woonplaats 1]. Hij haalt daarbij een voorbeeld aan van een klasgenootje waar de ouders dichterbij elkaar wonen en dat het fijn is om heen en weer te kunnen fietsen tussen de ouders. Hij geeft in het gesprek met de deskundige verder aan dat hij door de week in [woonplaats 1] zou willen wonen en in het weekend in [woonplaats 2]. Hij mist zijn school in [woonplaats 1] maar is positief over de school in [woonplaats 2] en heeft in beide plaatsen vriendjes. Naar het oordeel van het hof dient met de visie van[minderjarig kind] zoals aangegeven bij de deskundige rekening te worden gehouden, zeker nu de beslissing van de moeder om in februari 2012 van [woonplaats 1] naar [woonplaats 2] te verhuizen niet ingegeven lijkt te zijn door het belang van[minderjarig kind], maar door de spanningen die zij indertijd heeft ervaren tussen haar en de vader van[minderjarig kind]. Gezien de jonge leeftijd van[minderjarig kind] is het hof van mening dat een terugverhuizing naar [woonplaats 1] voor hem nu het minst ingrijpend zal zijn, mede in acht genomen het feit dat hij daar in een voor hem bekende omgeving zal terugkeren. Het hof realiseert zich dat er bij een terugverhuizing van[minderjarig kind] met moeder naar [woonplaats 1] van met name de moeder een grote mentale stap wordt gevraagd. Het hof is er echter van overtuigd dat het belang van[minderjarig kind] in deze zwaarder dient te wegen dan het belang van de moeder.


De slotsom

14.

Het voorgaande betekent dat het hof de bestreden beschikking voor wat betreft de vervangende toestemming zal vernietigen.

  1. De beslissing

    Het gerechtshof:

  2. vernietigt de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, van 30 januari 2012 voorzover het betreft de verzoeken van de vrouw om vervangende toestemming om met de minderjarige te verhuizen naar [woonplaats 2] en hem daar in te schrijven op een basisschool;

  3. en in zoverre opnieuw beslissende:
    wijst deze verzoeken af;


bevestigt de voormelde beschikking voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte;


verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, voorzitter, M.P. den Hollander en F.J. Streppel en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 30 mei 2013 in bijzijn van de griffier.