Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:4008

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
29-08-2013
Zaaknummer
200.124.251
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.124.251

(zaaknummer rechtbank Oost-Nederland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Harderwijk: 508822)

arrest in kort geding van de derde kamer van 4 juni 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A.E. Doornbos.

tegen:

de stichting Stichting Pactum Jeugd- en Opvoedhulp,

gevestigd en kantoorhoudende te Arnhem,

geïntimeerde,

hierna: Pactum,
advocaat: mr. C.M. Hermesdorf.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
19 februari 2013 dat de kantonrechter (rechtbank Oost-Nederland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Harderwijk) tussen [appellant] als eiser en Pactum als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 18 maart 2013 (met grieven),

- de conclusie van eis,

- de memorie van antwoord met producties.

2.2

Vervolgens heeft Pactum de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten.

3.2

[appellant], geboren op [geboortedatum], is sinds 1 mei 2009, laatstelijk in de functie van pedagogisch medewerker B, in dienst van Pactum.

3.3

Op 23 november 2012 is [appellant] met enkele collega’s, onder wie [H] (hierna: [H]), [M], stagiaire (hierna: [M]) en [E], stagiaire (hierna: [E]) wat gaan eten en is een tweetal cafés bezocht.

3.4

Op 25 november 2012 heeft [H] met haar stagebegeleider [V] en haar leidinggevende [HE] gesproken over het gedrag van [appellant] tijdens voormeld etentje en cafébezoek.

3.5

Op 29 november 2012 is [appellant] door Pactum op non-actief gesteld.

3.6

Op 11 december 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Pactum en [appellant] over de gebeurtenissen op 23 november 2012.

3.7

Pactum heeft [appellant] op 13 december 2012 op staande voet ontslagen. De brief met betrekking tot dit ontslag luidt onder meer:
”(…) Naar aanleiding van een melding wegens grensoverschrijdend gedrag uwerzijds richting collega's binnen het team waarin u werkzaam bent, is door Pactum een nader onderzoek ingesteld. (…) In het kader van het onderzoek zijn u en de direct betrokken collega's nader gehoord. (…)
Naar aanleiding van dit onderzoek (…) concludeert Pactum het navolgende:
- U heeft zich op vrijdagavond 23 november 2012 ten opzichte van meerdere collega's grensoverschrijdend gedragen, bestaande uit seksueel getinte aandacht op verbale en non-verbale wijze (zoals ongepaste, seksueel getinte opmerkingen en vragen, het op een bepaalde manier kijken) en lichamelijk gedrag (zoals nootjes in de decolleté gooien, hand op been leggen, arm achterlangs een collega leggen, foto's blijven nemen) richting vrouwelijke collega's/stagiaires, die dat gedrag als ongewenst en onplezierig hebben ervaren.
- Hoewel u door meerdere collega's bent aangesproken op uw grensoverschrijdende gedrag, heeft u hierop niet gereageerd, althans heeft dat niet geleid tot een wijziging van uw gedrag.

- U heeft in de dagen volgend op 23 november jl. what’s app berichten verzonden aan een collega, waarvan de inhoud eveneens een bepaalde, niet gewenste lading heeft en waaruit bovendien blijkt dat u heeft getracht haar te beïnvloeden met als doel uw gedragingen geheim te houden en niet te melden aan uw leidinggevende. In aanmerking genomen dat het hierbij om een collega-stagiair van 19 jaar gaat, waardoor er sprake is van een groot leeftijdsverschil en een ondergeschikte positie, maakt u zich hierdoor schuldig aan machtsmisbruik.

- Door uw ontoelaatbare gedragingen is er een onveilige en onwerkbare werksituatie ontstaan. Terugkeer naar uw werkplek is niet meer mogelijk.

- U heeft de gedragscode van Pactum, met name artikel 2.2.1 i.c.m. 1.2.3. overtreden.

- Er zit een patroon in uw gedragingen; er is inmiddels immers sprake van een reeks van gebeurtenissen waarbij u zich schuldig heeft gemaakt aan vergelijkbaar grensoverschrijdend gedrag zowel naar collega's als naar cliënten, te weten:
* De gebeurtenissen in 2011 in het team [naam]; (…)

* Uw gedrag richting cliënten op de leefgroep [naam], zoals besproken op 18 maart 2011 (…).

