Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:10370

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
28-02-2014
Zaaknummer
21-005169-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2011:3985, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005169-11

Uitspraak d.d.: 11 december 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 22 december 2011 met parketnummer 16-994028-10 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats].

1 Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

2 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 6 december 2012, 16, 17 en 30 oktober 2013 en 27 november 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. L.J. Woltring, naar voren is gebracht.

3. Ontvankelijkheid van het beroep1

3.1.

Door de raadsman is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard vanwege het inbrengen in het strafdossier van onrechtmatig verkregen administratie, boekhoudgegevens en verklaringen van (mede-) verdachten.

De verdediging voert daartoe aan dat mogelijk door de belastingdienst controle-bevoegdheden zijn toegepast, terwijl zij al een redelijk vermoeden van schuld van het plegen van strafbare feiten zou hebben.

3.2

Door de verdediging wordt ter onderbouwing van voornoemd standpunt het navolgende aangevoerd.

[naam], die valt onder de Belastingdienst Hollands Midden, kondigt op 8 februari 2008 een boekenonderzoek bij [medeverdacht bedrijf 3] aan, dat op 30 mei 2008 plaatsvindt.

Daar treft hij facturen van [medeverdacht bedrijf 1] en [medeverdacht bedrijf 1] aan, naar aanleiding waarvan hij bij brief van 12 november 2008 een controle aankondigt bij [medeverdacht bedrijf 1].

Op 30 mei 2008 vindt dus het boekenonderzoek plaats bij [medeverdacht bedrijf 3].

Gelijktijdig, vanaf mei tot 9 juli 2008, loopt een strafrechtelijk onderzoek, waarin [medeverdacht bedrijf 3] in beeld komt.

Eind 2008 lopen de werkzaamheden van de belastingdienst, van de FIOD/ECD en van VROM-IOD door elkaar heen. Het is de verdediging niet vergund door middel van het horen van alle opgegeven getuigen helderheid te krijgen over de toentertijd bestaande onderlinge contacten tussen deze instanties, waardoor de verdediging ernstig in haar belangen is geschaad.

3.3.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gesteld dat het openbaar ministerie zich niet kan vinden in de aannames en veronderstellingen van de verdediging en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

3.4

Overweging hof

3.4.1

Niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie bij vormverzuimen is volgens vaste jurisprudentie slechts in die gevallen aan de orde als sprake is van een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen te kort is gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak. Hierbij moet van geval tot geval beoordeeld worden of en in hoeverre de verdachte bij een vormverzuim in zijn belangen is geschaad.

3.4.2

De door de verdediging geschetste feiten en omstandigheden hebben geen betrekking op verdachte zelf. Voor zover al door de belastingdienst controlebevoegdheden zijn aangewend ten behoeve van de opsporing, kan verdachte geen beroep doen op schending van rechtsbeginselen nu die mogelijke schending dan jegens een ander of anderen dan de verdachte heeft plaatsgevonden en verdachte daardoor niet in haar belang geschaad is. Het verweer wordt verworpen.

3.4.3.

Ten overvloede overweegt het hof het volgende.

3.4.3.1 Het bestaan van een redelijk vermoeden dat iemand zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit staat niet in de weg aan het uitoefenen van controlebevoegdheden door belastingambtenaren, mits bij aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat deze waarborgen in de onderhavige zaak niet in acht zijn genomen. Het hof overweegt hieromtrent dat het bij de beoordeling van de vraag of aan een verdachte de cautie moet worden gegeven, er om gaat of sprake is van een verhoorsituatie als bedoeld in art. 29 van het Wetboek van Strafvordering, waarin verdachte naar zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit wordt gevraagd. Daarvan was bij dit boekenonderzoek geen sprake

3.4.3.2 Ook indien, zoals door de verdediging is betoogd, niet uit te sluiten valt dat lopende het onderzoek onder de naam Rembrandt door verbalisanten handelingen zijn verricht die niet stroken met de strafvorderlijke richtlijnen -het hof ziet hiervoor noch ambtshalve noch door hetgeen door de verdediging is aangedragen concrete aanwijzingen- leidt dit niet tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie nu niet is gebleken dat dit heeft geleid tot bewijsmateriaal dat zijn bestaan uitsluitend ontleent aan de wil van de verdachte.

4 Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

5 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  • -

    als leidinggevende samen met anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd (feiten 1, 3 en 5)

  • -

    als leidinggevende samen met anderen diverse geldbedragen heeft witgewassen (feiten 2, 4 en 6)

  • -

    samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 7).

6 Overweging met betrekking tot het bewijs

6.1.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

6.2

Voor de leesbaarheid van het arrest zal het hof in de bewijsoverwegingen waar nodig de verdachte en haar medeverdachten in deze zaak, te weten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdacht bedrijf 1] (hierna: [medeverdacht bedrijf 1]), [medeverdacht bedrijf 2], [medeverdacht bedrijf 3] (handelende onder de naam [medeverdacht bedrijf 3], hierna te noemen [medeverdacht bedrijf 3]) en [medeverdacht bedrijf 4], niet aanduiden als ‘verdachte’ of ‘de verdachte’, of als (de) “medeverdachte(n)“, maar verwijzen naar zijn/haar/hun naam, en daarbij zo nodig tevens zijn (mede)verdachtes, voorletters of voornaam vermelden.

6.3

Naar aanleiding van een klokkenluidersmelding dat medewerkers van [naam woningbouwvereniging] samen met een projectontwikkelaar, te weten, [medeverdacht bedrijf 3], betrokken waren bij fraude met vastgoedprojecten, het versturen van valse facturen voor werkzaamheden die niet zijn verricht en het afromen van ten onrechte of te veel betaalde bedragen via constructies met besloten vennootschappen, is door de VROM-IOD een onderzoek genaamd Rembrandt ingesteld. De Raad van Toezicht van [naam woningbouwvereniging] zou door deze constructies zijn bewogen tot onder meer de aankoop van de projecten [project 1], [project 2] en [project 3].

6.3.1

Het Rembrandt-onderzoek richt zich op de directeur van woningbouwvereniging [naam woningbouwvereniging], [medeverdachte 1], die er van wordt verdacht dat hij met projectontwikkelaar [medeverdachte 2] van [medeverdacht bedrijf 3] ([medeverdacht bedrijf 3]) aan de Raad van Toezicht van [naam woningbouwvereniging] projecten heeft voorgesteld tegen een te hoge prijs en/of daarbij de aan de projecten verbonden risico’s heeft verzwegen. Uit het onderzoek komt het vermoeden naar voren dat een deel van de door [naam woningbouwvereniging] voor deze projecten betaalde gelden tussen [medeverdachte 2], [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 3], zijn verdeeld en via een speciaal daartoe opgerichte besloten vennootschap, [medeverdacht bedrijf 1], zijn witgewassen. Vanuit deze laatste B.V. zouden valse facturen zijn verstuurd voor het dragen van risico en het verrichten van werkzaamheden, terwijl daarvan in werkelijkheid geen sprake is geweest.

6.3.2.

Betrouwbaarheid verklaring [medeverdachte 3]

Voor de bewezenverklaring van tenlastegelegde feiten bezigt het hof onder meer de verklaringen van [medeverdachte 3], afgelegd tegenover de verbalisanten van VROM-IOD.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 3] niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, omdat zij gemakkelijk te beïnvloeden is, onder druk is gezet en mede door onjuiste informatieverschaffing door de verbalisanten tijdens de verhoren, in strijd met de waarheid heeft verklaard.

Het hof verwerpt dit verweer.

[medeverdachte 3] heeft tijdens de verhoren door de VROM-IOD de mogelijkheid heeft gehad om haar advocaat te raadplegen. Zij heeft consequent verklaard en de inhoud van haar verklaringen herhaald ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank ten tijde van de inbewaringstelling.

De door de verdediging aangehaalde feiten en omstandigheden waaruit -aldus de verdediging- afgeleid kan worden dat de verhoren van [medeverdachte 3] door de verbalisanten van VROM-IOD beïnvloed dan wel gestuurd zouden zijn, zijn onvoldoende duidelijk en concreet om te kunnen oordelen dat er geen sprake was van een objectief en gedegen onderzoek gericht op de waarheidsvinding. Het hof is niet van het voorhouden van onjuiste feiten en/of omstandigheden tijdens haar verhoren gebleken.

Dat bij de verhoren van enige druk sprake is, is begrijpelijk in het licht van het zoeken naar de waarheid. Dit wordt anders indien er sprake is van ontoelaatbare druk. Dit is gesteld noch gebleken. Het hof is dan ook van oordeel dat er geen reden is om de verklaringen van [medeverdachte 3] van het bewijs uit te sluiten. Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte 3] voldoende betrouwbaar om deze tot bewijs te bezigen.

Dat [medeverdachte 3] naderhand haarverklaringen heeft afgezwakt maakt dit oordeel niet anders.

6.3.3.

[medeverdacht bedrijf 4]

[medeverdacht bedrijf 4] is op 18 september 2000 opgericht. Vanaf de oprichting tot 22 mei 2003 was [verdachte] bestuurder/enig aandeelhouder van de BV. In de periode van 23 mei 2003 tot 29 december 2006 staat [medeverdachte 1] als zodanig vermeld, waarna [verdachte] weer bestuurder/ enig aandeelhouder werd.

6.3.4.

[medeverdacht bedrijf 1]

6.3.4.1. De oprichting en de certificering van de aandelen van [medeverdacht bedrijf 1]

Op 30 september 2005 wordt [medeverdacht bedrijf 1], vanaf 31 mei 2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1], gevestigd te [plaats] opgericht door [verdachte]. Bij de oprichting wordt [verdachte] enig aandeelhouder van de vennootschap, terwijl haar levenspartner [medeverdachte 3] enig bestuurder wordt. Het totaal geplaatst aandelenkapitaal van [medeverdacht bedrijf 1] is € 18.150,- en [verdachte] verkrijgt alle 726 uitgegeven aandelen. Op dezelfde dag wordt door [verdachte] [stichting 1] opgericht, waarvan zij enig bestuurder wordt. De aandelen van [medeverdacht bedrijf 1] worden dezelfde dag nog gecertificeerd en in [stichting 1] ondergebracht.

