Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:10369

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
05-03-2014
Zaaknummer
21-005171-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2011:BU9119, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek Rembrandt: oplichting woningbouwvereniging SGBB, valsheid in geschrift, witwassen en deelnemen aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005171-11

Uitspraak d.d.: 11 december 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 22 december 2011 met parketnummer 16-994025-10 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

1 Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

2 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 6 december 2012, 16, 17 en 30 oktober 2013, 27 november 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr J.W. Ebbink, naar voren is gebracht.

3. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie1

3.1.

Door de raadsman is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard vanwege:

a. het inbrengen in het strafdossier van onrechtmatig verkregen administratie, boekhoudgegevens en verklaringen van verdachten;

b. het onthouden door het openbaar ministerie aan de verdediging van schriftelijke bescheiden;

c. het onthouden aan de rechtbank van bescheiden;

Hierdoor zijn, aldus de verdediging, de beginselen van een behoorlijke procesorde afzonderlijk maar zeker in onderlinge samenhang bezien geschonden. Hierdoor is doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte op een eerlijk proces tekort gedaan.

Ter onderbouwing van voornoemd standpunt wordt door de verdediging het volgende

aangedragen.

3.2.

Ad a

3.2.1.

De verdediging stelt op grond van feiten en omstandigheden als in de pleitnota preliminair verweer van 16 oktober 2013 omschreven, dat -kort weergegeven- een verbalisant van VROM-IOD, te weten [verbalisant 1] in 2009 naar de Belastingdienst is gegaan en schriftelijke bescheiden, welke zijn vergaard in het onderzoek onder de naam Pennsylvania, zonder machtiging van de officier van justitie heeft meegenomen en gebruikt in een onderzoek tegen verdachte. Toen het openbaar ministerie en VROM-IOD dit in 2010 constateerden, zijn de in 2009 meegenomen bescheiden uit het dossier verwijderd. Vervolgens zijn verwijderde bescheiden door middel van een proces-verbaal van [verbalisant 2] van de FIOD-ECD van 24 maart 20102, relaterend aan het Van Rijn onderzoek, opnieuw aan het dossier toegevoegd. Het zogeheten Rembrandt-onderzoek tegen verdachte is aldus gebaseerd op onrechtmatig verkregen bescheiden. Dit en het feit dat het openbaar ministerie vervolgens getracht heeft dit hiaat te repareren door het opnieuw in het strafdossier brengen van de reeds bekende stukken, dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

3.2.1.

Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de onrechtmatig in het onderzoek Rembrandt ingebrachte bescheiden en de op basis van die bescheiden afgelegde verklaringen van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

3.3.

Ad b

De verdediging stelt hiertoe dat door het openbaar ministerie, ondanks diverse verzoeken daartoe, bewust aan de verdediging zijn onthouden de navolgende stukken:

- het ABF-research rapport;

- het volledige Van Rijn onderzoek;

- de factuur [naam] die aanleiding zou hebben gegeven tot het BTW

onderzoek;

- de brieven met vermelding deelproject [project 1];

- de volmacht aankoop [adres] d.d. 27 september 2005.

3.4

Ad c.

De verdediging stelt hiertoe dat uit de brief van de advocaat-generaal van 28 oktober

2013 blijkt dat de rechtbank bij haar beraadslagingen niet heeft beschikt over de

zogenaamde pre-weeg documenten die wel in het bezit waren van de verdediging.

Uit de brief van de advocaat-generaal blijkt dat deze stukken door het openbaar ministerie

niet aan de rechtbank zijn overgelegd. Zowel de rechtbank als het hof heeft bij de

beraadslaging over de verzoeken tot het horen van getuigen geen kennis kunnen nemen van

de inhoud van deze documenten. Voorts heeft de rechtbank bij haar beraadslagingen over de

verwijtbaarheid van de feiten aan verdachte geen acht kunnen slaan op deze documenten.

Dit verzuim valt het openbaar ministerie toe te rekenen.

3.5.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft betoogd dat het openbaar ministerie zich niet kan vinden in de aannames en veronderstellingen van de verdediging betreffende de onrechtmatige start van het onderzoek en meent dat het openbaar ministerie geheel ontvankelijk is in haar vervolging.

De advocaat-generaal heeft tevens betoogd dat de bescheiden met betrekking tot het

ABF-research rapport en het Van Rijn onderzoek zich volledig in het dossier bevinden. Meer schriftelijke bescheiden in deze zijn er niet. Ten aanzien van de overige

genoemde bescheiden heeft de advocaat-generaal geen standpunt ingenomen.

3.6

Overweging hof

Algemeen

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie bij vormverzuimen is volgens vaste jurisprudentie slechts in die gevallen aan de orde als sprake is van een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen te kort is gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak. Hierbij moet van geval tot geval beoordeeld worden of en in hoeverre de verdachte bij een vormverzuim in zijn belangen is benadeeld.

3.6.1

Ad a

Het hof verwerpt het verweer over de onrechtmatige verkrijging van bescheiden, omdat de grondslag waarop het verweer stoelt, te weten de onrechtmatige –zonder machtiging van de officier van justitie- vergaring van bescheiden van de Belastingdienst, niet correct is. In het dossier bevindt zich een kopie van een van een handtekening voorzien faxbericht van 22 januari 2009 van de officier van justitie M. Mol aan VROM-IOD3 onder meer inhoudende:

“Bij voorgaande fax heeft u toestemming verleend tot het verstrekken van de processen-verbaal en overige documenten uit het dossier met de onderzoeksnaam "Pennsylvania" aan de FIOD. Deze toestemming was verleend om de FIOD In staat te stellen om na te gaan of er fiscale strafbare feiten zijn gepleegd door een of meerdere actoren in het onderzoek Pennsylvania (o.a. [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdacht bedrijf 3] etc.).

Van de FIOD heb ik inmiddels vernomen dat deze toestemming te beperkt is. De FIOD verzocht uitbreiding van de toestemming met de navolgende omschrijving.

"Overdracht van de dossiers zal plaatsvinden aan de FIOD-ECD om na te gaan of er fiscale, dan wel andere strafbare feiten zijn gepleegd, dan wel voor overdracht aan 's-Rijksbelastingen in het kader van controle, heffing en inning.

Voor toestemming akkoord.

Mr. M.A.W. Mol,

Officier van justitie

Functioneel parket Rotterdam”.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de door de verdediging bedoelde bescheiden rechtmatig zijn verkregen en ook - indien noodzakelijk- voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Voor zover de verdediging wenst te betogen dat de feiten en omstandigheden die tot de start van het Rembrandt-onderzoek hebben geleid onvoldoende redelijk vermoeden van schuld jegens de verdachten opleverden, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat er gegronde redenen waren voor het starten van het Rembrandt-onderzoek en om de betrokkenheid van verdachte bij vermeende strafbare feiten te onderzoeken.

3.6.2.

Ook indien, zoals door de verdediging is betoogd, niet uit te sluiten valt dat lopende het onderzoek onder de naam Rembrandt door verbalisanten handelingen zijn verricht die niet stroken met de strafvorderlijke richtlijnen -het hof ziet hiervoor noch ambtshalve noch door hetgeen door de verdediging is aangedragen concrete aanwijzingen- leidt dit niet tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie nu niet is gebleken dat dit heeft geleid tot bewijsmateriaal dat zijn bestaan uitsluitend ontleent aan de wil van de verdachte.

3.6.3.

Ad b.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat een aantal van de bescheiden die door de verdachte zijn gevraagd zich reeds volledig in het dossier bevinden.

De verdediging heeft daar in wezen behoudens de stelling dat het niet zo kan zijn dat alle bescheiden al zijn overgelegd niets concreets tegenover gezet. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, kan niet dienen tot het oordeel dat er nog bescheiden aan het dossier dienen te worden toegevoegd. De enkele suggestie dat de reeds overgelegde bescheiden niet voldoende kunnen zijn, is daarvoor onvoldoende.

3.6.4.

Van de overige door de verdediging gevraagde bescheiden heeft de verdediging onvoldoende onderbouwd waarom deze bescheiden van belang kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen van 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.

Ook ziet het hof ambtshalve geen reden om nog stukken aan het dossier te laten toevoegen.

Ook dit verweer wordt verworpen.

3.6.5.

Ad c.

Gelet op hetgeen door de advocaat-generaal is aangevoerd, gaat het hof er vanuit dat de rechtbank bij haar beraadslagingen in de raadkamer niet heeft beschikt over de door de advocaat-generaal per brief van 28 oktober 2013 overgelegde pre-weegdocumenten.

Het verzoek tot het horen van de getuigen is ter terechtzitting van het hof op 17 oktober 2013 herhaald, en zal hierna worden besproken. Nu het hof hierbij beschikt over de pre-weegdocumenten is verdachte door het verzuim van het openbaar ministerie niet in zijn belangen geschaad.

Het hof zal zijn standpunt over dit getuigenverzoek onder paragraaf 4 bespreken.

3.7.