* Uw gedrag tijdens het teamuitje in de zomer van 2012 (…).

- Gezien de kwetsbare doelgroep en de leeftijd van de doelgroep waarmee u werkt binnen Pactum alsmede gezien het herhalende patroon in uw gedrag zien wij ernstige risico's voor collega's en cliënten.
De feiten op 23 november jl. en volgende vormen elk afzonderlijk maar ook in samenhang een dringende reden voor dit ontslag op staande voet. Onder meer omdat u zich grensoverschrijdend heeft gedragen richting collega's en/of zich schuldig hebt gemaakt aan machtsmisbruik en/of heeft gehandeld in strijd met de gedragscode en/of heeft gezorgd voor een onmogelijke en/of onveilige werksituatie en/of u zowel uw professionele als functionele werkhouding ernstig in diskrediet heeft gebracht en/of u door uw gedragingen de organisatie van Pactum heeft geschaad.

Uw persoonlijke omstandigheden, zoals onder meer de gevolgen die dit ontslag voor u zal hebben, hebben wij afgewogen tegen de aard en de ernst van de dringende reden. Die afweging tot de slotsom geleid dat een onmiddellijke beëindiging van het dienstverband gerechtvaardigd is. (…)”

3.8

Bij beschikking van 19 februari 2013 heeft de kantonrechter op verzoek van Pactum de arbeidsovereenkomst met [appellant] op grond van een dringende reden ontbonden, zonder toekenning van een vergoeding.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Kern van het geschil vormt de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen vanwege een dringende reden op 23 november 2012 is beëindigd en zo neen, tot welk moment aanspraak bestaat op loondoorbetaling. De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis geoordeeld dat sprake is van een rechtsgeldig verleend ontslag op staande voet en heeft de vorderingen van [appellant] strekkende tot loondoorbetaling en tewerkstelling afgewezen. In hoger beroep komt [appellant] op tegen deze beslissing. De in dit verband door [appellant] aan de orde gestelde vragen zijn: is het ontslag op staande voet onverwijld verleend en is sprake van een dringende reden. De grieven lenen zich daarmee deels voor gezamenlijke bespreking. Gelet op de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 19 februari 2013 ziet de gevorderde loondoorbetaling de facto op de periode
23 november 2012 tot 19 februari 2013 en is de vordering tot tewerkstelling thans niet meer aan de orde. Op de overige vorderingen zal het hof separaat ingaan.

4.2

Voor een toewijzing van voorzieningen als de onderhavige vorderingen moet het in hoge mate waarschijnlijk zijn dat de gelijkluidende vorderingen in een te voeren bodemprocedure zullen worden toegewezen en derhalve dient te worden beoordeeld of al dan niet aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat sprake is van een rechtsgeldig verleend ontslag op staande voet.



Onverwijld

4.3 [appellant] heeft zich met (de toelichting op) grief 8 op het standpunt gesteld dat het ontslag niet onverwijld gegeven is. Hij heeft erop gewezen dat de gestelde gedragingen al op 23 november 2012 hebben plaatsgevonden, dat reeds op 25 november 2012 een leidinggevende van Pactum op de hoogte is gesteld over zijn vermeend grensoverschrijdende gedrag, dat hij pas op 29 november 2012 is geschorst, dat op 4 december 2012 een vijftal gesprekken heeft plaatsgevonden met betrokken collega's, dat pas op 11 december 2012 een gesprek met hem heeft plaatsgevonden, waarna hij op 13 december 2012 op staande voet is ontslagen.
Pactum heeft zich op het standpunt gesteld dat zij voldoende voortvarend heeft gehandeld. De non-actiefstelling met een termijn van twee weken is gekozen in verband met het feit dat zij de werknemer conform cao voor een periode van ten hoogste twee weken op non-actief kan stellen. Voorts heeft onderzoek plaatsgevonden waarbij juridisch advies is ingewonnen en de betrokken collega’s op 4 en 6 december 2012 zijn gehoord. Van deze gesprekken zijn verslagen gemaakt en de collega's hebben gelegenheid gekregen deze aan te passen en/of te corrigeren en te ondertekenen, hetgeen geschiedde in de periode van 9-10 december 2012. Vervolgens is [appellant] op 11 december 2012 gehoord en op 13 december 2012 op staande voet ontslagen.