Op het bankrekeningnummer van [medeverdacht bedrijf 1] wordt op 15 september 2005 een bedrag ter grootte van € 19.000,- bijgeschreven. De betaling is afkomstig van [bedrijf 1] en is voorzien van de omschrijving “Spoedopdracht.” [verdachte] verklaart over deze betaling dat deze de verstrekking van een lening betreft door [bedrijf 1], een bedrijf van [medeverdachte 2]. Deze lening is korte tijd later door [medeverdacht bedrijf 1] terugbetaald.

6.3.4.2. De overdracht van aandelen aan [betrokkene]

Bij brief d.d. 10 augustus 2005 aan notaris [notaris] betreffende “Oprichting van [medeverdacht bedrijf 1]” schrijft de registeraccountant [accountant] dat [verdachte] [medeverdacht bedrijf 1] wil oprichten en dat zij de aandelen van deze BV wil certificeren en de certificaten voor 45/55e deel tegen nominale waarde wil overdragen aan haar broer, de heer [medeverdachte 1], hetgeen inhoudt 594 certificaten met een nominale waarde van totaal € 14.850,-. [accountant] verzoekt notaris [notaris] de stukken in concept op te maken op basis van deze gegevens.

Op 30 september 2005 draagt [verdachte] 594 geplaatste certificaten van aandelen in het kapitaal van [medeverdacht bedrijf 1] over aan [betrokkene], de echtgenote van [medeverdachte 1] met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd. Blijkens de akte van overdracht van de certificaten betaalt zij hiervoor € 14.850,- .

Bij de vader van [medeverdachte 3] is ten tijde van een doorzoeking een onderhandse akte van overdracht van de certificaten gedateerd 12 oktober 2005 van [betrokkene] aan [medeverdachte 3] aangetroffen. Deze overdracht van de certificaten is niet aangetekend in het eveneens bij die gelegenheid en op dezelfde plaats aangetroffen register van certificaathouders. Deze akte en de plaats waar deze zich bevond kwam eerst ter sprake in het 15e verhoor door VROM-IOD van [verdachte]. [verdachte] heeft toen verklaard dat zij dit document bij de vader van [medeverdachte 3] op zolder bewaarde als back-up in verband met brandgevaar.

Het hof constateert dat nergens een ander exemplaar van deze akte is aangetroffen. Tevens blijkt dat het certificaathoudersregister, op de plaats waar deze mutatie zou dienen te worden vermeld, wel een handtekening van [betrokkene] bevat. (dossierpagina 200602)

[betrokkene] verklaart dat zij niets weet van een overdracht van certificaten aan, respectievelijk door haar. Zij verklaart bovendien niets te weten van een garantstelling. Geconfronteerd met de parafen en handtekeningen op de documenten betreffende de (vermeende) overdrachten van de certificaten, verklaart zij niet te weten of deze van haar zijn.

Met betrekking tot de certificaten verklaart [medeverdachte 3] nog dat zij niet weet hoe lang deze garantstelling heeft geduurd en of [betrokkene] nog steeds garant staat.

De verdediging heeft aangevoerd dat de overdracht van certificaten aan [betrokkene], de echtgenote van [medeverdachte 1], een garantstelling betrof voor de lening die is afgesloten ten behoeve van het kapitaal dat benodigd was voor de oprichting van [medeverdacht bedrijf 1] en dat de certificaten enkele dagen later, toen de garantstelling niet meer nodig was, weer door [betrokkene] zijn overgedragen aan [medeverdachte 3].

6.3.4.3. De verdediging heeft naar het oordeel van het hof echter geen -aannemelijke verklaring- gegeven voor het feit dat:

- de beweerdelijke zekerstelling slechts plaats vond met betrekking tot nominaal

€ 14.850 certificaten, terwijl, bij een lening van € 19.000, een zekerstelling met behulp van alle nominaal € 18.150 certificaten meer voor de hand zou hebben gelegen;

- de betreffende aandelen zijn overgedragen ten titel van koop en er geen pandrecht is gevestigd;

- er geen geldstromen zijn aangetroffen die de koop door [betrokkene] resp. [medeverdachte 3] onderbouwen.

6.3.4.4. Zoals hierna zal worden besproken is niet aannemelijk geworden dat [medeverdacht bedrijf 1] werkzaamheden van enige betekenis heeft verricht noch risico van enige betekenis heeft gelopen, terwijl de door haar van [medeverdacht bedrijf 3] ontvangen vergoedingen wel van aanzienlijke omvang zijn. Ook acht het hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat tenminste een zeer aanzienlijk deel van deze vergoedingen feitelijk afkomstig zijn van [naam woningbouwvereniging].

Gelet op bovenstaande bevindingen en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien met hetgeen hierna onder 6.4.1. wordt overwogen, acht het hof de door de verdediging geschetste alternatieve scenario omtrent de oprichting van [medeverdacht bedrijf 1], de certificering, de verpanding, de teruglevering van de certificaten door [betrokkene] aan [medeverdachte 3] inhoudende dat [medeverdachte 1] daarbij niet betrokken is geweest en bij de oprichting en het bestaan van [medeverdacht bedrijf 1] geen direct financieel belang had, niet aannemelijk. Met name hecht het hof in dit verband geen beslissende betekenis aan de akte overdracht van de certificaten gedateerd 12 oktober 2005, mede nu deze akte niet is aangetekend in het register. Naar het oordeel van het hof is deze akte slechts opgemaakt om de eigendom van de hiervoor bedoelde certificaten zo nodig voor het oog van de buitenwereld aan [medeverdachte 3] te verbinden.

Gelet hierop slaat het hof geen acht op de beweerdelijke overdracht van de certificaten van aandelen aan [medeverdachte 3].

6.4.

De betrokkenheid van verdachten in [medeverdacht bedrijf 1]

6.4.1.

Om vast te stellen wat de betrokkenheid van de verschillende verdachten was bij de oprichting en de activiteiten van [medeverdacht bedrijf 1] en wie (feitelijk) leiding geven aan [medeverdacht bedrijf 1], slaat het hof acht op de volgende verklaringen en documenten.

Blijkens de uittreksels uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel d.d. 7 mei 2010 betreffende [medeverdacht bedrijf 1] was [medeverdachte 3] vanaf de oprichting op 30 september 2005 algemeen directeur en alleen/zelfstandig bevoegd.

Over de oprichting van [medeverdacht bedrijf 1] wordt door de toenmalig directeur, [medeverdachte 3] in het 10e verhoor, het volgende verklaard:

"Ik ben niet bij de oprichtingsplannen van de Stichting en [medeverdacht bedrijf 1] aanwezig geweest. [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [verdachte] (naar het hof begrijpt: [verdachte]) hebben dit gepland”.

Op de vraag waarom [medeverdachte 3] juist directeur moest worden en niet [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] of [verdachte], antwoordt zij:

“Omdat [medeverdachte 2] geen zaken zou mogen doen met [medeverdachte 1] en [verdachte]. Dat zou zo zijn vanwege de geldstromen van [naam woningbouwvereniging] naar [medeverdacht bedrijf 3] en van [medeverdacht bedrijf 3] naar [medeverdacht bedrijf 1] [medeverdachte 1] was toen al directeur bij [naam woningbouwvereniging] en [verdachte] kon geen directeur zijn omdat zij de zus van [medeverdachte 1] is en [medeverdachte 1] de directeur van [naam woningbouwvereniging]. Het is mij door [verdachte] uitgelegd dat zij geen directeur konden worden en ik wel. Ik verdiende veel geld waar ik niets voor hoefde doen.”

Vanaf 20 november 2008 wordt [medeverdachte 2] eveneens zelfstandig bevoegd als algemeen directeur van [medeverdacht bedrijf 1]. [medeverdachte 3] verklaart dat het feit dat [medeverdachte 2] op dat moment directeur werd van [medeverdacht bedrijf 1], alles te maken had met het aangekondigde bezoek van de belastingdienst. Vlak voor dit bezoek van de belastingdienst in 2008 heeft zij een stuk of tien briefjes geschreven tussen [medeverdacht bedrijf 3] en [medeverdacht bedrijf 1] Zij verklaart dat de datum van die briefjes moest kloppen met de projecten die in de mappen aan de [adres] te [plaats] zaten. Volgens [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 1] haar daar deze briefjes gedicteerd met een tekst als “hoi [medeverdachte 2], hierbij de tekening of stukken van... Ik heb gekeken naar project dat niet haalbaar is. Groetjes [medeverdachte 3]”

Zij verklaart dat deze briefjes met een foutieve datum in de projectmappen zijn gedaan en dat een kopie daarvan is gegeven aan [medeverdachte 2], die ook bij het onderhoud aanwezig was. Zij verklaart voorts vaker haar handtekening te hebben gezet onder dingen die niet klopten.

Ook [verdachte] was volgens haar bij het onderhoud aanwezig. [verdachte] heeft tijdens haar verhoor door de VROM IOD bevestigd dat [medeverdachte 1] heeft geholpen met administratieve taken in [medeverdacht bedrijf 1].

[verdachte] verklaart dat zij de betalingen verzorgde voor [medeverdacht bedrijf 1] en dat ze alles weet van de administratie van [medeverdacht bedrijf 1] Zij verklaart dat zij wel degelijk werkzaamheden heeft verricht en de adviezen heeft gegeven waarvan in de verschillende documenten wordt gesproken en waarvan [medeverdachte 3] verklaart dat zij die niet heeft verricht respectievelijk niet heeft gegeven. Zij verklaart dat ze deze werkzaamheden en projecten aan [medeverdacht bedrijf 3] heeft gefactureerd. Over de rol van [medeverdachte 3] in [medeverdacht bedrijf 1] verklaart ze dat ze aanvankelijk dacht dat [medeverdachte 3] wel werkzaamheden zou gaan verrichten, maar dat duidelijk werd dat [medeverdachte 3] het niet leuk vond.