Gelet op het bovenstaande, ook in onderlinge samenhang bezien, verwerpt het hof de verweren van de verdediging. Derhalve is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging. Zoals hiervoor al aangehaald wordt ook het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting verworpen.

4 Voorwaardelijk verzoek tot horen van getuigen

4.1.

Subsidiair betoogt de verdediging dat, mede op basis van de pre-weeg

documenten, aan het hof op de regiezitting is verzocht tot het horen van vier getuigen, te

weten: [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], allen van VROM-IOD.

Het hof heeft dit verzoek bij tussenarrest van 20 december 2012, zonder kennis van de pre-weegdocumenten, afgewezen. De verdediging verzoekt voorwaardelijk, indien het hof het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging acht, alsnog om het horen van de getuigen.

4.2

Het hof heeft bij zijn tussenarrest van 20 december 2012 het horen van de genoemde getuigen afgewezen omdat door de verdediging onvoldoende is onderbouwd dat deze personen iets kunnen verklaren dat van belang zou kunnen zijn voor enige door het hof in de onderhavige zaak te nemen beslissing. Redelijkerwijze valt aan te nemen dat verdachte door het niet horen van deze getuigen niet in zijn verdediging wordt geschaad.

Hetgeen door de verdediging naderhand op 17 oktober 2013 is aangevoerd alsmede de inhoud van de overgelegde pre-weegdocumenten zelf leiden niet tot een beslissing van een andere inhoud dan die op 20 december 2012. Niet gebleken is van feiten en omstandigheden die thans alsnog nopen tot het horen van de getuigen, zodat het verzoek wordt afgewezen.

5 Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

6 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is in eerste aanleg gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

 samen met anderen [woningbouwvereniging] heeft opgelicht dan wel dat hij samen met anderen

verduistering in dienstbetrekking heeft gepleegd dan wel dat hij zich samen met

anderen heeft laten omkopen (feiten 1, 4 en 7);

 als leidinggevende samen met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd (feiten

2,5 en 8);

 als leidinggevende samen met anderen diverse geldbedragen heeft witgewassen

(feiten 3, 6 en 9);

 als oprichter, leidinggevende of bestuurder samen met anderen heeft deelgenomen

aan een criminele organisatie (feit 10).

7 Overweging met betrekking tot het bewijs

7.1.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

7.2

Voor de leesbaarheid van het arrest zal het hof in de bewijsoverwegingen waar nodig de verdachte en zijn medeverdachten in deze zaak, te weten [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdacht bedrijf 1] (Holding) B.V. (hierna: [medeverdacht bedrijf 1] B.V.) ,[medeverdacht bedrijf 2] Holding B.V. en [medeverdacht bedrijf 3] B.V. (handelende onder de naam [medeverdacht bedrijf 3], hierna te noemen [medeverdacht bedrijf 3]), niet aanduiden als ‘verdachte’ of ‘de verdachte’, of als (de) “medeverdachte(n)“, maar verwijzen naar zijn/haar/hun naam, en daarbij zo nodig tevens zijn (mede)verdachtes, voorletters of voornaam vermelden.

7.3

Naar aanleiding van een klokkenluidersmelding dat medewerkers van [woningbouwvereniging] samen met een projectontwikkelaar, te weten [medeverdacht bedrijf 3], betrokken waren bij fraude met vastgoedprojecten, het versturen van valse facturen voor werkzaamheden die niet zijn verricht en het afromen van ten onrechte of te veel betaalde bedragen via constructies met besloten vennootschappen, is door de VROM-IOD een onderzoek genaamd Rembrandt ingesteld. De Raad van Toezicht van [woningbouwvereniging] zou door deze constructies zijn bewogen tot onder meer de aankoop van de projecten [project 2], [project 1] en [project 3].

7.3.1

Het Rembrandt-onderzoek richt zich op de directeur van woningbouwvereniging [woningbouwvereniging], [medeverdachte 1], die er van wordt verdacht dat hij met projectontwikkelaar [verdachte] van [medeverdacht bedrijf 3] BV ([medeverdacht bedrijf 3]) aan de Raad van Toezicht van [woningbouwvereniging] projecten heeft voorgesteld tegen een te hoge prijs en/of daarbij de aan de projecten verbonden risico’s heeft verzwegen. Uit het onderzoek komt het vermoeden naar voren dat een deel van de door [woningbouwvereniging] voor deze projecten betaalde gelden tussen [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn verdeeld en via een speciaal daartoe opgerichte besloten vennootschap, [medeverdacht bedrijf 1] BV, zijn witgewassen. Vanuit deze laatste BV zouden valse facturen zijn verstuurd voor het dragen van risico en het verrichten van werkzaamheden, terwijl daarvan in werkelijkheid geen sprake is geweest.

7.3.2.

Betrouwbaarheid verklaring [medeverdachte 3]

Voor de bewezenverklaring van tenlastegelegde feiten bezigt het hof onder meer de verklaringen van [medeverdachte 3], afgelegd tegenover de verbalisanten van VROM-IOD.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 3] niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, omdat zij gemakkelijk te beïnvloeden is, onder druk is gezet en mede door onjuiste informatieverschaffing door de verbalisanten tijdens de verhoren, in strijd met de waarheid heeft verklaard.

Het hof verwerpt dit verweer.

[medeverdachte 3] heeft tijdens de verhoren door de VROM-IOD de mogelijkheid gehad om haar advocaat te raadplegen. Zij heeft consequent verklaard en de inhoud van haar verklaringen herhaald ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank ten tijde van de inbewaringstelling.

De door de verdediging aangehaalde feiten en omstandigheden waaruit -aldus de verdediging- afgeleid kan worden dat de verhoren van [medeverdachte 3] door de verbalisanten van VROM-IOD beïnvloed dan wel gestuurd zouden zijn, zijn onvoldoende duidelijk en concreet om te kunnen oordelen dat er geen sprake was van een objectief en gedegen onderzoek gericht op de waarheidsvinding. Het hof is niet van het voorhouden van onjuiste feiten en/of omstandigheden tijdens haar verhoren gebleken.

Dat bij de verhoren van enige druk sprake is, is begrijpelijk in het licht van het zoeken naar de waarheid. Dit wordt anders indien er sprake is van ontoelaatbare druk. Dit is gesteld noch gebleken. Het hof is dan ook van oordeel dat er geen reden is om de verklaringen van [medeverdachte 3] van het bewijs uit te sluiten. Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte 3] voldoende betrouwbaar om deze tot bewijs te bezigen.

Dat [medeverdachte 3] naderhand haar verklaringen heeft afgezwakt maakt dit oordeel niet anders.

7.3.3.

[medeverdacht bedrijf 1] B.V.

7.3.3.1. De oprichting en de certificering van de aandelen van [medeverdacht bedrijf 1] B.V.

Op 30 september 2005 wordt [medeverdacht bedrijf 1] B.V., vanaf 31 mei 2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] opgericht door [medeverdachte 2]. Bij de oprichting wordt [medeverdachte 2] enig aandeelhouder van de vennootschap, terwijl haar levenspartner [medeverdachte 3] enig bestuurder wordt. Het totaal geplaatst aandelenkapitaal van [medeverdacht bedrijf 1] B.V. is € 18.150,- en [medeverdachte 2] verkrijgt alle 726 uitgegeven aandelen. Op dezelfde dag wordt door [medeverdachte 2] [medeverdacht bedrijf 1] opgericht, waarvan zij enig bestuurder wordt. De aandelen van [medeverdacht bedrijf 1] B.V. worden dezelfde dag nog gecertificeerd en in [medeverdacht bedrijf 1] ondergebracht.

Op het bankrekeningnummer van [medeverdacht bedrijf 1] B.V. wordt op 15 september 2005 een bedrag ter grootte van € 19.000,- bijgeschreven. De betaling is afkomstig van [medeverdacht bedrijf 4] en is voorzien van de omschrijving “Spoedopdracht.” [medeverdachte 2] verklaart over deze betaling dat deze de verstrekking van een lening betreft door [medeverdacht bedrijf 4], een bedrijf van [verdachte]. Deze lening is korte tijd later door [medeverdacht bedrijf 1] B.V. terugbetaald.

7.3.3.2. De overdracht van aandelen aan [betrokkene]

Bij brief d.d. 10 augustus 2005 aan notaris [notaris] betreffende “Oprichting van [medeverdacht bedrijf 1] B.V.” schrijft de registeraccountant [registeraccountant] dat [medeverdachte 2] [medeverdacht bedrijf 1] B.V. wil oprichten en dat zij de aandelen van deze BV wil certificeren en de certificaten voor 45/55e deel tegen nominale waarde wil overdragen aan haar broer, de heer [medeverdachte 1], hetgeen inhoudt 594 certificaten met een nominale waarde van totaal € 14.850,-. [registeraccountant] verzoekt notaris [notaris] de stukken in concept op te maken op basis van deze gegevens.

