Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:3135

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-05-2013
Datum publicatie
31-01-2014
Zaaknummer
WAHV 200.117.494
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sanctie ter zake van "niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht." Uit de foto's van de gedraging en de gegevens op de inspiegelbeelden daarop blijkt dat de betrokkene met de personenauto met daarachter een (paarden) trailer bij rood licht met een snelheid van 35 km/u de stopstreep is gepasseerd en da thet verkeerslicht alweer groen licht uitstraalde op het moment dat zij dit passeerde. De betrokkene is dus doorgereden en niet gestopt voor het rode verkeerslicht. Hier doet zich niet de situatie voor de gedraging met feitcode R620. Daarvoor is vereist dat is komen vast te staan dat de betrokkene het voertuig tot stilstand heeft gebracht, zij het na de stopstreep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2014/81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.117.494

2 mei 2013

CJIB 151872160

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Groningen

van 15 oktober 2012

betreffende

[de betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te Huizinge.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Groningen genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1.

Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 180,- opgelegd ter zake van “Niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 25 april 2011 om 08.38 uur op de Friesestraatweg te Groningen met het voertuig met het kenteken WV-34-KB.

2.

De betrokkene voert ten eerste aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de officier van justitie de wettelijke beslistermijn van 16 weken in acht heeft genomen. Voorts wijst de betrokkene erop dat op de eerste foto die van de gedraging is gemaakt weliswaar is te zien dat het voor haar geldende verkeerslicht rood licht uitstraalde, maar dat haar voertuigcombinatie zich toen nog vóór de kruising en het verkeerslicht bevond, en dat op de tweede foto is te zien dat het verkeerslicht op het moment dat zij dit passeerde (inmiddels) groen licht uitstraalde. De betrokkene vraagt zich dan ook af of de fotoapparatuur wel naar behoren werkte. Zij merkt daarbij op dat zij daarom heeft verzocht om het ijkrapport van de fotoapparatuur in te zien, maar dat dit niet mogelijk bleek te zijn. Voorts stelt de betrokkene dat haar, gelet op deze foto's, ten hoogste kan worden verweten dat zij haar voertuig niet voor de stopstreep tot stilstand heeft gebracht; dit betreft een gedraging met een andere feitcode en een lager sanctiebedrag. De betrokkene heeft in haar eerdere beroepschriften nog aangevoerd dat zij, mede gelet op de omstandigheid dat zij in de trailer achter haar voertuig een paard vervoerde, niet in staat was om de voertuigcombinatie vóór de stopstreep tot stilstand te brengen en voorts dat er ten tijde van de gedraging geen ander verkeer was, zodat zij geen hinder of gevaar heeft veroorzaakt voor anderen.

3.

Met betrekking tot de klacht van de betrokkene dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de officier van justitie de wettelijke beslistermijn van 16 weken in acht heeft genomen, overweegt het hof als volgt. Naar het hof begrijpt doelt de betrokkene hiermee op de beslistermijn van artikel 7:24 Algemene wet bestuursrecht. Deze termijn betreft echter geen termijn van openbare orde; de wet verbindt (dus) aan het overschrijden van deze termijn geen gevolgen. Afgezien daarvan is ten aanzien van de beslissing van de officier van justitie, die dateert van 28 november 2011, geen sprake van overschrijding van de beslistermijn, in aanmerking genomen dat de beroepstermijn eindigde op 21 juni 2011 en de officier van justitie, anders dan de betrokkene meent, bij schrijven d.d. 9 oktober 2011 gebruik heeft gemaakt van de in het vierde lid gegeven mogelijkheid om deze termijn te verlengen. Hoewel aan de betrokkene kan worden toegeven dat het oordeel van de kantonrechter dat de officier van justitie binnen een termijn van 16 weken heeft beslist feitelijk onjuist is, zal het hof hieraan, gelet op het voorgaande, geen gevolgen verbinden.

4.

In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

5.