4.4

Het hof overweegt als volgt. De werkgever dient bij een ernstige verdenking van wat een dringende reden voor ontslag kan zijn, met voortvarendheid te werk te gaan maar zij behoeft zich niet te overhaasten. Zeker bij een ernstige verdenking als de onderhavige is het van belang dat nauwkeurig onderzoek plaatsvindt waarbij zo nauwgezet mogelijk de feiten worden vastgesteld. Dit betekent dat betrokkenen dienen te worden gehoord over hetgeen zich feitelijk heeft afgespeeld. Uit de overlegde verklaringen van de collega’s van [appellant] blijkt dat deze gesprekken hebben plaatsgevonden op 4 en 6 december 2012 zoals Pactum heeft aangevoerd. Voorts blijkt uit de datering van de ondertekeningen door de betrokken medewerkers dat deze hebben plaatsgevonden op 9 en 10 december 2012. Voorts heeft Pactum ervoor gekozen om in het kader van een zorgvuldig onderzoek ook [appellant] zelf te horen hetgeen op 11 december 2012 heeft plaatsgevonden. Gelet op deze chronologie is het hof in dit kort geding vooralsnog van oordeel dat het ontslag onverwijld is verleend. Het hof betrekt bij dit oordeel dat Pactum [appellant] op 29 november 2012 heeft geschorst voor een periode van twee weken, hetgeen een bevestiging oplevert van het gevoelen van Pactum dat het handelen van [appellant], mits dit zou komen vast te staan, een dringende reden voor ontslag zou opleveren. Grief 8 faalt hiermee.

Dringende reden
4.5 De aanleiding voor het ontslag van [appellant] was, naar Pactum heeft aangevoerd, gelegen in de gang van zaken bij voornoemd samenzijn met collega's op 23 november 2012. Men had afgesproken na werktijd met elkaar te gaan eten en drinken. [appellant] kan zich de gang van zaken niet in detail kan herinneren omdat hij, zoals hij heeft aangevoerd, teveel had gedronken. Pactum verwijt [appellant] dat hij zich ten opzichte van meerdere collega’s grensoverschrijdend heeft gedragen. Dit gedrag zou hebben bestaan uit seksueel getinte aandacht op verbale en non-verbale wijze (zoals ongepaste, seksueel getinte opmerkingen en vragen, het op een bepaalde manier kijken) en lichamelijk gedrag (zoals nootjes in het decolleté gooien, hand op been leggen, arm achterlangs een collega leggen, foto's blijven nemen) richting vrouwelijke collega's/stagiaires die dat gedrag als ongewenst en onplezierig hebben ervaren. Pactum heeft naar de gang van zaken een onderzoek ingesteld, waarbij is gebleken dat diverse collega's zich hebben gestoord aan het gedrag van [appellant] en dat hij ondanks opmerkingen van collega's zijn gedrag niet heeft aangepast. Voorts verwijt Pactum [appellant] ook dat hij de stagiaire na afloop met sms-berichten heeft bestookt die de kennelijke strekking hadden haar ertoe te bewegen over het gebeuren te zwijgen.

[appellant] heeft naar voren gebracht dat hij het niet kwaad heeft bedoeld en dat de collega's, in het bijzonder de stagiaire, zich niet seksueel geïntimideerd hebben gevoeld. Voorts heeft hij excuses gemaakt.