Op 30 september 2005 draagt [medeverdachte 2] 594 geplaatste certificaten van aandelen in het kapitaal van [medeverdacht bedrijf 1] B.V. over aan [betrokkene], de echtgenote van [medeverdachte 1] met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd. Blijkens de akte van overdracht van de certificaten betaalt zij hiervoor € 14.850,- .

Door de ouders van [medeverdachte 3] is na de doorzoekingen een onderhandse akte van overdracht van certificaten gedateerd 12 oktober 2005 van [betrokkene] aan [medeverdachte 3] overhandigd. Deze overdracht van de certificaten is niet aangetekend in het eveneens bij die gelegenheid overhandigde register van certificaathouders. Deze akte en de plaats waar deze zich bevond kwam eerst ter sprake in het 15e verhoor door VROM-IOD van [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] heeft toen verklaard dat zij dit document bij de vader van [medeverdachte 3] op zolder bewaarde als back-up in verband met brandgevaar.

Het hof constateert dat nergens een ander exemplaar van deze akte is aangetroffen. Tevens blijkt dat het certificaathoudersregister, op de plaats waar deze mutatie zou dienen te worden vermeld, wel een handtekening van [betrokkene] bevat.4

[betrokkene] verklaart dat zij niets weet van een overdracht van certificaten aan, respectievelijk door haar. Zij verklaart bovendien niets te weten van een garantstelling. Geconfronteerd met de parafen en handtekeningen op de documenten betreffende de (vermeende) overdrachten van de certificaten, verklaart zij niet te weten of deze van haar zijn.

Met betrekking tot de certificaten verklaart [medeverdachte 3] nog dat zij niet weet hoe lang deze garantstelling heeft geduurd en of [betrokkene] nog steeds garant staat.

De verdediging heeft aangevoerd dat de overdracht van certificaten aan [betrokkene], de echtgenote van [medeverdachte 1], een garantstelling betrof voor de lening die is afgesloten ten behoeve van het kapitaal dat benodigd was voor de oprichting van [medeverdacht bedrijf 1] B.V. en dat de certificaten enkele dagen later, toen de garantstelling niet meer nodig was, weer door [betrokkene] zijn overgedragen aan [medeverdachte 3].

De verdediging heeft naar het oordeel van het hof echter geen -aannemelijke verklaring- gegeven voor het feit dat:

- de beweerdelijke zekerstelling slechts plaats vond met betrekking tot nominaal

€ 14.850 certificaten, terwijl, bij een lening van € 19.000, een zekerstelling met behulp van alle nominaal € 18.150 certificaten meer voor de hand zou hebben gelegen;

  • -

    de betreffende aandelen zijn overgedragen ten titel van koop en er geen pandrecht is gevestigd;

  • -

    er geen geldstromen zijn aangetroffen die de koop door [betrokkene] resp. [medeverdachte 3] onderbouwen.

Zoals hierna zal worden besproken5 is niet aannemelijk geworden dat [medeverdacht bedrijf 1] BV werkzaamheden van enige betekenis heeft verricht noch risico van enige betekenis heeft gelopen, terwijl de door haar van [medeverdacht bedrijf 3] ontvangen vergoedingen wel van aanzienlijke omvang zijn. Ook acht het hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat tenminste een zeer aanzienlijk deel van deze vergoedingen feitelijk afkomstig zijn van [woningbouwvereniging].

Gelet op bovenstaande bevindingen en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien met hetgeen hierna onder 7.4.1. wordt overwogen, acht het hof de door de verdediging geschetste alternatieve scenario omtrent de oprichting van [medeverdacht bedrijf 1] B.V., de certificering, de verpanding, de teruglevering van de certificaten door [betrokkene] aan [medeverdachte 3] inhoudende dat [medeverdachte 1] daarbij niet betrokken is geweest en bij de oprichting en het bestaan van [medeverdacht bedrijf 1] B.V. geen direct financieel belang had, niet aannemelijk. Met name hecht het hof in dit verband geen beslissende betekenis aan de akte overdracht van de certificaten gedateerd 12 oktober 2005, mede nu deze akte niet is aangetekend in het register. Naar het oordeel van het hof is deze akte slechts opgemaakt om de eigendom van de hiervoor bedoelde certificaten zo nodig voor het oog van de buitenwereld aan [medeverdachte 3] te verbinden.

Gelet hierop slaat het hof geen acht op de beweerdelijke overdracht van de certificaten van aandelen aan [medeverdachte 3].

7.4.

De betrokkenheid van verdachten in [medeverdacht bedrijf 1] B.V.

7.4.1.

Om vast te stellen wat de betrokkenheid van de verschillende verdachten was bij de oprichting en de activiteiten van [medeverdacht bedrijf 1] B.V. en wie (feitelijk) leiding geven aan [medeverdacht bedrijf 1] B.V., slaat het hof acht op de volgende verklaringen en documenten.

Blijkens de uittreksels uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel d.d. 7 mei 2010 betreffende [medeverdacht bedrijf 1] B.V. was [medeverdachte 3] vanaf de oprichting op 30 september 2005 algemeen directeur en alleen/zelfstandig bevoegd.

Over de oprichting van [medeverdacht bedrijf 1] B.V. wordt door de toenmalig directeur, [medeverdachte 3] in het 10e verhoor, het volgende verklaard:

"Ik ben niet bij de oprichtingsplannen van de Stichting en [medeverdacht bedrijf 1] B.V. aanwezig geweest. [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (naar het hof begrijpt: [medeverdachte 2]) hebben dit gepland”.

Op de vraag waarom [medeverdachte 3] juist directeur moest worden en niet [verdachte], [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2], antwoordt zij:

“Omdat [verdachte] geen zaken zou mogen doen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Dat zou zo zijn vanwege de geldstromen van [woningbouwvereniging] naar [medeverdacht bedrijf 3] en van [medeverdacht bedrijf 3] naar [medeverdacht bedrijf 1] B.V. [medeverdachte 1] was toen al directeur bij [woningbouwvereniging] en [medeverdachte 2] kon geen directeur zijn omdat zij de zus van [medeverdachte 1] is en [medeverdachte 1] de directeur van [woningbouwvereniging]. Het is mij door [medeverdachte 2] uitgelegd dat zij geen directeur konden worden en ik wel. Ik verdiende veel geld waar ik niets voor hoefde doen.”

Vanaf 20 november 2008 wordt [verdachte] eveneens zelfstandig bevoegd als algemeen directeur van [medeverdacht bedrijf 1] B.V.. [medeverdachte 3] verklaart dat het feit dat [verdachte] op dat moment directeur werd van [medeverdacht bedrijf 1] B.V., alles te maken had met het aangekondigde bezoek van de belastingdienst. Vlak voor dit bezoek van de belastingdienst in 2008 heeft zij een stuk of tien briefjes geschreven tussen [medeverdacht bedrijf 3] en [medeverdacht bedrijf 1] B.V.. Zij verklaart dat de datum van die briefjes moest kloppen met de projecten die in de mappen aan de [adres] te [plaats] zaten. Volgens [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 1] haar daar deze briefjes gedicteerd met een tekst als “hoi [verdachte], hierbij de tekening of stukken van... Ik heb gekeken naar project dat niet haalbaar is. Groetjes [medeverdachte 3].

Zij verklaart dat deze briefjes met een foutieve datum in de projectmappen zijn gedaan en dat een kopie daarvan is gegeven aan [verdachte], die ook bij het onderhoud aanwezig was. Zij verklaart voorts vaker haar handtekening te hebben gezet onder dingen die niet klopten.

Ook [medeverdachte 2] was volgens haar bij het onderhoud aanwezig. [medeverdachte 2] heeft tijdens haar verhoor door de VROM IOD bevestigd dat [medeverdachte 1] heeft geholpen met administratieve taken in [medeverdacht bedrijf 1] B.V..

[medeverdachte 2] verklaart dat zij de betalingen verzorgde voor [medeverdacht bedrijf 1] B.V. en dat ze alles weet van de administratie van [medeverdacht bedrijf 1] B.V.. Zij verklaart dat zij wel degelijk werkzaamheden heeft verricht en de adviezen heeft gegeven waarvan in de verschillende documenten wordt gesproken en waarvan [medeverdachte 3] verklaart dat zij die niet heeft verricht respectievelijk niet heeft gegeven. Zij verklaart dat ze deze werkzaamheden en projecten aan [medeverdacht bedrijf 3] heeft gefactureerd. Over de rol van [medeverdachte 3] in [medeverdacht bedrijf 1] B.V. verklaart ze dat ze aanvankelijk dacht dat [medeverdachte 3] wel werkzaamheden zou gaan verrichten, maar dat duidelijk werd dat [medeverdachte 3] het niet leuk vond.

In een emailbericht d.d. 1 september 2005 van [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] vraagt [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] “ze zo netjes vind”. Het emailbericht vermeldt als onderwerp ‘Briefpapier en factuur [medeverdacht bedrijf 1] B.V.’ en bij dit bericht zijn twee documenten gevoegd, te weten een blanco (concept) brief en een blanco (concept) factuur op briefpapier van [medeverdacht bedrijf 1] B.V..