In een emailbericht d.d. 1 september 2005 van [verdachte] aan [medeverdachte 1] vraagt [verdachte] of [medeverdachte 1] “ze zo netjes vind”. Het emailbericht vermeldt als onderwerp ‘Briefpapier en factuur [medeverdacht bedrijf 1]’ en bij dit bericht zijn twee documenten gevoegd, te weten een blanco (concept) brief en een blanco (concept) factuur op briefpapier van [medeverdacht bedrijf 1].

[adviesbureau] stuurt [medeverdacht bedrijf 1] op 31 januari 2007 een factuur ten behoeve van Juridisch advies inzake diverse projecten. Deze factuur wordt in de woning van [medeverdachte 1] aangetroffen. In de woning van [medeverdachte 1] is bij de doorzoeking ter inbeslagname d.d. 19 mei 2010 ook gevonden een uitdraai van een verrekenstaat waarop onder andere een kolom staat met de titel deel [medeverdacht bedrijf 1] (zie ook hierna onder “6.5. Geldstromen”).

Voorts werd in de woning van [medeverdachte 1] aangetroffen een lijst met daarop de aandelenportefeuille van [medeverdacht bedrijf 1]. Hierover heeft [verdachte] het volgende verklaard : ‘[medeverdacht bedrijf 1] heeft een beleggingsportefeuille van in totaal ongeveer € 870.000,-.’

Op 19 september 2005 stuurt [accountant] aan [medeverdacht bedrijf 4], t.a.v. de heer [medeverdachte 1] een factuur voor verleende diensten tot en met augustus 2005. Op de specificatie van de factuur staat onder meer de post ‘oprichten rechtspersonen’. Op een overzicht dat later door [accountant] wordt verstrekt staat bij deze post vermeld ”10-08-2005 H&S (=[naam] & [naam]) inz. [medeverdacht bedrijf 1]”

Op 3 februari 2006 verkoopt [medeverdachte 1] zijn vakantiewoning aan [medeverdacht bedrijf 1] voor EUR 288.000 (dossierpagina 200227). Volgens [medeverdachte 1] is dit de NVM getaxeerde waarde van de woning. (dossierpagina 01213)

Op dezelfde dag verleent [medeverdacht bedrijf 1] om niet een gebruiksrecht op de woning aan [medeverdachte 1] (dossierpagina 200488).

Uit bovenstaande verklaringen en bevindingen (vanaf 6.3.4) , in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat [medeverdachte 1] direct betrokken is geweest bij de oprichting van [medeverdacht bedrijf 1] en naast [verdachte] en [medeverdachte 3] feitelijk opdracht tot en/of leiding heeft geven aan [medeverdacht bedrijf 1]

6.5.

De geldstromen van en naar [medeverdacht bedrijf 1]

6.5.1

Om vast te stellen hoe de geldstromen liepen van en naar deze BV slaat het hof acht op het volgende.

Verrekenstaat en handgeschreven notities

Op de computers in de woningen van respectievelijk [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 3] en in het bedrijfspand aan de [adres] te [plaats] is een verrekenstaat aangetroffen waarin onder meer een kolom is opgenomen met de titel “deel [medeverdacht bedrijf 1]”. In de woning van [medeverdachte 1] is een (eerdere) uitdraai van deze verrekenstaat gevonden . In de kolom met de titel deel [medeverdacht bedrijf 1] staan uiteenlopende bedragen in euro’s opgenomen onder diverse projectnamen.

Daarnaast zijn in de woning van [medeverdachte 1] handgeschreven overzichten aangetroffen. Op deze documenten staan allerlei bedragen, plaatsnamen, projecten en verwijzingen naar facturen geschreven. Deze documenten zijn van de hand van [verdachte].

Op grond van deze verrekenstaat en de handgeschreven notities concludeert het hof dat bepaalde bedragen, afkomstig uit de opbrengsten van diverse projecten, ten goede zouden komen aan [medeverdacht bedrijf 1].

De verdediging heeft aangevoerd dat de aanwezigheid, herkomst en/of bedoeling van de -digitaal dan wel fysiek- aangetroffen verrekenstaten en handgeschreven notities niet bekend waren bij de verschillende verdachten en dat uit de enkele vondst van deze documenten geen conclusies mogen worden getrokken met betrekking tot hun wetenschap van de inhoud van deze documenten. Het hof acht dit niet aannemelijk. De verrekenstaten en/of handgeschreven notities zijn bij de verschillende verdachten thuis en/of op de bij hen in gebruik zijnde computers aangetroffen. Zij vermelden projecten waarbij zij allemaal op de een of andere wijze betrokken zijn geweest en maken voorts melding van bedragen die verdachten niet onbekend kunnen zijn gelet op deze betrokkenheid.

Dat de verrekenstaat die bij [medeverdachte 2] is aangetroffen door [verdachte] zou zijn achtergelaten of gebruikt tijdens de bijlessen die zij aan de kinderen van [medeverdachte 2] gaf, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.

Voor de beantwoording van de vraag of en hoe de geldstromen vanuit de projecten naar [medeverdacht bedrijf 1] liepen overweegt het hof het volgende.

6.5.2.

Het factureren door [medeverdacht bedrijf 1] aan o.a. [medeverdacht bedrijf 3]

[medeverdacht bedrijf 1] heeft diverse (hierna afzonderlijk te noemen onder de verschillende ten laste gelegde feiten) facturen verzonden aan onder andere [medeverdacht bedrijf 3]. Deze facturen gingen vergezeld van een begeleidend schrijven, waarin de reden van de facturatie stond vermeld. In dit begeleidend schrijven werd ofwel verwezen naar de afkoop van een project waarvoor [medeverdacht bedrijf 1] mede risico zou hebben gedragen, ofwel naar werkzaamheden die door [medeverdacht bedrijf 1] in een bepaald project zouden zijn verricht. Het begeleidend schrijven werd ondertekend door [medeverdachte 3], als directeur van de B.V..

In de tenlastelegging wordt een aantal facturen genoemd die vals zouden zijn opgemaakt. Bij de afzonderlijk tenlastegelegde facturen zal het hof vaststellen of naar zijn oordeel het aannemelijk is dat de omschreven werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht.

Het hof concludeert dat de verkregen opbrengsten uit de projecten via het indienen van facturen bij onder andere [medeverdacht bedrijf 3] naar het vermogen van [medeverdacht bedrijf 1] zijn gevloeid.

Voor de beantwoording van de vraag hoe de geldstromen vanuit [medeverdacht bedrijf 1] naar de verdachten zijn gegaan, slaat het hof acht op het volgende:

6.5.3.

Certificaten

De certificaten van [medeverdacht bedrijf 1] die door [verdachte] zijn overgedragen aan [betrokkene] belichamen de economische rechten. Het meest in het oog springende economische recht is het recht op dividend.

[betrokkene] bezat volgens het register van certificaathouders 45/55e deel en [verdachte] 10/55e deel van de certificaten van [medeverdacht bedrijf 1] Daarmee vallen de opbrengsten van de door het [stichting 1] te beheren aandelen voor respectievelijk 45/55e en 10/55e deel in hun vermogen.

[betrokkene] is in gemeenschap van goederen getrouwd met [medeverdachte 1]. Dit impliceert dat de certificaten van [betrokkene] in de huwelijksgoederen-gemeenschap vallen en dat het mogelijk op de aandelen van [medeverdacht bedrijf 1] uit te keren dividend voor 45/55e deel (mede) in het vermogen van [medeverdachte 1] zou vallen. Voorts gaat het hof er vanuit dat -gelet op bovenvermelde verdeling van de certificaten- 10/55e deel van het op de aandelen van [medeverdacht bedrijf 1] mogelijk uit te keren dividend in het vermogen van [verdachte] zou vallen.

6.7

Deelprojecten

6.7.1

De gang van zaken binnen [naam woningbouwvereniging]

[naam woningbouwvereniging], gevestigd te [plaats], is een zogenaamde toegelaten instelling: een instelling die werkzaam is in het belang van de volkshuisvesting. [naam woningbouwvereniging] wordt bestuurd door een directeur bestuurder die onder toezicht valt van de Raad van Toezicht. Ten aanzien van de taken van de directie is in de statuten o.a. vastgelegd dat de directie alleen na verkregen toestemming van de Raad van Toezicht bevoegd is te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld van een ander verbindt. De taken van de directie en de relatie tussen Raad van Toezicht en directie is nader uitgewerkt in het Directiereglement / Bestuurstatuut, waarin onder meer is opgenomen dat het aan de directie is om initiatieven te ontwikkelen die in het belang geacht worden van de Stichting en de volkshuisvesting, daarbij ondersteund door het managementteam (MT) en de coördinatoren. Daarnaast is opgenomen dat de directie dient zorg te dragen voor de vastlegging van de vergaderingen van het managementteam. De voorgenomen directiebesluiten, welke conform de statuten de goedkeuring van de Raad van Toezicht behoeven, worden door de directie tijdig aan de Raad van Toezicht voorgelegd, zodat een weloverwogen besluit kan worden genomen. De directie heeft de bevoegdheid tot het doen van alle uitgaven voor zover deze binnen de vastgestelde begroting vallen of waarvoor door de Raad van Toezicht in een vergadering goedkeuring verleend is.