De ambtsedige verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, houdt zakelijk weergegeven in dat met behulp van een lusdetector is vastgesteld dat het voertuig met voormeld kenteken op voormelde datum, tijd en plaats het rode verkeerslicht is gepasseerd terwijl dat licht reeds 1,2 seconden brandde.

6.

Het is het hof ambtshalve bekend dat gedragingen als de onderhavige worden geconstateerd met behulp van een lusdetector, die door twee achter elkaar liggende inductielussen in het wegdek wordt geactiveerd indien een voertuig bij rood licht de stopstreep passeert. Bij een dergelijke constatering worden van iedere gedraging twee foto's gemaakt, één seconde na elkaar. De film waarop die foto's staan wordt vervolgens door een opsporingsambtenaar bekeken op een monitor van beeldschermformaat.

7.

Het dossier bevat twee foto's van de gedraging met een inspiegelbeeld, en daarboven een kader met nadere gegevens; voorts bevinden zich in het dossier een foto met een uitvergroting van het kenteken en een foto met een uitvergroting van het inspiegelbeeld van de eerste foto. Uit de gegevens in het kader boven de foto's blijkt dat de foto's zijn gemaakt op de onder 1 genoemde datum, tijd en plaats. Op de eerste foto van de gedraging is een personenauto met daarachter een (paarden)trailer- te zien; deze voertuigcombinatie is grotendeels de stopstreep gepasseerd, dat wil zeggen dat de personenauto de stopstreep is gepasseerd terwijl de wielen van de trailer nog boven op de stopstreep staan; voorts is op deze foto te zien dat het bovenste (rode) verkeerslicht brandt. Op de tweede foto van de gedraging, die kort daarna is gemaakt, bevindt de voertuigcombinatie zich vlak onder het verkeerslicht, terwijl het onderste licht daarvan groen licht uitstraalt. Uit de gegevens op de inspiegelbeelden boven deze foto's blijkt dat op het moment dat het voertuig de stopstreep passeerde het verkeerslicht 4 seconden geel licht en 1,2 seconde rood licht zou hebben uitgestraald en dat het voertuig op dat moment een snelheid van 35 kilometer per uur had. Volgens de uitvergroting van het kenteken betreft het voertuig met kenteken WV-34-KB.

8.

Met de betrokkene kan worden vastgesteld dat de officier van justitie in zijn beslissing abusievelijk heeft aangegeven dat de duur van de geellichtfase 3 seconden bedroeg. Nu is gesteld noch gebleken dat de betrokkene hierdoor in enig verdedigingsbelang is geschaad, zal het hof hieraan geen gevolgen verbinden.

9.

Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding er aan te twijfelen dat de apparatuur correct functioneerde. De enkele omstandigheid dat op de tweede foto is te zien dat het verkeerslicht groen licht uitstraalde, is daartoe onvoldoende. Dat het dossier geen ijkrapport bevat van de apparatuur waarmee de gedraging is geregistreerd, leidt evenmin tot twijfel. Zoals de kantonrechter heeft overwogen, schrijft geen wettelijke bepaling voor dat het ijkrapport deel moet uitmaken van het dossier. Dat de betrokkene op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) recht kan hebben op dat stuk, maakt dat niet anders, aangezien een dergelijk recht op zichzelf niet meebrengt dat de rechter in een WAHV-zaak dat stuk in zijn beoordeling dient te betrekken. Dat is slechts anders indien redelijkerwijs twijfel bestaat over de aspecten waarop die informatie betrekking heeft. Dat is hier niet het geval. Nu uit het dossier evenmin blijkt van feiten en omstandigheden die aanleiding geven te twijfelen aan de correcte werking van de gebruikte apparatuur, zal het hof daarvan uitgaan van de juistheid van de aldus verkregen, onder 7 vermelde, gegevens.

10.

De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 62 in verbinding met artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

11.

Artikel 68, eerste lid, van het RVV 1990 houdt in, voor zover hier van belang:

“Bij driekleurige verkeerslichten betekent: (…)

c. rood licht: stop.”

12.