[adviesbureau] stuurt [medeverdacht bedrijf 1] B.V. op 31 januari 2007 een factuur ten behoeve van Juridisch advies inzake diverse projecten. Deze factuur wordt in de woning van [medeverdachte 1] aangetroffen. In de woning van [medeverdachte 1] is bij de doorzoeking ter inbeslagname op 19 mei 2010 ook gevonden een uitdraai van een verrekenstaat waarop onder andere een kolom staat met de titel “deel [medeverdacht bedrijf 1]” (zie ook hierna onder “7.5. Geldstromen”).

Voorts werd in de woning van [medeverdachte 1] aangetroffen een lijst met daarop de aandelenportefeuille van [medeverdacht bedrijf 1] B.V. . Hierover heeft [medeverdachte 2] het volgende verklaard : ‘[medeverdacht bedrijf 1] B.V. heeft een beleggingsportefeuille van in totaal ongeveer € 870.000,-.’

Op 19 september 2005 stuurt [registeraccountant] aan [bedrijf 1] B.V., t.a.v. de heer [medeverdachte 1], een factuur voor verleende diensten tot en met augustus 2005. Op de specificatie van de factuur staat onder meer de post ‘oprichten rechtspersonen’. Op een overzicht dat later door [registeraccountant] wordt verstrekt staat bij deze post vermeld ”10-08-2005 [bedrijf 2] (=[bedrijf 2]) inz. [medeverdacht bedrijf 1]”.

Uit bovenstaande verklaringen en bevindingen (vanaf 7.3.3.) , in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat [medeverdachte 1] direct betrokken is geweest bij de oprichting van [medeverdacht bedrijf 1] BV en naast [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] feitelijk opdracht tot en/of leiding heeft geven aan [medeverdacht bedrijf 1] B.V.

7.5.

De geldstromen van en naar [medeverdacht bedrijf 1] B.V.

7.5.1

Om vast te stellen hoe de geldstromen liepen van en naar deze B.V. slaat het hof acht op het volgende.

Verrekenstaat en handgeschreven notities

Op de computers in de woningen van respectievelijk [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en in het bedrijfspand aan de [adres] te [plaats] is een verrekenstaat6 aangetroffen waarin onder meer een kolom is opgenomen met de titel “deel [medeverdacht bedrijf 1]”. In de woning van [medeverdachte 1] is een (eerdere) uitdraai van deze verrekenstaat gevonden7. In de kolom met de titel deel [medeverdacht bedrijf 1] staan uiteenlopende bedragen in euro’s opgenomen onder diverse projectnamen.

Daarnaast zijn in de woning van [medeverdachte 1] handgeschreven overzichten8 aangetroffen. Op deze documenten staan allerlei bedragen, plaatsnamen, projecten en verwijzingen naar facturen geschreven. Deze documenten zijn van de hand van [medeverdachte 2].

Op grond van deze verrekenstaat en de handgeschreven notities concludeert het hof dat bepaalde bedragen, afkomstig uit de opbrengsten van diverse projecten, ten goede zouden komen aan [medeverdacht bedrijf 1] B.V.

De verdediging heeft aangevoerd dat de aanwezigheid, herkomst en/of bedoeling van de -digitaal dan wel fysiek- aangetroffen verrekenstaten en handgeschreven notities niet bekend waren bij de verschillende verdachten en dat uit de enkele vondst van deze documenten geen conclusies mogen worden getrokken met betrekking tot hun wetenschap van de inhoud van deze documenten. Het hof acht dit niet aannemelijk. De verrekenstaten en/of handgeschreven notities zijn bij de verschillende verdachten thuis en/of op de bij hen in gebruik zijnde computers aangetroffen. Zij vermelden projecten waarbij zij allemaal op de een of andere wijze betrokken zijn geweest en maken voorts melding van bedragen die verdachten niet onbekend kunnen zijn gelet op deze betrokkenheid.

Dat de verrekenstaat die bij [verdachte] is aangetroffen door [medeverdachte 2] zou zijn achtergelaten tijdens de bijlessen die zij aan de kinderen van [verdachte] gaf, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.

Voor de beantwoording van de vraag of en hoe de geldstromen vanuit de projecten naar [medeverdacht bedrijf 1] B.V. liepen overweegt het hof het volgende.

7.5.2. 1.

Het factureren door [medeverdacht bedrijf 1] B.V. aan o.a. [medeverdacht bedrijf 3]

[medeverdacht bedrijf 1] B.V. heeft diverse (hierna afzonderlijk te noemen onder de verschillende ten laste gelegde feiten) facturen verzonden aan onder andere [medeverdacht bedrijf 3]. Deze facturen gingen vergezeld van een begeleidend schrijven, waarin de reden van de facturatie stond vermeld. In dit begeleidend schrijven werd ofwel verwezen naar de afkoop van een project waarvoor [medeverdacht bedrijf 1] B.V. mede risico zou hebben gedragen, ofwel naar werkzaamheden die door [medeverdacht bedrijf 1] B.V. in een bepaald project zouden zijn verricht. Het begeleidend schrijven werd ondertekend door [medeverdachte 3], als directeur van de B.V..

In de tenlastelegging wordt een aantal facturen genoemd die vals zouden zijn opgemaakt. Bij de afzonderlijk tenlastegelegde facturen zal het hof vaststellen of naar zijn oordeel het aannemelijk is dat de omschreven werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht.

Het hof concludeert dat de verkregen opbrengsten uit de projecten via het indienen van facturen bij onder andere [medeverdacht bedrijf 3] naar het vermogen van [medeverdacht bedrijf 1] B.V. zijn gevloeid.

Voor de beantwoording van de vraag hoe de geldstromen vanuit [medeverdacht bedrijf 1] B.V. naar de verdachten zijn gegaan, slaat het hof acht op het volgende:

7.5.3.

Certificaten

De certificaten van [medeverdacht bedrijf 1] B.V. die door [medeverdachte 2] zijn overgedragen aan [betrokkene] belichamen de economische rechten. Het meest in het oog springende economische recht is het recht op dividend.

[betrokkene] bezat volgens het register van certificaathouders 45/55e deel en [medeverdachte 2] 10/55e deel van de certificaten van [medeverdacht bedrijf 1] B.V.. Daarmee vallen de opbrengsten van de door [medeverdacht bedrijf 1] te beheren aandelen voor respectievelijk 45/55e en 10/55e deel in hun vermogen.

[betrokkene] is in gemeenschap van goederen getrouwd met [medeverdachte 1]. Dit impliceert dat de certificaten van [betrokkene] in de huwelijksgoederen-gemeenschap vallen en dat het mogelijk op de aandelen van [medeverdacht bedrijf 1] B.V. uit te keren dividend voor 45/55e deel (mede) in het vermogen van [medeverdachte 1] zou vallen. Voorts gaat het hof er vanuit dat -gelet op bovenvermelde verdeling van de certificaten- 10/55e deel van het op de aandelen van [medeverdacht bedrijf 1] B.V. mogelijk uit te keren dividend in het vermogen van [medeverdachte 2] zou vallen.

7.5.4

Gelden

Op 3 februari 2006 verkoopt [medeverdachte 1] zijn vakantiewoning aan [medeverdacht bedrijf 1] B.V. voor EUR 288.000.9 Volgens [medeverdachte 1] is dit de NVM getaxeerde waarde van de woning.10 Op dezelfde dag verleent [medeverdacht bedrijf 1] B.V. aan [medeverdachte 1] om niet een gebruiksrecht op de woning.11

In december 2008 wordt vanuit [medeverdacht bedrijf 1] B.V. geld overgemaakt op de rekening van [medeverdachte 3] onder de vermelding “bonus”. [medeverdachte 3] heeft dezelfde dag een deel van het geld overgemaakt aan [medeverdachte 1]. [medeverdachte 3] heeft hierover verklaard12 dat die bonus er kwam omdat [medeverdachte 1] (naar het hof begrijpt [medeverdachte 1]) geld nodig had op dat moment. Zij verklaart voorts dat [medeverdachte 1] de bonus heeft verzonnen omdat er geld naar hem toeging. Op de vraag wie er als heer en meester over het geld binnen [medeverdacht bedrijf 1] B.V. kon beschikken, verklaart [medeverdachte 3]: ‘[medeverdachte 1]”.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat er daadwerkelijk gelden vanuit [medeverdacht bedrijf 1] B.V. naar [medeverdachte 1] zijn gevloeid.

7.6

Feitelijke leidinggeven

Op 10 november 1997 is[medeverdacht bedrijf 2] Holding B.V. (hierna te noemen:[medeverdacht bedrijf 2]) opgericht. Van deze vennootschap, gevestigd op de [adres] te [plaats], heeft de toenmalige echtgenote van [verdachte], [ex partner verdachte], sinds de oprichting alle aandelen en is ze enig bestuurder. In de loop van 2010 is dat laatste gewijzigd en is [verdachte] enig bestuurder geworden. [ex partner verdachte] bleef wel enig aandeelhouder.