Volgens de (voormalig) voorzitter van de Raad van Toezicht, [naam], bestaat tussen de directeur van [naam woningbouwvereniging] en de Raad van Toezicht een sterke vertrouwensrelatie. De aankoop en verkoop van onroerend goed heeft altijd, ongeacht het bedrag, toestemming nodig van de Raad van Toezicht. Als deze eenmaal is verleend mag de directeur zelf het project uitvoeren. Hij mag het budget niet overschrijden zonder toestemming van de Raad van Toezicht. [naam] verklaart dat bij de beoordeling van de inhoud van de voorgelegde stukken vertrouwd wordt op de deskundigheid en integriteit van de directie/bestuurders als het gaat om de juistheid en volledigheid van de inhoud. Als een investeringsvoorstel akkoord werd bevonden door de Raad van Toezicht dan moest het project ook zo worden uitgevoerd. Als er belangrijke afwijkingen waren moest er een nader aanvullend voorstel gedaan worden welke dan moest worden goedgekeurd.

6.7.2.

Het project [project 2]

Het investeringsvoorstel d.d. 9 maart 2007 betreffende het project [project 2]

wordt op 9 maart 2007 door [medeverdachte 1] voorgelegd aan de Raad van

Toezicht. De Raad van Toezicht heeft in de vergadering van 28 maart 2007 ingestemd met investeringsvoorstel betreffende de [project 2].

6.7.3.

Valsheid in geschrift en witwassen (feit 1 en 2)

6.7.3.1. Door [medeverdacht bedrijf 1] zijn diverse facturen, elk ten bedrage van € 35.700,-, verzonden aan [medeverdacht bedrijf 3], namelijk:

- op 27-02-2007 de factuur 07/001 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement februari en voorzien van een begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 4] ter grootte van een bedrag van € 5.000,- en [project 5] ter grootte van een bedrag van € 25.000,-;

- op 09-03-2007 de factuur 07/004 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement maart en voorzien van een begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 4] ter grootte van een bedrag van € 5.000,- en de 1e termijn voorschot op risico/winst van het project [project 6] ter grootte van een bedrag van € 25.000,-;

- op 05-07-2007 de facturen 07/006, 07/007en 07/008 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement april, Adviezen en projectmanagement mei , respectievelijk Adviezen en projectmanagement juni en voorzien van een begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 4] ter grootte van een bedrag van € 5.000,- en de 2e termijn voorschot op risico/winst van het project [project 6] ter grootte van een bedrag van

€ 25.000,-, naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 4] ter grootte van een bedrag van € 5.000,-, werkzaamheden [project 7] ter grootte van een bedrag van € 2.500,- en projectmanagement en adviezen voor de [project 8] ter grootte van een bedrag van € 22.500, respectievelijk naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 4] ter grootte van een bedrag van € 5.000,-, werkzaamheden [project 7] ter grootte van een bedrag van € 2.500,- en projectmanagement en adviezen voor de [project 8] ter grootte van een bedrag van € 22.500,-;

- op 03-09-2007 de factuur 07/010 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement juli en voorzien van een begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 4] ter grootte van een bedrag van € 12.500,- en de 1e termijn voorschot op risico/winst van het project [project 5] ter grootte van een bedrag van € 17.500,-;

- op 11-09-2007 de factuur 07/011 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement augustus en voorzien van een begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende het project [project 6] Alkmaar en een derde termijn afkoop risico/winst tezamen ter grootte van een bedrag van € 12.500,- en de 2° termijn voorschot op risico/winst van het project [project 5] ter grootte van een bedrag van € 17.500,-.

6.7.3.2. werkzaamheden [medeverdacht bedrijf 1]

Het hof dient de vraag te beantwoorden of [medeverdacht bedrijf 1] daadwerkelijk adviezen, projectmanagement en werkzaamheden heeft verricht dan wel risico heeft gedragen met betrekking tot de in de begeleidende brieven omschreven projecten. De verdediging heeft gesteld dat deze werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en risico is gedragen en zij heeft ter onderbouwing van deze stelling projectmappen in het geding gebracht.

Het hof is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat deze werkzaamheden zijn verricht en dat ten aanzien van genoemde projecten risico is gedragen door [medeverdacht bedrijf 1]. Weliswaar heeft de verdediging enkele projectmappen in het geding gebracht , maar noch in deze mappen, noch in de overige stukken van het dossier kan bevestiging worden gevonden voor de stelling van de verdediging dat er door [medeverdacht bedrijf 1] werkzaamheden van enige betekenis zijn verricht. Ook voor de stelling dat [medeverdacht bedrijf 1] voor deze projecten enig risico heeft gelopen kan geen onderbouwing worden gevonden. Het hof sluit niet uit dat [verdachte] in bovengenoemde projecten enige werkzaamheden heeft verricht, maar nergens blijkt dat zij deze werkzaamheden in het kader van [medeverdacht bedrijf 1] heeft verricht en niet in haar hoedanigheid van werkneemster van [bedrijf 2], een van de vennootschappen van [medeverdachte 2] waar zij in dienst was. Nu in de facturen is opgenomen dat de werkzaamheden zijn verricht door, en het risico is gedragen door [medeverdacht bedrijf 1], concludeert het hof dat de facturen vals zijn.

Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn bij arrest van dit hof van 11 december 2013 veroordeeld ter zake van onder meer oplichting van [naam woningbouwvereniging], waardoor deze werd bewogen tot de afgifte van geldbedragen.

Door [medeverdacht bedrijf 3] is op 29 juni 2007 een geldbedrag ter grootte van € 350.000,-, overgemaakt aan [medeverdacht bedrijf 1] onder vermelding van: Voorschot termijnnota's.

Door verdachte en zijn medeverdachten is voor de ontvangst van € 350.000,- door [medeverdacht bedrijf 1] geen enkele aannemelijke verklaring gegeven. Van een mogelijk legale herkomst van het geld is ook overigens niet gebleken.

Het hof leidt uit de omstandigheden waaronder het geld is overgemaakt en de overige feiten en omstandigheden, zoals deze onder 6.3.4.. met betrekking tot [medeverdacht bedrijf 1] staan beschreven, in onderlinge samenhang met de oplichting van [naam woningbouwvereniging] door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bezien, af dat het niet anders kan zijn dan dat het hiervoor vermelde geldsbedrag van enig misdrijf, namelijk oplichting, afkomstig is en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad. Door middel van het opmaken van de valse facturen en het doen toekomen van die facturen aan [medeverdacht bedrijf 3] (teneinde die valse facturen in de administratie van [medeverdacht bedrijf 3] te laten opnemen) werd de herkomst van het door oplichting verkregen geld verhuld.

Het hof heeft hiervoor in paragraaf 6.4. (De betrokkenheid van verdachten in [medeverdacht bedrijf 1]) reeds overwogen dat [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] feitelijke leiding hebben geven aan [medeverdacht bedrijf 1]. Nu het opmaken van de valse facturen enkel tot doel heeft gehad een verklaring te geven voor de betaling van het voornoemde bedrag door [medeverdacht bedrijf 3] aan [medeverdacht bedrijf 1] -teneinde dit bedrag vervolgens te kunnen verdelen tussen deze drie leidinggevenden van [medeverdacht bedrijf 1]- neemt het hof als vaststaand aan dat zij alle drie, en derhalve ook verdachte, aan déze concrete verboden gedragingen (valsheid in geschrift en witwassen) gezamenlijk leiding hebben gegeven.

6.7.4.

Het project [project 1]

De raad van Toezicht heeft in de vergadering van 21 september 2005 ingestemd met investeringsvoorstel betreffende de [project 1].

Op 3 oktober 2005 wordt door [medeverdacht bedrijf 3] aan [naam woningbouwvereniging] het perceel [project 1] in [plaats] geleverd voor een bedrag van € 7.451.270,54.

6.7.4.1. Valsheid in geschrift en witwassen (feit 3 en 4)

Door [medeverdacht bedrijf 1] zijn 4 facturen van ieder € 265.000,- gestuurd aan [medeverdacht bedrijf 3], in het totaal voor een bedrag van € 1.060.000,- ex BTW. Deze facturen zijn verwerkt in de administratie van [medeverdacht bedrijf 3].

De facturen zijn vergezeld van een brief waarin o.a. staat: "Verder factureer ik je hierbij de 1 termijn afkoop project [project 1] conform onze afspraak 30 september 2005". Door [verdachte] en [medeverdachte 2] wordt verklaard dat deze bedragen te maken hadden met het afkopen van de koop- en ontwikkelovereenkomst die zij hadden gesloten met betrekking tot het project [project 1]. Deze overeenkomst was onder meer gesloten omdat [medeverdachte 2] het risico voor dit project niet alleen wilde dragen als hij het niet verkocht zou krijgen.

Het hof dient de vraag te beantwoorden of [medeverdacht bedrijf 1] daadwerkelijk risico heeft gedragen voor het project [project 1], dan wel of dit bedrag de winst of opbrengst van [medeverdacht bedrijf 3] betreft die via valse facturen is doorgesluisd naar [medeverdacht bedrijf 1].

Het hof slaat daarbij acht op het volgende:

- op 10 mei 2005 wordt de koopovereenkomst tussen [bedrijf 3] en [medeverdacht bedrijf 3] gesloten. Deze koopovereenkomst vermeldt de mogelijkheid van een concerngarantie, af te geven door [naam woningbouwvereniging], vertegenwoordigd door [medeverdachte 1];

- in de intentieovereenkomst d.d. 23 mei 2005 tussen Woningstichting [woningstichting], [medeverdacht bedrijf 3], [stichting 2] en [naam woningbouwvereniging] betreffende de [project 1] staat vermeld dat [naam woningbouwvereniging] de ontwikkeling van het terrein [project 1] 3 zal overnemen en realiseren;

- op 15 september 2005 wordt er tussen [medeverdacht bedrijf 1], vertegenwoordigd door [medeverdachte 3], die ook als privépersoon voor nakoming garant staat, en [medeverdacht bedrijf 3] een koop- en ontwikkelovereenkomst gesloten met betrekking tot de [project 1], waarin wordt afgesproken dat partijen zullen samenwerken aan de risicodragende ontwikkeling van het project en het risico, de kosten en opbrengsten van het project gelijkelijk zullen dragen.