4.6

Het hof acht gelet op de overlegde verklaringen van de collega's in dit kort geding voldoende aannemelijk dat de door Pactum aan [appellant] verweten feitelijke gedragingen, die onder meer hebben bestaan uit het seksueel getint aandacht vragen op verbale en non-verbale wijze (zoals ongepaste, seksueel getinte opmerkingen en vragen, het op een bepaalde manier kijken) en lichamelijk gedrag (zoals nootjes in het decolleté gooien, hand op been leggen) richting vrouwelijke collega's/stagiaires die dat gedrag als ongewenst en onplezierig hebben ervaren, hebben plaatsgevonden. Het hof is voorts met Pactum van oordeel dat dit als grensoverschrijdend gedrag moet worden gekwalificeerd. Dat [appellant], zoals de kantonrechter heeft overwogen, zich na afloop van het uitstapje in de auto zou hebben opgedrongen aan de stagiaire [E], een vrouwelijke stagiaire van 19 jaar, acht het hof onvoldoende aannemelijk geworden, maar dit doet niet af aan voorgaand oordeel. Grief 2 slaagt maar leidt, zoals hierna zal blijken, niet tot vernietiging van bestreden vonnis. Dat het uitstapje van [appellant] en zijn collega’s plaatsvond na werktijd doet op zich niets af aan het grensoverschrijdende karakter van de voormelde gedragingen van [appellant], terwijl het hof met Pactum van oordeel is dat het ging om een uitje dat voortvloeide uit de werksituatie, nu het plaats vond met collega's en voorts gevolgen had voor de verhoudingen op de werkvloer, zoals hierna zal blijken.

4.7

Dat [appellant] het niet kwaad bedoeld zou hebben en excuses heeft gemaakt, doet evenmin af aan het grensoverschrijdend karakter van zijn gedragingen. En anders dan [appellant] uit de whatsapp berichtjes van de desbetreffende stagiaire meent af te kunnen leiden, blijkt uit haar door Pactum in eerste aanleg als productie overgelegde verklaring, dat zij wel degelijk geschokt was over het gedrag van [appellant], zoals Pactum heeft aangevoerd. [E] verklaart immers onder meer: " voelt zich onveilig, niet fijn en het maakt haar onrustig op haar stageplaats. Wat moet ik ermee en hoe kom ik er van af. Ze heeft verschillende gesprekken gevoerd met [V] (stagebegeleider van [E]). In eerste instantie kon [E] de gebeurtenissen van vrijdagavond nog aardig parkeren maar na de (privé whatsapp) berichten van zondag kwam het gevoel van vrijdag weer helemaal boven. Vooral de geheimhouding waar [appellant] ([appellant], hof) het in zijn berichten over heeft, baren [E] zorgen. Hij is immers in de 40 en zij maar 19 jaar oud. Zij vindt zijn gedrag niet normaal en voelt zich er niet prettig bij. Bij terugkomst op dinsdag 27 november op haar stageplaats, had [E] een ander gevoel bij [appellant]. Ze had duidelijk het gevoel dat [appellant] iets van haar wilde, hij keek haar anders aan en gaf haar een onprettig gevoel. Zij heeft hierdoor niet zelf gedurfd om (…) [appellant] nog aan te spreken op zijn gedrag, wel heeft ze de gebeurtenissen besproken met een andere stagiaire, stagebegeleider en een collega op haar werkplek.” Het hof is voorts van oordeel dat [appellant] miskent dat de betrokken stagiaire zich, gelet op haar leeftijd en haar positie binnen Pactum, door de whatsapp berichten van [appellant] onder druk gezet voelde zoals blijkt uit haar geciteerde verklaring.

4.8

In het vorenstaande ligt besloten dat de grieven 1, 3, 4 en 5 falen.

4.9

Het hof overweegt dat uit de brief van Pactum van 13 december 2012 (zie onder 3.7), waarbij [appellant] ontslag op staande voet is verleend, blijkt dat Pactum bij haar beslissing heeft betrokken dat er sprake is van een reeks van gebeurtenissen waarbij hij zich schuldig heeft gemaakt aan vergelijkbaar grensoverschrijdend gedrag zowel naar collega's als naar cliënten. Pactum verwijst daartoe naar de gebeurtenissen in 2011 in het team [naam] zoals blijkt uit het gespreksverslag van 11 maart 2011, het gedrag van [appellant] richting cliënten op de leefgroep [naam] zoals besproken op
18 maart 2011 en zijn gedrag tijdens het teamuitje in de zomer van 2012, waarbij wordt verwezen naar verklaringen van een collega.