[medeverdacht bedrijf 2] houdt alle aandelen van [medeverdacht bedrijf 3] B.V. (handelend onder de naam [medeverdacht bedrijf 3]). Van deze vennootschap is[medeverdacht bedrijf 2] sedert 22 maart 2002 directeur.

[ex partner verdachte] heeft over haar rol binnen deze ondernemingen verklaard dat zij weliswaar aandeelhouder en (mede)directeur was maar dat [verdachte] de feitelijke leiding over deze ondernemingen had. De reden dat alles op haar naam is gezet was enkel gelegen in het feit dat de ondernemingen niet op naam van [verdachte] gezet konden worden in verband met zijn eerdere, nog niet afgewikkelde, faillissement. Zij heeft verklaard geen enkele bemoeienis met de inhoudelijke gang van zaken van deze ondernemingen te hebben gehad en enkel documenten op verzoek van [verdachte] te hebben ondertekend. Wel heeft zij aangegeven de administratie van de ondernemingen te hebben gedaan. Zij boekte in de administratie in, hetgeen [verdachte] haar daartoe gaf.

Ook is[medeverdacht bedrijf 2] enig aandeelhouder van Holding [bedrijf 3] B.V. Deze BV is opgericht op 14 november 2001 en houdt alle aandelen en is tevens directeur van

[bedrijf 4] B.V.. [medeverdachte 2] was in dienst bij deze laatste rechtspersoon.

[verdachte] heeft over zijn rol binnen deze ondernemingen verklaard dat hij de dagelijkse leiding heeft in deze vennootschappen. Hij is degene die alles beslist en regelt en alle verantwoordelijkheden had. Dat is ook altijd zo geweest, verklaart hij verder. [ex partner verdachte] deed enkel wat administratieve handelingen die hij haar opdroeg maar had geen inhoudelijke bemoeienis met de inhoudelijke gang van zaken van de ondernemingen.

Uit bovenstaande verklaringen en bevindingen leidt het hof af dat [verdachte] opdracht en/of feitelijke leiding heeft geven aan [medeverdacht bedrijf 3] BV h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3] en[medeverdacht bedrijf 2].

7.7

Deelprojecten

7.7.1

De gang van zaken binnen [woningbouwvereniging]

[woningbouwvereniging], gevestigd te [vestigingsplaats], is een zogenaamde toegelaten instelling: een instelling die werkzaam is in het belang van de volkshuisvesting. [woningbouwvereniging] wordt bestuurd door een directeur bestuurder die onder toezicht valt van de Raad van Toezicht. Ten aanzien van de taken van de directie is in de statuten o.a. vastgelegd dat de directie alleen na verkregen toestemming van de Raad van Toezicht bevoegd is te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld van een ander verbindt. De taken van de directie en de relatie tussen Raad van Toezicht en directie is nader uitgewerkt in het Directiereglement / Bestuurstatuut, waarin onder meer is opgenomen dat het aan de directie is om initiatieven te ontwikkelen die in het belang geacht worden van de Stichting en de volkshuisvesting, daarbij ondersteund door het managementteam (MT) en de coördinatoren. Daarnaast is opgenomen dat de directie dient zorg te dragen voor de vastlegging van de vergaderingen van het managementteam. De voorgenomen directiebesluiten, welke conform de statuten de goedkeuring van de Raad van Toezicht behoeven, worden door de directie tijdig aan de Raad van Toezicht voorgelegd, zodat een weloverwogen besluit kan worden genomen. De directie heeft de bevoegdheid tot het doen van alle uitgaven voor zover deze binnen de vastgestelde begroting vallen of waarvoor door de Raad van Toezicht in een vergadering goedkeuring verleend is.

Volgens de (voormalig) voorzitter van de Raad van Toezicht, [getuige 5], bestaat tussen de directeur van [woningbouwvereniging] en de Raad van Toezicht een sterke vertrouwensrelatie. De aankoop en verkoop van onroerend goed heeft altijd, ongeacht het bedrag, toestemming nodig van de Raad van Toezicht. Als deze eenmaal is verleend mag de directeur zelf het project uitvoeren. Hij mag het budget niet overschrijden zonder toestemming van de Raad van Toezicht. [getuige 5] verklaart dat bij de beoordeling van de inhoud van de voorgelegde stukken vertrouwd wordt op de deskundigheid en integriteit van de directie/bestuurders als het gaat om de juistheid en volledigheid van de inhoud. Als een investeringsvoorstel akkoord werd bevonden door de Raad van Toezicht dan moest het project ook zo worden uitgevoerd. Als er belangrijke afwijkingen waren moest er een nader aanvullend voorstel gedaan worden welke dan moest worden goedgekeurd.

7.7.2.

Het project [project 1]

7.7.2.1. Oplichting (feit 1)

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 1 primair onder de gedachtestreepjes 1 tot en met 5, is ten laste gelegd, voor zover inhoudende dat verdachte:

- verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de

gemeente [plaats] op 13 april 2006 ten aanzien van het perceel [adres]

[adres] (kadastraal bekend Sectie N-450) een onteigeningsprocedure was gestart

(B.5.570), terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) op de hoogte was/waren

van de voorgenomen onteigening en van de omstandigheid dat de

onteigeningsvergoeding voor het perceel op [naam] 479.000,- was gesteld (3 5.142)

en/of

- verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat op het

perceel [adres] (groot 429 m2), de realisatie van de geplande 74

appartementen, een ontmoetingsruimte en parkeerplaatsen (“het Project”) niet

mogelijk was, aangezien voor het realiseren van het Project verwerving van de

naastgelegen strook grond (kadastraal bekend sectie N419, groot t 876m2)

noodzakelijk, maar niet mogelijk was, omdat de erfpachtaanbieding (gedaan

door de Gemeente [plaats] in haar ongedateerde, maar vermoedelijk op 20

december 2005 opgestelde brief, 35.147) voor deze naastgelegen strook grond

per 31 maart 2006 verlopen was en/of omdat het Project niet voldeed aan de

door de Gemeente [plaats] gestelde voorwaarden voor die erfpachtaanbieding

en/of

- verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de

Gemeente [plaats] in de Ringspoorzone, waarin de [project 1] is gelegen,

overwegend vrije sector huur of koopwoningen wilde, en niet overwegend

huursubsidiabele (senioren)woningen

en/of

- verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat [woningbouwvereniging]

niet het onverdeelde eigendom zou krijgen van (het recht op erfpacht op) het

perceel [adres] maar dat een deel (6/115e deel) in eigendom zou

blijven van de Stichting [stichting 1] tea

behoeve van het realiseren van een Koninkrijkszaal van Jehova’s getuigen,

en/of

- voorgewend dat de wijkwethouder zich positief had uitgelaten over het

Project,

Het hof acht niet bewezen dat de feiten en omstandigheden zoals hiervoor genoemd er toe hebben bijgedragen dat [woningbouwvereniging] is bewogen tot afgifte van gelden aan [medeverdacht bedrijf 3] BV, zodat verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging onder feit 1 primair dient te worden vrijgesproken.

7.7.2.1. nadere overweging met betrekking tot het bewijs

Het investeringsvoorstel d.d. 9 maart 2007 betreffende het project [project 1]

wordt op 9 maart 2007 door [medeverdachte 1] voorgelegd aan de Raad van

Toezicht. De Raad van Toezicht heeft in de vergadering van 28 maart 2007 ingestemd met investeringsvoorstel betreffende de [project 1].

Feit 1 primair Gedachtestreepjes 6 en 7

Het hof acht bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verheimelijkt dat de in het project te behalen winst en/of opbrengst van [medeverdacht bedrijf 3] uit de koop van de [adres] tussen hen onderling zou worden verdeeld en dat zij hebben verzwegen dat [medeverdachte 1] (via [medeverdacht bedrijf 1] B.V.) enig geldbedrag zou ontvangen van [medeverdacht bedrijf 3].

Het hof slaat daarbij acht op:

- de akte van levering d.d. 1 juni 2007 tussen [bedrijf 5] BV en [medeverdacht bedrijf 3] BV betreffende het perceel grond sectie N, nummer 450 bekend [adres], voor een bedrag van € 1.500.000;

- de akte van levering d.d. 11 juni 2007 tussen [medeverdacht bedrijf 3] en [woningbouwvereniging] betreffende het perceel grond sectie N, nummer 450 bekend [adres], voor een bedrag van

€ 2 450.000;

- het verschil tussen de koopprijs voor het perceel [adres] betaald door [medeverdacht bedrijf 3] op 1 juni 2007 en de koopprijs betaald door [woningbouwvereniging] op 11 juni 2007 betreft een bedrag van € 950.000;

- een handgeschreven notitie die is gevonden in de woning van [medeverdachte 1] waarop staat geschreven: [project 1] € 950.000,-. Achter dit bedrag staat vermeld: x 55/100. Dit document is van de hand van [medeverdachte 2];

– een Excel overzicht dat is aangetroffen op de computers in de woningen van respectievelijk [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en in het bedrijfspand aan de [adres] waarop een verrekenstaat is aangetroffen waarin onder meer een kolom is opgenomen met de titel: te ontvangen Totaal ex Btw en een kolom met de titel Deel [medeverdacht bedrijf 1]. In de woning van [medeverdachte 1] is een uitdraai van deze verrekenstaat gevonden. Onder de projectnaam [project 1] is in de kolom met de titel te ontvangen Totaal ex Btw een bedrag opgenomen van € 950.000,- en in de kolom met de titel Deel [medeverdacht bedrijf 1] is een bedrag van € 522.500,- opgenomen.