Het hof overweegt dat uit de hierboven genoemde koopovereenkomst en intentie-overeenkomst volgt dat het risico voor [medeverdacht bedrijf 3] minimaal was. Immers, uit de koopovereenkomst blijkt dat [naam woningbouwvereniging] kennelijk al voor 10 mei 2005 als mogelijke koper in beeld was bij [medeverdacht bedrijf 3]. Dit wordt bevestigd in genoemde intentieovereenkomst waaruit blijkt dat [naam woningbouwvereniging] op 23 mei 2005 de intentie had uitgesproken om tot koop en ontwikkeling van het project over te gaan. Daar komt nog bij dat [medeverdacht bedrijf 1] in werkelijkheid financieel niet in staat was om dit risico te dragen. [medeverdachte 2] heeft namelijk via zijn bedrijf [bedrijf 1] een lening moeten verstrekken van € 19.000,- om de oprichting van [medeverdacht bedrijf 1] mogelijk te maken. [medeverdacht bedrijf 1] was voor, noch na de oprichting financieel in staat om risico's op te vangen.

Ook [medeverdachte 3] was niet vermogend en kon in die zin noch voor zichzelf als privépersoon noch voor [medeverdacht bedrijf 1] financiële risico's dekken. De lening ten behoeve van de oprichting van [medeverdacht bedrijf 1] kon dan ook kennelijk pas worden terugbetaald nadat [medeverdacht bedrijf 3] voornoemd bedrag ad € 1.061.274,58 aan [medeverdacht bedrijf 1] had overgemaakt.

Daarnaast is uit de stukken noch is uit het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk geworden dat er werkzaamheden van enige betekenis zijn verricht door [medeverdacht bedrijf 1]. [naam], die namens [bedrijf 3] optrad verklaart dat hij [verdachte] nooit als zakenpartner heeft beschouwd, maar als een assistent van [medeverdachte 2]. Dit beeld past bij de functie die [verdachte] had bij [bedrijf 2]. Het hof overweegt dat niet gebleken is van enige betrokkenheid van [verdachte] bij het project. Zo er al werkzaamheden zouden zijn verricht door [verdachte], dan zijn deze verricht uit hoofde van haar functie bij [bedrijf 2] en niet vanuit [medeverdacht bedrijf 1].

Het hof gaat er dan ook op grond van het bovenstaande vanuit dat de door [medeverdacht bedrijf 3] aan [medeverdacht bedrijf 1] gedane betaling van € 1.061.274,58 niet ziet op door [medeverdacht bedrijf 1] ten behoeve van het project [project 1] verrichte werkzaamheden. Dit maakt de facturen tot valse facturen.

De prijs waarvoor [naam woningbouwvereniging] het vastgoed betreffende het project [project 1] heeft aangekocht van [medeverdacht bedrijf 3] was € 7.451.270,-. Een gedeelte ter grootte van € 5.443.356,35 is door [naam woningbouwvereniging] aan de notaris overgemaakt. Het notariskantoor heeft van dit bedrag betaald aan [bedrijf 3] het aankoopbedrag voor de [project 1] (€ 2.000.000,-) , de door [medeverdacht bedrijf 3] te betalen notariskosten en de gemeentelijke belastingen en derhalve € 3.034 025,43 aan [medeverdacht bedrijf 3] overgemaakt. Na ontvangst van voornoemd bedrag heeft [medeverdacht bedrijf 3] op 10 oktober 2005 een bedrag ter grootte van € 1.061.274,58 overgemaakt aan [medeverdacht bedrijf 1].

Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn bij arrest van dit hof van 11 december 2013 veroordeeld ter zake van onder meer oplichting van [naam woningbouwvereniging], waardoor deze werd bewogen tot de afgifte van geldbedragen.

Door verdachte en zijn/haar medeverdachten is voor de ontvangst van € 1.061.274,58 door [medeverdacht bedrijf 1] geen aannemelijke verklaring gegeven. Van een mogelijk legale herkomst van het geld is ook overigens niet gebleken. Het hof leidt uit de omstandigheden waaronder het geld is overgemaakt en de overige feiten en omstandigheden, zoals deze onder 6.3.4. met betrekking tot [medeverdacht bedrijf 1] staan beschreven, in onderlinge samenhang met de oplichting van [naam woningbouwvereniging] door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bezien, af dat het niet anders kan zijn dan dat het hiervoor vermelde geldsbedrag van enig misdrijf, namelijk oplichting, afkomstig is en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad. Door middel van het opmaken van de valse facturen en het doen toekomen van die facturen aan [medeverdacht bedrijf 3] (teneinde die valse facturen in de administratie van [medeverdacht bedrijf 3] te laten opnemen) werd de herkomst van het door oplichting verkregen geld verhuld.

Zoals hierboven onder paragraaf 6.4. (De betrokkenheid van verdachten in [medeverdacht bedrijf 1]) door het hof bewezen is geacht gaf [medeverdachte 1] samen met [verdachte] en [medeverdachte 3] feitelijk leiding aan [medeverdacht bedrijf 1]. Nu het opmaken van de valse facturen enkel tot doel heeft gehad een verklaring te geven voor de betaling van het voornoemde bedrag door [medeverdacht bedrijf 3] aan [medeverdacht bedrijf 1] -teneinde dit bedrag vervolgens te kunnen verdelen tussen deze drie leidinggevenden van [medeverdacht bedrijf 1]-neemt het hof als vaststaand aan dat zij alle drie, en derhalve ook verdachte, aan déze concrete verboden gedragingen (valsheid in geschrift en witwassen) gezamenlijk feitelijk leiding hebben gegeven.

6.7.5.

Het project [project 3]

Op 31 mei 2007 gaat de Raad van toezicht akkoord met het investeringsvoorstel [project 3]. Op 6 juli 2007 vindt de overdracht plaats van het perceel [project 3] door [bedrijf 4] aan [naam woningbouwvereniging] voor een bedrag van € 14.600.000.

Door [medeverdacht bedrijf 1] is aan [medeverdacht bedrijf 3] een factuur d.d. 23 juli 2007 verzonden ten bedrage van

€ 1.149.500,= exclusief BTW. Deze factuur is verwerkt in de administratie van [medeverdacht bedrijf 3].

6.7.6

Valsheid in geschrift en witwassen (feit 5 en 6)

Het hof dient de vraag te beantwoorden of [medeverdacht bedrijf 3] voor het project [project 3] daadwerkelijk risico heeft gedragen dat door haar (gedeeltelijk) aan [medeverdacht bedrijf 1] is overgedragen. Ook dient de vraag te worden beantwoord of [medeverdacht bedrijf 1] projectmanagement en adviezen heeft verricht in het project [project 3].

Het hof slaat daarbij acht op het volgende:

- op 24 mei 2007 wordt er een investeringsvoorstel gedaan door [medeverdachte 1] aan de Raad van Toezicht van [naam woningbouwvereniging];

- op 31 mei 2007 wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen [naam woningbouwvereniging], [bedrijf 4] en [bedrijf 5] met betrekking tot dit perceel, waarin onder meer is opgenomen: “Op datum van de overdracht van de grond aan het [naam woningbouwvereniging] zal de combinatie [bedrijf 4]/[bedrijf 5] als afkoopsom aan [medeverdacht bedrijf 3] een bedrag voldoen ten bedrage van €2.250.000, = exclusief BTW zegge; tweemiljoen tweehonderd vijftigduizend Euro.'';

- op 6 juli 2007 vindt de overdracht plaats van het perceel [project 3] door [bedrijf 4] aan [naam woningbouwvereniging] voor een bedrag van €14.600.000;

- door de notaris wordt een deel van de koopsom, ter grootte van € 2.677.500,-overgeboekt naar [medeverdacht bedrijf 3] en dit wordt op 11 juli 2007 door [medeverdacht bedrijf 3] ontvangen;

- op 16 juli 2007 wordt door [medeverdacht bedrijf 3] een bedrag van € 1.367.905,- overgemaakt aan [medeverdacht bedrijf 1] welk bedrag op 17 juli 2007 door [medeverdacht bedrijf 1] wordt ontvangen;

- op 23 juli 2007 stuurt [medeverdacht bedrijf 1] een factuur naar [medeverdacht bedrijf 3] ter grootte van een bedrag van € 1.149.500,- exclusief BTW met de omschrijving `Afkoopsom zoals overeengekomen;

- in een begeleidend schrijven bij deze factuur staat vermeld dat de factuur betrekking heeft op het projectmanagement en de adviezen voor het plan [project 3] voor een bedrag van € 30.000,- en op de totale afkoop ontwikkeling en risico voor het project [project 3] ter grootte van een bedrag van € 1.119.500,-;

- de heer [naam], asset-manager bij ING ten tijde van de verkoop van het perceel aan de [project 3], verklaart dat bij de plannen om het perceel [project 3] te verkopen door [bedrijf 5] werd gezocht naar een grote partij die risicodragend kon participeren en dat zodoende [bedrijf 4] BV werd aangesproken. [bedrijf 4] wilde echter niet op risico kopen maar meteen doorverkopen en daarbij werd [naam woningbouwvereniging] en voor deze als exclusief acquisiteur [medeverdacht bedrijf 3] in de persoon van [medeverdachte 2], naar voren geschoven;

- de heer [naam], bemiddelaar in het conflict tussen [bedrijf 4] en [medeverdacht bedrijf 3], verklaart dat [naam woningbouwvereniging] het project van [bedrijf 4] wilde afnemen op de voorwaarde, zo zei [medeverdachte 1] tegen hem, dat [medeverdacht bedrijf 3] genoegdoening zou krijgen.

Met betrekking tot het risico overweegt het hof het volgende. Uit hetgeen hiervoor is aangehaald blijkt dat vanaf de eerste tot de laatste besprekingen tussen de verschillende partijen het de opzet is geweest en hebben de afspraken ingehouden dat [naam woningbouwvereniging] het project [project 3] uiteindelijk zou afnemen. Daaruit kan enig door [medeverdacht bedrijf 3] te dragen afnamerisico dan ook niet worden afgeleid. Ook in de overige stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan het hof voor het bestaan van dat risico, of voor enig ander risico geen enkele ondersteuning vinden.

