Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:10385

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-07-2013
Datum publicatie
11-03-2014
Zaaknummer
200.113.593
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 11, lid 1 en lid 3, WAHV. De taak van de officier van justitie met betrekking tot de verplichting tot zekerheidstelling is beperkt. In de zekerheidsbrief staat dat de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk

"kan" verklaren indien niet (tijdig) zekerheid wordt gesteld. Dat is correct en voldoende. De betrokkene kan daaraan niet de verwachting ontlenen dat er een gerede kans bestaat dat dit niet zal gebeuren als geen zekerheid wordt gesteld. De CVOM hoeft niet spontaan te wijzen op de mogelijkheid dat een draagkrachtverweer kan worden gevoerd. Ingeval van een telefonisch verzoek om vrijstelling of vermindering van zekerheidstelling dient de CVOM erop te wijzen dat een draagkrachtverweer schriftelijk moet worden gevoerd of een telefoonnotitie in het dossier te voegen ter kennisneming van de kantonrechter. In dit geval hoefde de officier van justitie ook niet te reageren op een brief waarin de betrokkene reageert op een zekerheidsbrief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.113.593

10 juli 2013

CJIB 156816968

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Haarlem

van 3 augustus 2012

betreffende

H. Valk (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [plaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. H. Elmas,

kantoorhoudende te Zaandam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Haarlem genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 26 juni 2013. De betrokkene en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. M. Heida.

Beoordeling

1.

De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene niet binnen de in artikel 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat de betrokkene evenmin binnen een nader gestelde termijn dit verzuim heeft hersteld.

2.

De gemachtigde van de betrokkene voert aan - zakelijk weergegeven - dat de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld, omdat hij met betrekking tot die verplichting ontoereikend is geïnformeerd door de officier van justitie. In de brieven die de betrokkene in dit verband van de CVOM heeft ontvangen is vermeld dat de kantonrechter het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk kan verklaren ingeval de zekerheidstelling niet binnen de daartoe gestelde termijn is voldaan. De betrokkene had niet hoeven begrijpen dat dit ook daadwerkelijk zou gebeuren, zo meent de gemachtigde. Daar komt bij dat in de zekerheidsbrieven niet kenbaar is gemaakt dat de verplichting tot zekerheidstelling kan worden opgeheven op grond van financieel onvermogen. Als de betrokkene dat had geweten, had hij een daartoe strekkend verzoek kunnen doen. Voorts heeft de betrokkene uit de zekerheidsbrieven niet kunnen afleiden dat het stellen van zekerheid iets anders is dan het voldoen van de sanctie; hij meende dat hij werd aangespoord de sanctie alvast te voldoen, terwijl hij eerst wilde dat de zaak door de kantonrechter zou worden beoordeeld. De gemachtigde meent dat deze veronderstellingen de betrokkene - die een leek is op juridisch gebied - niet kunnen worden aangerekend.

Naar aanleiding van de zekerheidsbrieven heeft de betrokkene telefonisch contact gehad met de CVOM. Op grond van eigen aantekeningen van de betrokkene stelt de gemachtigde dat de betrokkene ook na dit telefonisch contact het karakter van de zekerheidstelling niet duidelijk is geworden. Ook blijkt niet dat de betrokkene in dit gesprek is meegedeeld dat hij zich kon beroepen op financieel onvermogen.

Voorts klaagt de gemachtigde erover dat de betrokkene de CVOM niet heeft gereageerd op de brief van de betrokkene van 13 april 2012. De gemachtigde meent dat deze brief van de betrokkene moet worden aangemerkt als een aanvraag tot het nemen van een besluit en dat de CVOM (althans: de officier van justitie) tot op heden in gebreke is gebleven dat besluit te nemen.

Tenslotte voert de gemachtigde nog aan dat de betrokkene op leeftijd is, dat zijn vrouw problemen heeft met haar gezondheid en dat zij geen financiële middelen hebben.

3.