Artikel 79 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) schrijft voor dat indien stoppen op grond van het RVV 1990 verplicht is, dit dient te geschieden voor de voor de bestuurder bestemde stopstreep.

13.

Uit de voorgaande bepalingen volgt dat de gedraging “niet stoppen voor rood licht” moet worden geacht te zijn verricht indien komt vast te staan dat het desbetreffende voertuig voor rood licht niet is gestopt voor de stopstreep (vgl. HR 7 juni 1994, DD 1994, 381).

14.

Gelet op het voorgaande, en op hetgeen de betrokkene daaromtrent zelf naar voren heeft gebracht, blijkt dat de betrokkene op voormelde datum, tijd en plaats met het voertuig met voormeld kenteken niet is gestopt voor het rode licht. Daarmee is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de onder 1 vermelde gedraging is verricht.

15.

Anders dan de betrokkene meent, doet zich hier niet de situatie voor dat slechts een sanctie had kunnen worden opgelegd voor de gedraging met feitcode R620, die inhoudt dat de betrokkene haar voertuig niet voor de stopstreep tot stilstand heeft gebracht. Immers, van die gedraging kan slechts sprake zijn indien is komen vast te staan dat de betrokkene het voertuig -zij het na de stopstreep- tot stilstand heeft gebracht. Nu de betrokkene -zoals zij zelf heeft aangegeven- in het geheel niet is gestopt voor het (rode) verkeerslicht, maar is doorgereden, laat dit geval zich niet vergelijken met dat waarin de roodlicht-gedraging beperkt blijft tot het overschrijden van de stopstreep. Dat op de tweede foto is te zien dat het betreffende verkeerslicht intussen groen licht was gaan uitstralen, maakt dat niet anders.

16.

Vervolgens dient het hof te beoordelen of er sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het opleggen van een sanctie niet billijk is dan wel dat matiging van het bedrag van die sanctie gerechtvaardigd is.

17.

Op grond van artikel 2, derde lid, WAHV is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze in hoge mate tariefsmatige afdoening van gedragingen brengt mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde tarieven af te wijken.

18.

Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van zulke bijzondere omstandigheden. Voor zover de betrokkene wil aanvoeren dat zij niet meer heeft kunnen stoppen voor rood licht omdat de duur van de geellichtfase te kort was en daarmee een beroep doet op overmacht, overweegt het hof als volgt. In beginsel dient er van te worden uitgegaan dat de duur van de geellichtfase, uitgaande van de toegestane maximumsnelheid en van de veronderstelling dat het voertuig beschikt over de voorgeschreven bedrijfsrem, lang genoeg is om dat voertuig op verantwoorde wijze tijdig voor het rode licht tot stilstand te brengen. In aanmerking genomen dat uit het inspiegelbeeld bij de foto's blijkt dat de geellichtfase in dit geval 4 seconden bedroeg, ziet het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te betwijfelen of daar in dit geval van mag worden uitgegaan. Daarbij geldt dat van een bestuurder mag worden verwacht dat hij te allen tijde in staat is het voertuig tijdig en op verantwoorde wijze voor een verkeerslicht tot stilstand te brengen. Een bestuurder dient immers te anticiperen op een naderend verkeerslicht en zijn snelheid zodanig aan te passen dat tijdig kan worden gestopt. Dat geldt temeer, indien de betrokkene bijzondere lading vervoert, zoals in dit geval. Dat de duur van de geellichtfase in de beleving van de betrokkene te kort was betreft dan ook een omstandigheid die voor eigen rekening en risico van de betrokkene komt. Het beroep op overmacht wordt daarom verworpen.

19.

De omstandigheid dat de betrokkene met haar handelwijze geen gevaar of hinder voor andere weggebruikers heeft veroorzaakt betreft ook geen omstandigheid die aanleiding geeft af te wijken van de vastgestelde tarieven. Het verrichten van een gedraging als deze kan namelijk op zichzelf al het opleggen van een sanctie rechtvaardigen. Daarvoor is dus niet van belang of door de gedraging sprake is geweest van gevaar of hinder.

20.

Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.