Nu niet aannemelijk is gemaakt dat [medeverdacht bedrijf 3] enig risico heeft gelopen kan evenmin sprake zijn van de overdracht van enig risico door [medeverdacht bedrijf 3] aan [medeverdacht bedrijf 1]. Dat [medeverdacht bedrijf 3] een bedrag ter grootte van € 1.119.500,- aan [medeverdacht bedrijf 1] betaalt enkel voor de afkoop van ontwikkeling (zoals op de begeleidende brief bij de factuur nog vermeld) is op geen enkele andere wijze aannemelijk geworden. Overigens wordt het bestaan van de door de verdediging gestelde afspraken waaruit het bedoelde risico zou kunnen voortvloeien des te onaannemelijker nu deze niet op papier zijn gezet maar enkel mondeling zouden zijn gemaakt. Los van het feit dat het zeer ongebruikelijk is dat dergelijke afspraken niet schriftelijk worden vastgelegd, betekent dit ook dat voor het daadwerkelijk bestaan van deze afspraken in geen enkel destijds opgesteld document bevestiging kan worden gevonden. Door [medeverdacht bedrijf 1] is aan [medeverdacht bedrijf 3] een factuur d.d. 23 juli 2007 verzonden ten bedrage van

€ 1.149.500,- exclusief BTW.

Tenslotte overweegt het hof dat niet is gebleken van werkzaamheden in de zin van projectmanagement en adviezen verricht door [medeverdacht bedrijf 1] B.V binnen het project [project 3]. Op geen enkele wijze blijkt uit het dossier of is door de verdediging aannemelijk gemaakt dat door [medeverdacht bedrijf 1] voor dit project voor een bedrag van EUR 30.000,- werkzaamheden van enige betekenis zijn verricht.

Dit maakt de factuur tot een valse factuur.

Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn bij arrest van dit hof van 11 december 2013 veroordeeld ter zake van onder meer oplichting van [naam woningbouwvereniging], waardoor deze werd bewogen tot de afgifte van geldbedragen.

Het op deze factuur vermelde bedrag is vervolgens door [medeverdacht bedrijf 3] betaald aan [medeverdacht bedrijf 1]. Door deze betaling is het criminele geld -te weten het geld dat door oplichting uit het project [project 3] is verkregen- overgegaan van [medeverdacht bedrijf 3] naar [medeverdacht bedrijf 1].

Door verdachte en haar mededaders is voor de ontvangst van € 1.149.500,- door [medeverdacht bedrijf 1] geen enkele aannemelijke verklaring gegeven en van een mogelijk legale herkomst van het geld is ook overigens niet gebleken.

Het hof leidt uit de omstandigheden waaronder het geld is overgemaakt en de overige feiten en omstandigheden, zoals deze onder 6.3.4 met betrekking tot [medeverdacht bedrijf 1] staan beschreven, in onderlinge samenhang met de oplichting van [naam woningbouwvereniging] door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bezien, af dat het niet anders kan zijn dan dat het hiervoor vermelde geldsbedrag van enig misdrijf, namelijk oplichting, afkomstig is en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad. Door middel van het opmaken van de valse facturen en het doen toekomen van die facturen aan [medeverdacht bedrijf 3] (teneinde die valse facturen in de administratie van [medeverdacht bedrijf 3] te laten opnemen) werd de herkomst van het door oplichting verkregen geld verhuld.

Zoals hierboven onder paragraaf 6.4. reeds is weergegeven gaf [medeverdachte 1] samen met [verdachte] en [medeverdachte 3] leiding aan [medeverdacht bedrijf 1].

Nu het opmaken van de valse facturen enkel tot doel heeft gehad een verklaring te geven voor de betaling van het voornoemde bedrag door [medeverdacht bedrijf 3] aan [medeverdacht bedrijf 1] -teneinde dit bedrag vervolgens te kunnen verdelen tussen deze drie leidinggevenden van [medeverdacht bedrijf 1]-neemt het hof als vaststaand aan dat zij alle drie, en derhalve ook verdachte, aan déze concrete verboden gedragingen (valsheid in geschrift en witwassen) gezamenlijk leiding hebben gegeven.

6.8.

Criminele organisatie

Om te kunnen vaststellen of verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie dient het hof te bezien of sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeerden. Vervolgens dient het hof vast te stellen of verdachte tot dit samenwerkingsverband behoorde, daar een aandeel in heeft gehad dan wel de criminele organisatie heeft ondersteund met gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet vereist is dat een deelnemer, indien het oogmerk - zoals in casu tenlastegelegd - het plegen van misdrijven van verschillende soort is, betrokken is geweest bij de verwezenlijking van elk soort van de beoogde misdrijven.

De organisatie waaraan wordt deelgenomen dient het plegen van misdrijven tot oogmerk te hebben, dat wil zeggen dat de feitelijke werkzaamheden van de organisatie op het plegen van misdrijven gericht dienen te zijn.

Het oogmerk is niet gekoppeld aan een bepaalde gedraging, maar moet aanwezig zijn bij de organisatie waaraan wordt deelgenomen. Het gaat daarbij naar het oordeel van het hof niet om het oogmerk bij de afzonderlijke leden van de organisatie, maar om het oogmerk van het samenwerkingsverband als geheel.

De voor strafbaarheid op grond van artikel 140 Sr vereiste opzet bij de deelnemers moet naar het oordeel van het hof gericht zijn geweest op het criminele oogmerk van de organisatie. Daarvoor is voldoende dat de deelnemer in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Gelet op de geformuleerde uitgangspunten en hetgeen hiervoor als bewijsmiddel is aangehaald, betekent het voorgaande tezamen genomen en in onderling verband bezien dat naar het oordeel van het hof sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren. Voorts is in het bewezenverklaarde samenwerkingsverband sprake geweest van het oprichten en in stand houden van meerdere rechtspersonen en kunnen de verdachten die bij die afzonderlijke rechtspersonen werkzaam waren tot genoemd samenwerkingsverband worden gerekend. De desbetreffende rechtspersonen en de daarbij werkzame personen hebben naar het oordeel van het hof een aandeel gehad in dan wel gedragingen ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de criminele organisatie.

Tevens is het hof van oordeel dat de organisatie waaraan wordt deelgenomen het plegen van misdrijven tot oogmerk had, immers de feitelijke werkzaamheden van de organisatie waren gericht op het onttrekken van gelden aan het vermogen van [naam woningbouwvereniging] door middel van oplichting en het verdelen van deze gelden onder verdachten door middel van valsheid in geschrift en witwassen. Dat gebeurde in de periode 2005 tot en met 2010 volgens een vast patroon. Voor een onderbouwing van deze bewezenverklaring verwijst het hof naar hetgeen hierboven ten aanzien van de oplichting, de valsheid in geschrift en het witwassen is opgemerkt. Het hof acht bewezen dat sprake is geweest van een organisatie, in de zin van een samenwerkingsverband tussen natuurlijke personen en rechtspersonen.

Niet bewezen acht het hof dat de organisatie het plegen van verduistering in dienstbetrekking tot oogmerk had. [medeverdachte 1] heeft het uit misdrijf verkregen geld niet onder zich gehouden, noch over dit geld kunnen beschikken, omdat hij eerst toestemming van de Raad van Toezicht nodig had voordat er geldstromen vrijkwamen. Niet is gebleken dat [medeverdachte 1] meer geld heeft overgemaakt dan het geld waarvoor hij door de Raad van Toezicht toestemming had gekregen. Het hof zal verdachten daarom van dit onderdeel vrijspreken.

Het hof acht evenmin bewezen dat de organisatie niet-ambtelijke omkoping beoogde. Uit het misdrijf van oplichting vloeit voort dat er gelden zijn verschaft, aangenomen en verdeeld. Naar het oordeel van het hof kunnen deze gelden niet meer worden aangemerkt als giften bedoeld om een ander om te kopen, nu vaststaat dat over deze gelden vooraf verdeelafspraken zijn gemaakt. Voor omkoping is bovendien vereist dat het initiatief uitgaat van degene die probeert om te kopen, waardoor de omgekochte bewogen wordt om iets te doen of na te laten. Niet gebleken is hier dat het initiatief voor de fraude van [medeverdachte 2] is uitgegaan en dat hij met het aanbieden van gelden [medeverdachte 1] daartoe heeft bewogen. Het hof zal verdachten daarom ook van dit onderdeel vrijspreken.

Naar het oordeel van het hof behoorde verdachte tot de organisatie en is betrokken is geweest bij de gedragingen die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met, de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Uit hetgeen hiervoor is aangehaald vloeit bovendien voort dat verdachte wetenschap had van het criminele oogmerk van de organisatie.

7 Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 tot en met 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Project [project 2]



[medeverdacht bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) op een (of meer)

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 februari 2007 tot en met 11

september2007 te [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen en/of alleen,(een) geschrift(en), te

weten:

- de factuur 07/001 d.d. 27-02-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.601), en/of

- de factuur 07/004 d.d. 09-03-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.602), en/of

- de factuur 07/006 d.d. 05-07-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.603), en/of

- de factuur 07/007 d.d. 05-07-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.604), en/of

- de factuur 07/008 d.d. 05-07-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.605), en/of

- de factuur 07/010 d.d. 03-09-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.600),-, en/of

- de factuur 07/011 d.d. 11-09-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.599)

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs

van enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken

en/of laten opmaken, immers heeft/hebben [medeverdacht bedrijf 1] (vanaf 31-05-2007 genaamd

[medeverdacht bedrijf 1]) en/of haar mededader(s) valselijk en/of in strijd met de

waarheid

in die facturen (telkens) opgenomen en/of doen en/of laten opnemen dat er

door [medeverdacht bedrijf 1] (vanaf 3 1-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]), werkzaamheden

(adviezen en projectmanagement) zijn verricht ten behoeve van [medeverdacht bedrijf 3]

[medeverdacht bedrijf 3] (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])

terwijl in werkelijkheid de genoemde werkzaamheden niet zijn verricht,

zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of zijn mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of haar

mededader(s) (telkens) feitelijke leiding heeft/hebben gegeven;

2.