Op grond hiervan concludeert het hof het volgende.

Uit bovengenoemde handgeschreven notitie en uit de verdeelsleutel zoals die uit het aangetroffen exceloverzicht blijkt, blijkt dat verdachten afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de winst en/of opbrengst die zou voortvloeien uit de koop en verkoop van de [project 1]. Het bedrag van € 522.500,- dat in het Excelbestand wordt toebedeeld aan [medeverdacht bedrijf 1] B.V. zou via de hierboven onder paragraaf 7.5. (De geldstromen van en naar [medeverdacht bedrijf 1] B.V.) beschreven constructie worden ontvangen door [medeverdachte 1]. Volgens de hierboven onder paragraaf 7.5 beschreven wijze zou een onderlinge verdeling plaatsvinden van dit bedrag tussen [medeverdachte 1] en zijn medeverdachten.

Met betrekking tot de oplichting concludeert het hof als volgt:

[getuige 5], destijds voorzitter van de Raad van Toezicht, heeft verklaard dat hij nooit toestemming voor de aankoop van het project zou hebben gegeven als hij had geweten dat verdachte persoonlijk financieel gewin zou hebben van de aankoop van het project. Dit is namelijk niet toegestaan. [naam] verklaart dat de Raad van Toezicht onvolledig geïnformeerd is en dat hij zich misleid voelt. [getuige 6] verklaart dat de Raad van Toezicht door [medeverdachte 1] omtrent het project [project 1] te [plaats] onjuist en/of onvolledig is geïnformeerd. Wanneer [medeverdachte 1] op de juiste wijze de juiste informatie had verstrekt, zou hij, dan wel de Raad van Toezicht, niet hebben ingestemd met het voorstel zoals gerelateerd in het investeringsvoorstel d.d. 9 maart 2007.

Het hof concludeert hieruit dat de Raad van Toezicht op 28 maart 2007 heeft ingestemd met aankoop van [project 1] van [medeverdacht bedrijf 3] door [woningbouwvereniging], omdat zij niets wist van bovenstaande punten. Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden acht het hof bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte -in nauwe en bewuste samenwerking- met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen [woningbouwvereniging] hebben bewogen tot afgifte van enig geldbedrag.

7.7.3.

Valsheid in geschrift en witwassen (feiten 2 en 3)

7.7.3.1. Door [medeverdacht bedrijf 1] B.V. zijn diverse facturen, elk ten bedrage van € 35.700,-, verzonden aan [medeverdacht bedrijf 3], namelijk:

- op 27-02-2007 de factuur 07/001 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement februari en voorzien van een begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 5] ter grootte van een bedrag van € 5.000,- en [project 6] ter grootte van een bedrag van € 25.000,-;

- op 09-03-2007 de factuur 07/004 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement maart en voorzien van een begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 5] ter grootte van een bedrag van € 5.000,- en de 1e termijn voorschot op risico/winst van het project [project 7] ter grootte van een bedrag van € 25.000,-;

- op 05-07-2007 de facturen 07/006, 07/007en 07/008 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement april, Adviezen en projectmanagement mei , respectievelijk Adviezen en projectmanagement juni en voorzien van een begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 5] ter grootte van een bedrag van € 5.000,- en de 2e termijn voorschot op risico/winst van het project [project 7] ter grootte van een bedrag van

€ 25.000,-, naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 5] ter grootte van een bedrag van € 5.000,-, werkzaamheden [project 8] ter grootte van een bedrag van € 2.500,- en projectmanagement en adviezen voor de [adres] [plaats] ter grootte van een bedrag van € 22.500, respectievelijk naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 5] ter grootte van een bedrag van € 5.000,-, werkzaamheden [project 8] ter grootte van een bedrag van € 2.500,- en projectmanagement en adviezen voor de [adres] [plaats] ter grootte van een bedrag van € 22.500,-;

- op 03-09-2007 de factuur 07/010 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement juli en voorzien van een begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 5] ter grootte van een bedrag van € 12.500,- en de 1e termijn voorschot op risico/winst van het project [project 6] ter grootte van een bedrag van € 17.500,-;

- op 11-09-2007 de factuur 07/011 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement augustus en voorzien van een begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende het project [project 7] en een derde termijn afkoop risico/winst tezamen ter grootte van een bedrag van € 12.500,- en de 2° termijn voorschot op risico/winst van het project [project 6] ter grootte van een bedrag van € 17.500,-.

7.7.3.2. werkzaamheden [medeverdacht bedrijf 1] B.V.

Het hof dient de vraag te beantwoorden of [medeverdacht bedrijf 1] B.V. daadwerkelijk adviezen, projectmanagement en werkzaamheden heeft verricht dan wel risico heeft gedragen met betrekking tot de in de begeleidende brieven omschreven projecten. De verdediging heeft gesteld dat deze werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en risico is gedragen en zij heeft ter onderbouwing van deze stelling projectmappen in het geding gebracht.

Het hof is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat deze werkzaamheden zijn verricht en dat ten aanzien van genoemde projecten risico is gedragen door [medeverdacht bedrijf 1] B.V.. Weliswaar heeft de verdediging enkele projectmappen in het geding gebracht , maar noch in deze mappen, noch in de overige stukken van het dossier kan bevestiging worden gevonden voor de stelling van de verdediging dat er door [medeverdacht bedrijf 1] B.V. werkzaamheden van enige betekenis zijn verricht. Ook voor de stelling dat [medeverdacht bedrijf 1] B.V. voor deze projecten enig risico heeft gelopen kan geen onderbouwing worden gevonden. Het hof sluit niet uit dat [medeverdachte 2] in bovengenoemde projecten enige werkzaamheden heeft verricht, maar nergens blijkt dat zij deze werkzaamheden in het kader van [medeverdacht bedrijf 1] B.V. heeft verricht en niet in haar hoedanigheid van werkneemster van [bedrijf 3], een van de vennootschappen van [verdachte] waar zij in dienst was. Nu in de facturen is opgenomen dat de werkzaamheden zijn verricht door, en het risico is gedragen door [medeverdacht bedrijf 1] B.V., concludeert het hof dat de facturen vals zijn. Nu deze facturen in opdracht van [verdachte] in de administratie van [medeverdacht bedrijf 3] zijn opgenomen, is die administratie ook vals.

Door [medeverdacht bedrijf 3] is op 29 juni 2007 een geldbedrag ter grootte van € 350.000,-, overgemaakt aan [medeverdacht bedrijf 1] B.V. onder vermelding van Voorschot termijnnota's. Door verdachte en zijn medeverdachten is voor de ontvangst van € 350.000,- door [medeverdacht bedrijf 1] B.V. geen enkele aannemelijke verklaring gegeven. Van een mogelijk legale herkomst van het geld is ook overigens niet gebleken.

Het hof leidt uit de omstandigheden waaronder het geld is overgemaakt en de overige feiten en omstandigheden, zoals deze onder 7.3.3. met betrekking tot [medeverdacht bedrijf 1] BV staan beschreven, in onderlinge samenhang met de oplichting van [woningbouwvereniging] door [medeverdachte 1] en [verdachte] bezien, af dat het niet anders kan zijn dan dat het hiervoor vermelde geldsbedrag van enig misdrijf, namelijk oplichting, afkomstig is en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad. Door middel van het opmaken van de valse facturen en het doen toekomen van die facturen aan [medeverdacht bedrijf 3] (teneinde die valse facturen in de administratie van [medeverdacht bedrijf 3] te laten opnemen) werd de herkomst van het door oplichting verkregen geld verhuld.

Het hof heeft hiervoor onder 7.6 (Feitelijk leidinggeven) al geconcludeerd dat [verdachte] feitelijk opdracht en/of leiding heeft gegeven aan [medeverdacht bedrijf 3]. Het hof acht dan ook bewezen dat [verdachte] ook aan deze verboden gedragingen (valsheid in geschrift en witwassen) leiding heeft gegeven.

7.7.4

Project [project 2]

7.7.4.1. Oplichting (feit 4)

7.7.4.2. Algemeen

De raad van Toezicht heeft in de vergadering van 21 september 2005 ingestemd met investeringsvoorstel betreffende de [project 2].

Op 3 oktober 2005 wordt door [medeverdacht bedrijf 3] aan [woningbouwvereniging] het perceel [adres] in [plaats] geleverd voor een bedrag van € 7.451.270,54.