Ingevolge de laatste volzin van artikel 11, derde lid, van de WAHV wordt, indien niet tijdig zekerheid is gesteld, het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit betekent dat de kantonrechter - behoudens de situatie dat sprake is van verschoonbaar niet-tijdig stellen van zekerheid - de bezwaren tegen de oplegging van de administratieve sanctie pas kan behandelen, wanneer een betrokkene tijdig zekerheid heeft gesteld.

4.

De officier van justitie heeft de betrokkene bij brieven van 10 april 2012 en 27 april 2012 gewezen op de wettelijke verplichting om vóór de behandeling van het beroepschrift door de kantonrechter zekerheid te stellen voor het bedrag van de opgelegde sanctie en de administratiekosten. Het hof stelt vast dat beide brieven voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Beide brieven vermelden dat binnen twee weken na de dag van verzending van de brief zekerheid moet zijn gesteld door middel van betaling aan het CJIB. Tevens is vermeld dat, indien niet (tijdig) zekerheid wordt gesteld, de kantonrechter het beroep niet ontvankelijk kan - in plaats van zal - verklaren. Aldus is op verkorte wijze weergegeven wat in de laatste volzin van artikel 11, derde lid, van de WAHV is bepaald. De zekerheidsbrief begint met te wijzen op de wettelijke verplichting tot zekerheidstelling. De betrokkene kan dus aan het feit, dat in de brief staat, dat de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk "kan" verklaren niet de verwachting ontlenen, dat er een gerede kans is dat dit niet zal gebeuren, indien geen zekerheid wordt gesteld. Daar komt nog bij, dat een verdergaande formulering in de brieven van de officier van justitie -erop neerkomende dat de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren indien niet tijdig zekerheid is gesteld- rechtens niet mogelijk is nu het aan de kantonrechter - en niet aan de officier van justitie - is om consequenties aan het niet tijdig stellen van zekerheid te verbinden.

5.

Het vorenoverwogene in aanmerking genomen, is niet aannemelijk geworden dat bij de betrokkene enige - aan de officier van justitie toe te rekenen - onduidelijkheid met betrekking tot de verplichting tot zekerheidstelling is ontstaan. De stelling van de gemachtigde, dat de betrokkene in dit verband ontoereikend zou zijn geïnformeerd bij een telefonisch contact met de CVOM, maakt dat niet anders. Deze stelling is niet nader onderbouwd, zodat niet valt na te gaan welke informatie aan de betrokkene is verstrekt. Wat daar verder echter ook van zij, uit de eigen aantekeningen van de betrokkene blijkt in ieder geval dat hem na dat telefoongesprek duidelijk was dat het bedrag van de beschikking moest worden voldaan. Indien het de betrokkene niettemin nog niet duidelijk was dat slechts na voorafgaande tijdige zekerheidstelling de kantonrechter tot een inhoudelijke behandeling van zijn bezwaren tegen de opgelegde sanctie kon komen, had het op zijn weg gelegen informatie in te winnen bij een rechtskundig adviseur. Dat de betrokkene dit heeft nagelaten moet voor zijn rekening en risico blijven.

6.

De opvatting van de gemachtigde dat de zekerheidsbrieven een zinsnede zouden moeten bevatten met de strekking dat een beroep op het ontbreken van financiële draagkracht kan leiden tot het verminderen of achterwege laten van de zekerheidstelling door de kantonrechter vindt geen steun in het recht. In het verlengde hiervan valt ook geen rechtsregel aan te wijzen die meebrengt dat de betrokkene in het telefonisch contact met de CVOM spontaan, zonder dat daartoe op grond van hetgeen de betrokkene naar voren brengt aanleiding bestaat, gewezen had moeten worden op de mogelijkheid om een draagkrachtverweer te voeren. Het is aan de betrokkene om zelf feiten en/of omstandigheden aan te voeren die kunnen leiden tot de verschoonbaarheid van het niet (tijdig) stellen van zekerheid.

7.