4.10

Wat betreft het grensoverschrijdende gedrag van [appellant] richting cliënten op de leefgroep [naam] heeft hij de juistheid van het verslag van een gesprek daarover tussen hem en de leidinggevende [VI] (hierna: [VI]) op 18 maart 2011 niet gemotiveerd weersproken, zodat het hof daarvan uitgaat. Uit het verslag van een bespreking van [VI] met drie toenmalige vrouwelijke collega's van 10 maart 2011 blijkt dat deze collega's ernstige problemen ondervonden (in de samenwerking) met [appellant] en niet meer met hem wilden werken. Ze gaven aan dat hij veel ongepaste opmerkingen maakte die vaak met seks te maken hadden en denigrerend waren. Voor zover [appellant] heeft betwist dat hij kennis heeft genomen van bedoeld verslag gaat het hof hieraan voorbij nu uit zijn verklaring van 11 december 2012 blijkt dat hij in elk geval van de inhoud van de klachten van deze collega’s op de hoogte was, hetgeen bevestiging vindt in de verklaring van [H]. [appellant] heeft de juistheid “van het verhaal van toen” weliswaar betwist als onwaar, maar heeft nagelaten hierop concreet in te gaan zodat het hof aan zijn verweer als onvoldoende gemotiveerd voorbijgaat. [appellant] kan worden toegegeven dat destijds naar aanleiding van deze klachten geen sanctie is gevolgd, maar die omstandigheid staat niet in de weg aan de mogelijkheid van Pactum om de genoemde feiten bij de beslissing tot het onderhavige ontslag te betrekken. Immers, het gaat deels om gelijksoortige gedragingen. Uit de - in zoverre onvoldoende door [appellant] weersproken - verklaring van [M], een tweede stagiaire, blijkt voorts dat [appellant] bij gelegenheid van een teamuitje in de zomer van 2012 vergelijkbaar gedrag vertoonde richting de toenmalige stagiaire [I]. Dit is destijds ook besproken met de leidinggevende, aldus [M].

4.11

De rechter mag bij de beoordeling van de objectieve dringendheid van de reden betekenis toekennen aan eerdere voorvallen en gedragingen, indien het voor de werknemer ten tijde van de mededeling van de ontslagreden duidelijk was dat die eerdere gedragingen mede bepalend waren voor het oordeel van de werkgever dat ontslag op staande voet op zijn plaats was. Aan die eis is voldaan niet alleen als die eerdere gedragingen in de meegedeelde ontslagreden zijn aangeduid, maar ook als de werknemer in de gegeven omstandigheden moet hebben begrepen dat eerdere – niet met zoveel woorden aangeduide – gedragingen van hem hebben bijgedragen tot voormeld oordeel van de werkgever. Aan die eisen is in dit geval voldaan.

4.12

[appellant] heeft als verweer tegen het ontslag op staande voet aangevoerd dat zijn persoonlijke omstandigheden zich daartegen verzetten en dat deze niet of onvoldoende zijn meegewogen. De omstandigheid dat uit de functioneringsverslagen een positief beeld van het functioneren van [appellant] naar voren komt, zoals hij heeft aangevoerd, doet niet af aan het eerder geschetste grensoverschrijdende karakter van de gedragingen van [appellant], nog daargelaten dat de beoordeling waarop [appellant] zich in eerste aanleg mede heeft beroepen (productie 14 bij inleidende dagvaarding) dateert van 17 maart 2010 en daarmee niet ziet op de hier in het geding zijnde periode. Het voorgaande geldt ook voor zover [appellant] zich erop heeft beroepen dat hij is gekandideerd voor de Gelderse Jeugdzorg Award 2010 en een tweetal oorkondes van de Kandidaat Jeugdzorg Health 2010 en 2011. Ook de omstandigheid dat een jong kind van een familielid onlangs is overleden brengt, zonder toelichting die ontbreekt, geen ander oordeel met zich. Omtrent de overige persoonlijke omstandigheden van [appellant] is niets aangevoerd of gebleken. Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat de persoonlijke omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal leggen aan de zijde van [appellant]. Het hof tekent hierbij aan dat [appellant] kennelijk inmiddels betaalde arbeid verricht nu hij heeft verklaard dat hij sinds kort een uitbreiding heeft van zijn huidige dienstbetrekking, weliswaar op basis van oproep en voor een lager salaris (appeldagvaarding sub 23). Van een noodsituatie is daarmee kennelijk geen sprake, zulks tegen de achtergrond dat de onderhavige procedure betrekking heeft op het loon over de periode van ruim twee maanden.