7.7.4.3. Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 4 primair onder de gedachtestreepjes 1 tot en met 4, voor zover inhoudende dat verdachte:

- verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de

verwerving van [adres] van Stichting [stichting 2] noodzakelijk was voor

de verwezenlijking van de overeengekomen ontwikkeling (3 5.102, B 5.103) van

[adres] en [adres] te [plaats]

en/of

- verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat Stichting

[stichting 2] in het te realiseren project een aantal aanspraken heeft, zoals

verwoord in de intentieovereenkomst van 23 mei 2005 (B 5.102) en

de aanbiedingsbrief van 7 juli 2005 2005 (B 5.103)

en/of

- verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat [medeverdacht bedrijf 3]

het perceel grond [adres], op 10 mei 2005 had gekocht en

(uiteindelijk op3 oktober 2005) geleverd zou krijgen voor een bedrag van €

2.000.000,-, terwijl [woningbouwvereniging] hetzelfde perceel zou gaan kopen (en uiteindelijk op

3 oktober geleverd zou krijgen) voor een bedrag van € 7.451.270,-, althans

een geldbedrag dat veel hoger zou liggen dan € 2.000.000,-

en/of

- verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat 5038 het

risico voor het project [project 2] alleen zou dragen (omdat Stichting [woningstichting]

[woningstichting] alleen appartementen zou gaan afnemen, 3.5.102 en B.5.l 173), en een

bedrag van € 27.349.829,14 (B 5.103, bijlage p.2) moest investeren, terwijl

volgens het investeringsvoorstel d.d. 13 september2005 (3 5.103) het risico

voor 2/3 zal worden gedragen door [woningbouwvereniging] en voor 1/3 door Stichting [woningstichting],

en er slechts een bedrag van € 17.963.920,- zou worden geïnvesteerd

(notulen vergadering 21-09-2005, 3 5.436).

Het hof acht niet bewezen dat de feiten en omstandigheden zoals hiervoor genoemd er toe hebben bijgedragen dat [woningbouwvereniging] is bewogen tot afgifte van geldbedragen aan [medeverdacht bedrijf 3] BV, zodat verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging onder feit 1 dient te worden vrijgesproken.

7.7.4.4. nadere overweging met betrekking tot het bewijs

Feit 4 primair, gedachtestreepjes 5 en 6

Het hof acht bewezen dat verdachte samen met zijn medeverdachte heeft verheimelijkt dat de in het project [project 2] te behalen winst of opbrengsten van [medeverdacht bedrijf 3] uit de aan-en verkoop van [adres] door verdachte en zijn medeverdachte onderling zou worden verdeeld en dat [medeverdachte 1] via [medeverdacht bedrijf 1] B.V. een geldbedrag heeft ontvangen van [medeverdacht bedrijf 3].

Het hof slaat hierbij acht op:

- de koopovereenkomst d.d. 10 mei 2005, waarin het perceel [adres] door Handelsonderneming [handelsonderneming] aan [medeverdacht bedrijf 3] wordt verkocht voor een koopprijs van 2 miljoen euro;

- de akte tot levering d.d. 3 oktober 2005, waarin het perceel [adres] te [plaats] door Handelsonderneming [handelsonderneming]BV voor een bedrag van 2 miljoen euro wordt geleverd aan [medeverdacht bedrijf 3];

– de akte tot levering d.d. 3 oktober 2005, waarin het perceel [adres] te [plaats] door [medeverdacht bedrijf 3] geleverd wordt aan [woningbouwvereniging] voor een koopprijs van € 7.451.270,-;

– de aanbiedingsbrief van [verdachte] namens [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 7 juli 2005, de investeringsaanvraag d.d. 13 september 2005 en het uittreksel van de notulen van de vergadering met de Raad van Toezicht d.d. 21 september 2005 die alle geen melding maken van de oorspronkelijke koopsom van 2 miljoen euro.

De prijs waarvoor [woningbouwvereniging] het vastgoed betreffende het project [project 2] heeft aangekocht van [medeverdacht bedrijf 3] was € 7.451.270,-. Daarvan heeft [woningbouwvereniging] € 5.041.939,08 bij de levering overgemaakt aan de notaris. Het notariskantoor heeft van dit bedrag betaald het aankoopbedrag voor de [adres] en [adres] (€ 2.000.000,-), de door [medeverdacht bedrijf 3] te betalen notariskosten en de gemeentelijke belastingen en het restant ter grootte van € 3.034.025,43 aan [medeverdacht bedrijf 3] overgemaakt. Na ontvangst van voornoemd bedrag heeft [medeverdacht bedrijf 3] op 10 oktober 2005 een bedrag ter grootte van € 1.061.274,58 overgemaakt aan [medeverdacht bedrijf 1] B.V..

Door [medeverdacht bedrijf 1] B.V. zijn 4 facturen van ieder € 265.000,- gestuurd aan [medeverdacht bedrijf 3], in het totaal voor een bedrag van € 1.060.000,- ex BTW. Deze facturen zijn verwerkt in de administratie van [medeverdacht bedrijf 3].

De facturen zijn vergezeld van een brief waarin o.a. staat: "Verder factureer ik je hierbij de 1 termijn afkoop project [project 2] conform onze afspraak 30 september 2005". Door [medeverdachte 2] en [verdachte] wordt verklaard dat deze bedragen te maken hadden met het afkopen van de koop- en ontwikkelovereenkomst die zij hadden gesloten met betrekking tot het project [project 2]. Deze overeenkomst was onder meer gesloten omdat [verdachte] het risico voor dit project niet alleen wilde dragen als hij het niet verkocht zou krijgen.

Het hof dient de vraag te beantwoorden of [medeverdacht bedrijf 1] B.V. daadwerkelijk risico heeft gedragen voor het project [project 2], dan wel of dit bedrag de winst of opbrengst van [medeverdacht bedrijf 3] betreft die via valse facturen is doorgesluisd naar [medeverdacht bedrijf 1] B.V..

Het hof slaat daarbij acht op het volgende:

- op 10 mei 2005 wordt de koopovereenkomst tussen Handelsonderneming [handelsonderneming]BV en [medeverdacht bedrijf 3] gesloten. Deze koopovereenkomst vermeldt de mogelijkheid van een concerngarantie, af te geven door [woningbouwvereniging], vertegenwoordigd door [medeverdachte 1];

- in de intentieovereenkomst d.d. 23 mei 2005 tussen Woningstichting [woningstichting], [medeverdacht bedrijf 3], Stichting [stichting 2] en [woningbouwvereniging] betreffende de [project 2] staat vermeld dat [woningbouwvereniging] de ontwikkeling van het terrein [adres] zal overnemen en realiseren;

- op 15 september 2005 wordt tussen [medeverdacht bedrijf 1] B.V., vertegenwoordigd door [medeverdachte 3], die ook als privépersoon voor nakoming garant staat, en [medeverdacht bedrijf 3] een koop- en ontwikkelovereenkomst gesloten met betrekking tot de [project 2], waarin wordt afgesproken dat partijen zullen samenwerken aan de risicodragende ontwikkeling van het project en het risico, de kosten en opbrengsten van het project gelijkelijk zullen dragen.

Het hof overweegt dat uit de hierboven genoemde koopovereenkomst en intentie-overeenkomst volgt dat het risico voor [medeverdacht bedrijf 3] minimaal was. Immers, uit de koopovereenkomst blijkt dat [woningbouwvereniging] kennelijk al voor 10 mei 2005 als mogelijke koper in beeld was bij [medeverdacht bedrijf 3]. Dit wordt bevestigd in genoemde intentieovereenkomst waaruit blijkt dat [woningbouwvereniging] op 23 mei 2005 de intentie had uitgesproken om tot koop en ontwikkeling van het project over te gaan. Daar komt nog bij dat [medeverdacht bedrijf 1] B.V. in werkelijkheid financieel niet in staat was om dit risico te dragen. [verdachte] heeft namelijk via zijn bedrijf [medeverdacht bedrijf 4] een lening moeten verstrekken van € 19.000,- om de oprichting van [medeverdacht bedrijf 1] BV mogelijk te maken. [medeverdacht bedrijf 1] BV was voor, noch na de oprichting financieel in staat om risico's op te vangen.

Ook [medeverdachte 3] was niet vermogend en kon in die zin noch voor zichzelf als privépersoon noch voor [medeverdacht bedrijf 1] B.V. financiële risico's dekken. De lening ten behoeve van de oprichting van [medeverdacht bedrijf 1] B.V. kon dan ook kennelijk pas worden terugbetaald nadat [medeverdacht bedrijf 3] voornoemd bedrag ad € 1.061.274,58 aan [medeverdacht bedrijf 1] B.V. had overgemaakt.