In het kader van de procedure met betrekking tot artikel 11 WAHV, voor zover hier van belang, is de taak van de officier van justitie beperkt tot het doen uitgaan van de mededelingen omtrent de zekerheid en het toesturen van de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de kantonrechter. Dit brengt mee dat het op de weg van een betrokkene ligt om, na ontvangst van de zekerheidsbrieven, feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot de verschoonbaarheid van het niet (tijdig) stellen van zekerheid, schriftelijk aan de officier van justitie te doen toekomen, die op zijn beurt dat schrijven van de betrokkene - op de voet van artikel 11, eerste lid, van de WAHV - aan de kantonrechter ter kennis moet brengen. Verder is de officier van justitie gehouden om, indien de betrokkene telefonisch verzoekt om vrijstelling of vermindering van zekerheid in verband met het ontbreken van financiële draagkracht, de betrokkene hetzij in dat gesprek erop te wijzen dat een dergelijk verzoek schriftelijk moet worden gedaan, hetzij een telefoonnotitie in het dossier te voegen, opdat de kantonrechter van het verzoek kennis kan nemen. Gesteld noch gebleken is dat in dit opzicht de officier van justitie te kort is geschoten.

8.

De betrokkene heeft bij brief van 13 april 2012 aan de officier van justitie bezwaar gemaakt tegen de verplichting tot zekerheidstelling omdat een eerdere soortelijke zaak (zonder voorafgaande zekerheidstelling) is geseponeerd, en aangegeven (eventueel) zekerheid te stellen als de officier van justitie zijn vragen met betrekking tot de mogelijkheden van schorsing van de geldigheid van een kentekenbewijs heeft beantwoord. De officier van justitie heeft deze brief gevoegd in het dossier, dat ter kennis is gebracht van de kantonrechter. Naar het oordeel van het hof brengt het feit dat de officier van justitie niet in de richting van de betrokkene op deze brief heeft gereageerd, niet mee dat sprake is van een verzuim van de officier van justitie. De brief van de betrokkene van 13 april 2012 kan niet anders worden gezien dan als een reactie van de betrokkene op de zekerheidsbrief van 10 april 2012, die voor wat betreft inhoud en strekking in het verlengde ligt van de inhoud van zijn eerdere beroepschrift aan de kantonrechter. Gegeven de hierboven weergegeven taak van de officier van justitie in deze procedure is terecht volstaan met voeging van dit stuk in het dossier dat ter kennis is gebracht van de kantonrechter. De brief kan niet worden gezien als verzoek aan de officier van justitie om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om terug te komen op zijn beslissing en de betrokkene geheel of gedeeltelijk tegemoet te komen, noch anderszins als aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht worden aangemerkt. Dit bezwaar van de gemachtigde treft derhalve geen doel.

9.

De betrokkene heeft in de procedure bij de kantonrechter geen beroep op financieel onvermogen gedaan. Eerst in hoger beroep is gewag gemaakt van de financiële situatie van de betrokkene. Het is naar het oordeel van het hof - behoudens in geval van bijzondere omstandigheden, waarvan in deze zaak niet is gebleken - in strijd met de beginselen van een goede procesorde dat in hoger beroep voor het eerst wordt aangevoerd, dat zekerheidstelling niet kan plaatsvinden op grond van te geringe draagkracht. Immers, ook van een niet professionele procespartij mag worden verwacht dat op de toegezonden zekerheidsbrieven wordt gereageerd door ofwel de gevraagde zekerheidstelling te verschaffen ofwel uiteen te zetten, dat en waarom men op financiële gronden hiertoe niet kan overgaan.

10.

Gelet op het voorgaande leidt hetgeen door en namens de betrokkene is aangevoerd het hof niet tot de conclusie dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. De kantonrechter heeft het beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de bestreden beslissing bevestigen en kan dus, net als de kantonrechter, niet toekomen aan een beoordeling van de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie.

11.

Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

12.

Het hof stelt nog vast dat ten onrechte op 22 oktober 2012 de eerste verhoging is toegepast. De gemachtigde heeft immers bij brief van 14 september 2012, ontvangen op 18 september 2012, hoger beroep ingesteld. De verhoging dient dan ook ongedaan te worden gemaakt.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af;

bepaalt dat de aan de betrokkene opgelegde eerste verhoging van de sanctie ad € 155,- door de advocaat-generaal ongedaan wordt gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.