[medeverdacht bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) op een (of meer)

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 11 september

2007 te [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen en/of alleen, (van) (een) voorwerp(en), te weten een

geldbedrag van circa € 350.000,-, in elk geval enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft/hebben verborgen en/of verhuld

en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op het/de

voorwerp(en) en/of het geldbedrag was/waren en/of wie het voorhanden

had/hadden

door voor te wenden dat dit voorwerp(en) verkregen was/waren door (een

voorschot op)

- een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 27-02-2007 ter grootte

van € 35.700,- ex BTW (B.5.601), en/of

- een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 09-03-2007 ter grootte

van € 35.700,- ex BTW (B.5.602), en/of

- een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 05-07-2007 ter grootte

van € 35.700,- ex BTW (B.5.603), en/of

- een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 05-07-2007 ter grootte

van € 35.700,- ex BTW (B.5.604), en/of

- een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 05-07-2007 ter grootte

van € 35.700,- ex BTW (B.5.605), en/of

- een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan AZ

Wonen d.d. 03-09-2007 ter grootte

van € 35.700,- ex BTW (B.5.600), en/of

- een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 11-09-2007 ter grootte

van € 35.700,-ex BTW (B.5.599)

terwijl in werkelijkheid de op die factu(u)r(en) vermelde werkzaamheden niet

waren verricht of verricht zouden gaan worden en de op die facturen vermelde

afkoopsom niet verschuldigd was, althans dit/deze voorwerp(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans van bovengenoemd(e) voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl [medeverdacht bedrijf 1] (vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) en/of haar

mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat

bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of zijn mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of haar

mededader(s) (telkens) feitelijke leiding heeft/hebben gegeven;

3.

Project [project 1]

[medeverdacht bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) op een (of meer)

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 oktober 2005 tot en met 17

januari 2006 te [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen en/of alleen, (een) geschrift(en), te weten:

[medeverdacht bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd Cïree BV) op een (of meer)

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 oktober 2005 tot en met 17

januari 2006 te [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen en/of alleen,(een) geschrift(en), te

weten:

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 oktober 2005 ten bedrage van

€ 265.000,- ex BTW (B.5.912), en/of

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 november 2005 ten bedrage van

€ 265.000,- ex BTW (B.5.909), en/of

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 december 2005 ten bedrage van

€ 265.000,- ex BTW (B.5.908), en/of

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 januari 2006 ten bedrage van

€ 265.000,- ex BTW (B.5.917)

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs

van enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken

en/of laten opmaken, immers heeft/hebben [medeverdacht bedrijf 1] (vanaf 31-05-2007 genaamd

[medeverdacht bedrijf 1]) en/of haar mededader(s) valselijk en/of in strijd met de

Waarheid

in die facturen (telkens) opgenomen en/of doen en/of laten opnemen dat er

door [medeverdacht bedrijf 1] (vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]), werkzaamheden

(adviezen en projectmanagement) zijn verricht ten behoeve van [medeverdacht bedrijf 3]

[medeverdacht bedrijf 3] (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) en/of dat er een afkoopsom diende te worden betaald

terwijl in werkelijkheid de genoemde werkzaamheden niet zijn verricht en/of

geen afkoopsom verschuldigd was,

zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of zijn mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of haar

mededader(s) (telkens) feitelijke leiding heeft/hebben gegeven;

4.

[medeverdacht bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) op een (of meer)

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 1 oktober 2005 tot en met 31

januari 2006 te [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen en/of alleen,

(van) (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van circa € 1.061.274,58, in elk geval enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft/hebben verborgen en/of verhuld

en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op het/de

voorwerp(en) en/of het geldbedrag was/waren en/of wie het voorhanden

had/hadden

door voor te wenden dat dit voorwerp(en) verkregen was/waren op basis van

(een voorschot op)

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 oktober 2005 ten bedrage van

€ 265.000 ex BTW (B.5.912), en/of

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 november 2005 ten bedrage van

€ 265.000 ex BTW (B.5.909), en/of

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 december2005 ten bedrage van

€ 265.000 ex BTW (B.5.908), en/of

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17januari 2006 ten bedrage van

€ 265.000 ex BTW (B.5.917)

terwijl in werkelijkheid de op die factu(u)r(en) vermelde werkzaamheden niet

waren verricht of verricht zouden gaan worden en de op die facturen vermelde

afkoopsom niet verschuldigd was,

althans dit/deze voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans van bovengenoemd(e)

voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl [medeverdacht bedrijf 1] (vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) en/of haar

mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat

bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of zijn mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of haar

mededader(s) (telkens) feitelijke leiding heeft/hebben gegeven;

5.

Project [project 3]

[medeverdacht bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) op een (of meer)

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1juli 2007 tot en met 31juli

2007 te [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen en/of alleen, een geschrift, te weten

- de factuur 07-009 d.d. 23-07-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 1.149.500,- ex BTW (B5.041)

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken,

immers heeft/hebben [medeverdacht bedrijf 1] en/of haar mededader(s) valselijk en/of

in strijd met de waarheid

in die factuur en/of in de begeleidende brief d.d. 23-07-2007 opgenomen en/of

doen en/of laten opnemen dat er door [medeverdacht bedrijf 1] werkzaamheden zijn

verricht (adviezen en projectmanagement) ten behoeve van [medeverdacht bedrijf 3]

(h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) en er tussen [medeverdacht bedrijf 1] en [medeverdacht bedrijf 3]

(h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) een afkoopsom voor ontwikkeling en risico is overeengekomen

terwijl in werkelijkheid de genoemde werkzaamheden niet zijn verricht en/of

geen afkoopsom voor ontwikkeling en risico is overeengekomen,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken

en/of door anderen te doen gebruiken

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of zijn mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of haar

mededader(s) (telkens) feitelijke leiding heeft/hebben gegeven;

6.

[medeverdacht bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) op een (of meer)

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1juli 2007 tot en met 31 juli

2007 te [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen en/of alleen,

((van) (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag € 1.149.500,- ex BTW, in elk geval enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft/hebben verborgen en/of verhuld

en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op het/de

voorwerp(en) en/of het geldbedrag was/waren en/of wie het voorhanden

had/hadden

door voor te wenden dat dit/deze voorwerp(en) verkregen was/waren op basis van

(een voorschot op)

- een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 23juli 2007 ten bedrage

van € 1.149.500,- ex BTW (B5.04l)

althans dit/deze voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans van bovengenoemd(e)

voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl [medeverdacht bedrijf 1] (vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) en/of haar

mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat

bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of zijn mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of haar

mededader(s) (telkens) feitelijke leiding heeft/hebben gegeven;

7:
zij, op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 6 mei 2010 te [plaats] en /of [plaats] en/of elders in Nederland, opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 2] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdacht bedrijf 2] en/of [medeverdacht bedrijf 3] h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3] en/of [medeverdacht bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) en/of een (of meer) ander(e) (rechts)perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk onder meer:

-oplichting (art. 326 WvSr)

-verduistering in dienstbetrekking (art. 322 WvSr)

-niet-ambtelijke omkoping (art. 328ter WvSr)

-valsheid in geschrift (art. 225 WvSr)

-witwassen (art. 420bis WvSr)

8 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 en 3

telkens:

medeplegen van feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift.

het onder 2, 4 en 6 bewezen verklaarde levert op:

telkens:

medeplegen van feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van witwassen.

het onder 7 bewezen verklaarde levert op:

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

9 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

10 Oplegging van straf en/of maatregel

Verdachte is door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 jaar en 6 maanden.

10.1

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft op grond van hetgeen zij bewezen acht

gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren.

10.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te

worden.

10.3

Oordeel hof

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft tezamen met anderen meermalen opdracht en feitelijk leiding gegeven aan valsheid in geschrift en aan het witwassen van door oplichting van een woningbouw-coöperatie verkregen gelden van aanzienlijke omvang. Daarnaast acht de rechtbank verdachte schuldig aan deelname aan een criminele organisatie. Aangenomen mag worden dat verdachte bij het plegen van deze feiten heeft gehandeld puur uit eigen financieel gewin.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het tezamen met medeverdachten feitelijk leidinggeven aan de rechtspersoon [medeverdacht bedrijf 1]. Door deze vennootschap werden valse facturen gestuurd voor werkzaamheden die niet zijn verricht en voor risico’s die niet werden gelopen. Achtergrond hiervan was om gelden met een criminele herkomst wit te wassen en door te sluizen naar verdachte en de medeverdachten.

Verdachte was geen oprichter/bestuurder van de criminele organisatie. Dat neemt niet weg dat werkzaamheden zoals die door verdachte zijn verricht van groot belang waren voor het goed functioneren van de organisatie. Mede door de door [medeverdacht bedrijf 1] op haar instigatie verzonden facturen was het mogelijk om gelden van criminele herkomst wit te wassen. Immers, door de valse facturen werd de herkomst van de gelden versluierd. Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op het economisch verkeer.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft het hof voorts gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft een gevangenisstraf van 1 jaar en 6 maanden opgelegd.

De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf van 2 jaar gevorderd.

Het hof is van oordeel dat, gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden en gezien hetgeen in soortgelijke zaken wordt opgelegd, alsmede de persoon van de verdachte, de door de rechtbank opgelegde straf geen recht doet aan de ernst van de feiten en acht de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf passend en geboden.