4.13

De aard van de verweten gedragingen brengt met zich mee dat, hoewel het ontslag op staande voet als een ingrijpend middel moet worden beschouwd, in dit kort geding niet gebleken is dat dit middel in de onderhavige omstandigheden disproportioneel was.

4.14

Gelet op de onder 4.2 omschreven maatstaf is het hof van oordeel dat het niet in hoge mate waarschijnlijk is dat gelijkluidende vorderingen in een nog te voeren bodemprocedure zullen worden toegewezen en het derhalve niet aannemelijk is geworden dat de bodemrechter tot oordeel zal komen dat sprake is van een niet rechtsgeldig verleend ontslag op staande voet. Daarmee falen de grieven 6, 7 en 9. Gelet op de aard van de onderhavige kort gedingprocedure wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

Inhouding studiekosten
4.15 Met grief 11 komt [appellant] op tegen de afwijzing van de kantonrechter van zijn vordering ter zake van ten onrechte ingehouden studiekosten. Pactum heeft, zo begrijpt het hof, bij de financiële afwikkeling van de arbeidsovereenkomst een bedrag van € 1.640,82 ingehouden op het salaris van [appellant]. Dat ziet op doorbetaling van tegemoetkoming studiekosten. Het hof overweegt als volgt. Uit artikel 33.2 onder punt d van de toepasselijke cao blijkt dat terugbetaling tegemoetkoming studiekosten alleen mogelijk is indien dit bij de aanvang van de studie uitdrukkelijk tussen werkgever en werknemers is overeengekomen of indien dit in de arbeidsovereenkomst is vastgelegd. Het hof stelt vast dat noch in de arbeidsovereenkomst noch in de brief van 25 april 2012 van Pactum aan [appellant], waarbij de afspraak omtrent zijn studie zijn vastgelegd, is overeengekomen dat terugbetaling van de tegemoetkoming studiekosten dient plaats te vinden. Het beroep van Pactum op het Protocol studiefaciliteiten en op de brief van 2 juli 2012 baat haar niet, nu daaruit niet kan worden afgeleid dat tussen partijen een overeenstemming als hiervoor bedoeld is bereikt. Daarmee slaagt deze grief en is de vordering in zoverre toewijsbaar.

4.16

De ook in hoger beroep gevorderde overlegging van de salarisspecificatie van december 2012, tegen welke afwijzing door de kantontrechter overigens geen uitdrukkelijke grief is gericht, is bij gebrek aan belang niet toewijsbaar nu deze specificatie reeds in eerste aanleg (als bijlage 1, vierde pagina) bij het door Pactum overgelegde verzoek om ontbinding is overgelegd en zich overigens ook als productie II bevindt bij de appeldagvaarding van [appellant].

4.17

Gelet op het vorenstaande geldt [appellant] als de in eerste aanleg in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij, zodat het hof met de kantonrechter van oordeel is dat [appellant] met de proceskosten dient te worden belast. Grief 10 faalt.

5 Slotsom

5.1

De grieven falen dan wel leiden niet tot vernietiging, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd, behoudens voor zover de vordering tot terugbetaling van de studiekosten is afgewezen.

5.2

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Pactum zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 683,-

- salaris advocaat € 894,- (1 punt x tarief II ad € 894,-)

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Oost-Nederland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Harderwijk) van 19 februari 2013, behoudens voor zover de vordering met betrekking tot de ingehouden studiekosten is afgewezen, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt Pactum om ten onrechte ingehouden studiekosten ad € 1.640,82 binnen 5 dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest aan [appellant] te betalen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Pactum vastgesteld op € 683,- voor verschotten en op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, M.F.J.N. van Osch en A.A. van Rossum en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2013.