Het hof realiseert zich dat verdachte door deze straf na geruime wederom in detentie zal geraken, maar acht dit gelet op de ernst van de feiten onontkoombaar.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr P. van Kesteren, voorzitter,

mr C. Caminada en mr P.L.M van Gorkom, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr G.W. Jansink, griffier,

en op 11 december 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

BIJLAGE 1: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt, na de wijziging tenlastelegging in eerste aanleg, tenlastegelegd dat

1

Project [project 2]

[medeverdacht bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) op een (of meer)

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 februari 2007 tot en met 11

september 2007 te [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen en/of alleen,(een) geschrift(en), te

weten:

- de factuur 07/001 d.d. 27-02-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.601), en/of

- de factuur 07/004 d.d. 09-03-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.602), en/of

- de factuur 07/006 d.d. 05-07-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3]

ter grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.603), en/of

- de factuur 07/007 d.d. 05-07-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,-ex BTW (B.5.604), en/of

- de factuur 07/008 d.d. 05-07-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.605), en/of

- de factuur 07/0 10 d.d. 03-09-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.600),-, en/of

- de factuur 07/011 d.d. 1 1-09-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.599)

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs

van enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken

en/of laten opmaken, immers heeft/hebben [medeverdacht bedrijf 1] (vanaf 31-05-2007 genaamd

[medeverdacht bedrijf 1]) en/of haar mededader(s) valselijk en/of in strijd met de

waarheid

in die facturen (telkens) opgenomen en/of doen en/of laten opnemen dat er

door [medeverdacht bedrijf 1] (vanaf 3 1-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]), werkzaamheden

(adviezen en projectmanagement) zijn verricht ten behoeve van [medeverdacht bedrijf 3]

[medeverdacht bedrijf 3] h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])

terwijl in werkelijkheid de genoemde werkzaamheden niet zijn verricht,

zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken

tot liet plegen van welk(e) bovengenoemd(e) stra(ba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of haar mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of haar

mededader(s) (telkens) feitelijke leiding heeft/hebben gegeven

(artikel 225 lid 1 jo. artikel 47 jo. artikel 51 Wetboek van Strafrecht)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

[medeverdacht bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) op een (of meer)

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1juni 2007 tot en met II september

2007 te [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen en/of alleen, (van) (een) voorwerp(en), te weten een

geldbedrag van circa € 350.000,-, in elk geval enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft/hebben verborgen en/of verhuld

en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op het/de

voorwerp(en) en/of het geldbedrag was/waren en/of wie het voorhanden

had/hadden

door voor te wenden dat dit/die voorwerp(en) verkregen was/waren door (een

voorschot op)

- een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 27-02-2007 ter grootte

van € 35.700,- ex BTW (B.5.601), en/of

• een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 09-03-2007 ter grootte

van € 35.700,- ex BTW (B.5.602), en/of

- een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 05-07-2007 ter grootte

van € 35.700,- ex BTW (B.5.603), en/of

- een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 05-07-2007 ter grootte

van € 35.700,- ex BTW (B.5.604), en/of

- een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 05-07-2007 ter grootte

van € 35.700,- ex BTW (B.5.605), en/of

- een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 03-09-2007 ter grootte

van € 35.700,- ex BTW (B.5.600), en/of

- een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 11-09-2007 ter grootte

van € 35.700,- ex BTW (B.5.599)

terwijl in werkelijkheid de op die factu(u)r(en) vermelde werkzaamheden niet

waren verricht of verricht zouden gaan worden en de op die facturen vermelde

afkoopsom niet verschuldigd was,

althans dit/deze voorwerp(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden

heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans van

bovengenoemd(e) voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl [medeverdacht bedrijf 1] (vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) en/of haar

mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat

bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk- afkomstig

was/waren uit enig misdrijf

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of haat mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of zijn

mededader(s) (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven

(artikel 420b1s jo. artikel 47 jo. artikel 51 Wetboek van Strafrecht)

art 420 bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3.

Project [project 1]

[medeverdacht bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) op een (of meer)

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 oktober 2005 tot en met 17

januari 2006 te [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen en/of alleen, (een) geschrift(en), te weten:

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 oktober 2005 ten bedrage van

€ 265.000,- ex BTW (B.5.912), en/of

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 november 2005 ten bedrage van

LURO 265.000,- ex BTW (B.5.909), en/of

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 december 2005 ten bedrage van

€ 265.000,- ex BTW (B.5.908), en/of

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 januari 2006 ten bedrage van

€ 265.000,- ex BTW (B.5.917)

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs

van enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken

en/of laten opmaken, immers heeft/hebben [medeverdacht bedrijf 1] (vanaf3l-05-2007 genaamd

[medeverdacht bedrijf 1]) en/of haar mededader(s) valselijk en/of in strijd met de

waarheid

in die facturen opgenomen en/of doen en/of laten opnemen dat er door [medeverdacht bedrijf 1]

(vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) werkzaamheden zijn verricht

(adviezen en projectbegeleiding) ten behoeve van [medeverdacht bedrijf 3] (h.o.d.n.

[medeverdacht bedrijf 3]) en/of dat er een afkoopsom diende te worden betaald

terwijl in werkelijkheid de genoemde werkzaamheden niet zijn verricht en/of

geen afkoopsom verschuldigd was,

zulks met het oogmerk om dal/die geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) stratba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of haar mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of haar

mededader(s) (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven

(artikel 225 lid 1 jo. artikel 47 jo. artikel 51 Wetboek van Strafrecht)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

[medeverdacht bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) op een (of meer)

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2005 tot en met 31

januari 2006 te [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen en/of alleen, (van) (een) voorwerp(en), te weten een

geldbedrag van € 1.061.274,58, in elk geval enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op het)de voorwerp(en)

was/waren en/of wie het voorhanden had/hadden

door voor te wenden dat dit/deze voorwerp(en) verkregen was/waren op basis

van (een voorschot op)

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 oktober 2005 ten bedrage van

€ 265.000 ex BTW (B.5.912), en/of

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 november 2005 ten bedrage van

€ 265000 ex BTW (B.5.909), en/of

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 december 2005 ten bedrage van

€ 265.000 ex BTW (B.5.908), en/of

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17januari2006 ten bedrage van

€ 265.000 ex BTW (B.5.917)

terwijl in werkelijkheid de op die factu(u)r(en) vermelde werkzaamheden niet

waren verricht of verricht zouden gaan worden en de op die facturen vermelde

afkoopsom niet verschuldigd was,

althans dit/deze voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans van bovengenoemd(e)

voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl [medeverdacht bedrijf 1] (vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) en/of haar

mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat

bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of haar mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of haar

mededader(s) (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven

(artikel 420 bis jo. artikel 47 jo. artikel 51 Wetboek van Strafrecht)

art 420 bis lid 1ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

5.

Project [project 3]

[medeverdacht bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) op een (of meer)

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van t maart 2007 tot en met 31juli

2007 te [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen en/of alleen, een geschrift, te weten

- de factuur 07-009 d.d. 23-07-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 1.149.500,- ex BTW B.041)

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken,

immers heeft/hebben [medeverdacht bedrijf 1] en/of haar mededader(s) valselijk en/of

in strijd met de waarheid

in die factuur en/of in de begeleidende brief d.d. 23-07-2007 opgenomen en/of

doen en/of laten opnemen dat er door [medeverdacht bedrijf 1] werkzaamheden zijn

verricht (adviezen en projectmanagement) ten behoeve van [medeverdacht bedrijf 3]

(h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) en er tussen [medeverdacht bedrijf 1] en [medeverdacht bedrijf 3]

(h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) een afkoopsom voor ontwikkeling en risico is overeengekomen

terwijl in werkelijkheid de genoemde werkzaamheden niet zijn verricht en/of

geen afkoopsom voor ontwikkeling en risico is overeengekomen,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken

en/of door anderen te doen gebruiken

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of haar mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of haar

mededader(s) (telkens) feitelijke leiding heeft/hebben gegeven;

(artikel 225 lid 1 jo. artikel 47 jo. artikel 51 Wetboek van Strafrecht)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

[medeverdacht bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) op een (of s)

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1juli 2007 tot en met 31juli

2007 te [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen en/of alleen, (van)

(een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van € 1.149.500,- ex BTW, in

elk geval enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft/hebben verborgen en/of verhuld

en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op het/de

voorwerp(en) was/waren en/of wie het voorhanden had/hadden

door voor te wenden dat dit/deze voorwerp(en) verkregen was/waren op basis

van (een voorschot op)

- een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 23juli 2007 ten bedrage

van € 1.149.500,- ex BTW (B5.041)

althans dit/deze voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans van bovengenoemd(e)

voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl [medeverdacht bedrijf 1] en/of haar

mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat

bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of haar mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of haar,

mededader(s) (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven;

(artikel 420 bis jo. artikel 51 Wetboek van Strafrecht)

art 420 bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

7.

zij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari

2005 tot en met 6 mei 2010 te [plaats] en/of [plaats] en/of elders in

Nederland, heeft deelgenomen aan een Organisatie, te weten een

samenwerkingsverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, bestaande

uit haar, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3]

en/of [medeverdacht bedrijf 2] en/of [medeverdacht bedrijf 3] h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3] en/of

[medeverdacht bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1]) en/of een (of meer)

ander(e) (rechts)perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk onder

meer:

-oplichting (art. 326 WvSr)

-verduistering in dienstbetrekking (art. 322 WvSr)

-niet-ambtelijke omkoping (art. 32$ter WvSr)

-valsheid in geschrift (art. 225 WvSr)

-witwassen (art. 420b1s WvSr).

(artikel 140 Wetboek van Strafrecht)

art 140 lid t Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s of bijlagen, wordt -tenzij anders vermeld-, bedoeld de bijlagen als opgenomen in het proces-verbaal dossiernummer 20090509, van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu VROM-IOD , onderzoek Rembrandt, van 27 april 2011, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant], opsporingsambtenaar, welk proces-verbaal is doorgenummerd van 1 tot en met 302496.