Daarnaast is uit de stukken noch uit het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk geworden dat er werkzaamheden van enige betekenis zijn verricht door [medeverdacht bedrijf 1] B.V.. Van der Meer, die namens [handelsonderneming]BV optrad verklaart dat hij [medeverdachte 2] nooit als zakenpartner heeft beschouwd, maar als een assistent van [verdachte]. Dit beeld past bij de functie die [medeverdachte 2] had bij [bedrijf 3]. Het hof overweegt dat niet gebleken is van enige betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij het project. Zo er al werkzaamheden zouden zijn verricht door [medeverdachte 2], dan zijn deze verricht uit hoofde van haar functie bij [bedrijf 3] en niet vanuit [medeverdacht bedrijf 1] B.V..

Het hof gaat er dan ook op grond van het bovenstaande vanuit dat de door [medeverdacht bedrijf 3] aan [medeverdacht bedrijf 1] B.V. gedane betaling van € 1.061.274,58 niet ziet op door [medeverdacht bedrijf 1] B.V. ten behoeve van het project [project 2] verrichte werkzaamheden.

Met betrekking tot de oplichting concludeert het hof als volgt.

Op 21 september 2005 is de Raad van Toezicht akkoord gegaan met het investeringsvoorstel van 13 september 2005 voor de [project 2] te [plaats]. Daarmee is toestemming gegeven om voor [woningbouwvereniging] het pand aan de [adres] aan te kopen van [medeverdacht bedrijf 3].

De leden van de Raad van Toezicht [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 7] hebben allen verklaard dat zij verkeerd voorgelicht zijn met betrekking tot de het project [project 2] en dat zij geen toestemming voor de aankoop van het project zouden hebben gegeven als zij wel volledig geïnformeerd waren geweest over bovenstaande punten. Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden acht het hof bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen [woningbouwvereniging] hebben bewogen tot afgifte van enig geldbedrag.

7.7.5.

Valsheid in geschrift en witwassen (feiten 5 en 6)

Het hof heeft hiervoor onder gedachtestreepjes 5 en 6 van paragraaf 7.7.4.4 vastgesteld dat de werkzaamheden waarop de facturen betrekking hebben niet zijn verricht door [medeverdacht bedrijf 1] B.V. en dat de afkoopsom vanwege onder meer het dragen van risico niet verschuldigd was omdat er geen risico is gedragen door [medeverdacht bedrijf 3] en dat er ook geen werkzaamheden door [medeverdacht bedrijf 1] B.V. zijn verricht ten behoeve van het project [project 2]. Dit maakt de facturen tot valse facturen.

De prijs waarvoor [woningbouwvereniging] het vastgoed betreffende het project [project 2] heeft aangekocht van [medeverdacht bedrijf 3] was € 7.451.270,-. Een gedeelte ter grootte van € 5.443.356,35 is door [woningbouwvereniging] aan de notaris overgemaakt. Het notariskantoor heeft van dit bedrag betaald aan [handelsonderneming]BV het aankoopbedrag voor de [adres] en 3A (€ 2.000.000,-) , de door [medeverdacht bedrijf 3] te betalen notariskosten en de gemeentelijke belastingen en derhalve € 3.034 025,43 aan [medeverdacht bedrijf 3] overgemaakt. Na ontvangst van voornoemd bedrag heeft [medeverdacht bedrijf 3] op 10 oktober 2005 een bedrag ter grootte van € 1.061.274,58 overgemaakt aan [medeverdacht bedrijf 1] B.V..

Door verdachte en zijn medeverdachten is voor de ontvangst van € 1.061.274,58 door [medeverdacht bedrijf 1] B.V. geen aannemelijke verklaring gegeven. Van een mogelijk legale herkomst van het geld is ook overigens niet gebleken. Het hof leidt uit de omstandigheden waaronder het geld is overgemaakt en de overige feiten en omstandigheden, zoals deze onder 7.3.2. ([medeverdacht bedrijf 1] B.V.) met betrekking tot [medeverdacht bedrijf 1] B.V. staan beschreven, in onderlinge samenhang bezien, af dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geld van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad.

Het hof leidt uit de omstandigheden waaronder het geld is overgemaakt en de overige feiten en omstandigheden, zoals deze onder 7.3.3. met betrekking tot [medeverdacht bedrijf 1] BV staan beschreven, in onderlinge samenhang met de oplichting van [woningbouwvereniging] door [medeverdachte 1] en [verdachte] bezien, af dat het niet anders kan zijn dan dat het hiervoor vermelde geldsbedrag van enig misdrijf, namelijk oplichting, afkomstig is en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad. Door middel van het opmaken van de valse facturen en het doen toekomen van die facturen aan [medeverdacht bedrijf 3] (teneinde die valse facturen in de administratie van [medeverdacht bedrijf 3] te laten opnemen) werd de herkomst van het door oplichting verkregen geld verhuld.

Het hof heeft hiervoor onder 7.6 (Feitelijk leidinggeven) al geconcludeerd dat [verdachte] feitelijk opdracht en/of leiding heeft gegeven aan [medeverdacht bedrijf 3]. Het hof acht dan ook bewezen dat [verdachte] ook aan deze verboden gedragingen (valsheid in geschrift en witwassen) leiding heeft gegeven.

7.7.6

Project [project 3]

7.7.6.1.

Op 31 mei 2007 gaat de Raad van toezicht akkoord met het investeringsvoorstel [project 3]. Op 6 juli 2007 vindt de overdracht plaats van het perceel [project 3] door [bedrijf 6] BV aan [woningbouwvereniging] voor een bedrag van € 14.600.000.

7.7.6.2. Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 7 primair onder de gedachtestreepjes 1 tot en met 4 is tenlastegelegd, voor zover inhoudende dat verdachte:

- verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de bij

de aan- en verkoop betrokken partijen [bedrijf 7] BV, [bedrijf 8]

BV en [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) onderling hadden afgesproken

dat de oorspronkelijk aan de eigenaar van het perceel [adres]

[adres], te weten ING Kantoren Bewaarmaatschappij BV, betaalde verkoopprijs van

€ 10.000.000,- zou worden verhoogd met een minimum van € 5.000.000,- en dat [woningbouwvereniging] als potentieel kopende partij deze verhoogde koopprijs zou moeten betalen (memo d.d. 29 maart 2007, (8.5.652);

en/of

- verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat [medeverdacht bedrijf 3]

[medeverdacht bedrijf 3] (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) per brief d.d. 22 april 2007 het perceel

[adres] heeft aangeboden aan [woningbouwvereniging] voor € 13.500.000,- (8.5.625);

en/of

- verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat niet

[medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]), maar een andere partij ([bedrijf 6]

[bedrijf 6]) het project zou gaan ontwikkelen;

en/of

- verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten een deel van

de koopprijs die door [woningbouwvereniging] werd betaald als afkoopsom (van € 2.250.000,-

ex BTW) aan [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) moest worden betaald, en

niet te goede zou komen aan de verkoper [bedrijf 6] BV (B.5.238).

Het hof acht niet bewezen dat de feiten en omstandigheden zoals hiervoor genoemd er toe hebben bijgedragen dat [woningbouwvereniging] is bewogen tot afgifte van geldbedragen aan [medeverdacht bedrijf 3] BV en [bedrijf 6] BV, zodat verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging onder feit 7 primair dient te worden vrijgesproken.

7.7.6.2. nadere overweging met betrekking tot het bewijs

Feit 7 primair, gedachtestreepjes 5 en 6

Het hof acht bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte hebben verheimelijkt dat de met de transactie van de [adres] te behalen opbrengst, die zou bestaan uit het ontvangen van een afkoopsom bij de koop van de [adres], onderling zou worden verdeeld en [medeverdachte 1], via [medeverdacht bedrijf 1] B.V., een geldbedrag van [medeverdacht bedrijf 3] zou ontvangen.

Het hof slaat daarbij acht op het volgende:

- op 24 mei 2007 wordt er een investeringsvoorstel gedaan door [medeverdachte 1] aan de Raad van Toezicht van [woningbouwvereniging];

- op 31 mei 2007 wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen [woningbouwvereniging], [bedrijf 6] BV en [bedrijf 8] BV met betrekking tot dit perceel, waarin onder meer is opgenomen: “Op datum van de overdracht van de grond aan het [woningbouwvereniging] zal de combinatie [bedrijf 6]/[bedrijf 8] als afkoopsom aan [medeverdacht bedrijf 3] een bedrag voldoen ten bedrage van €2.250.000, = exclusief BTW zegge; tweemiljoen tweehonderd vijftigduizend Euro.'';

-op 6 juli 2007 vindt de overdracht plaats van het perceel [adres] door [bedrijf 6] BV aan [woningbouwvereniging] voor een bedrag van €14.600.000;

-door de notaris wordt een deel van de koopsom, ter grootte van € 2.677.500,-overgeboekt naar [medeverdacht bedrijf 3] en dit wordt op 11 juli 2007 door [medeverdacht bedrijf 3] ontvangen;13

- op 16 juli 2007 wordt door [medeverdacht bedrijf 3] een bedrag van € 1.367.905,- overgemaakt aan [medeverdacht bedrijf 1] BV welk bedrag op 17 juli 2007 door [medeverdacht bedrijf 1] BV wordt ontvangen;

- op 23 juli 2007 stuurt [medeverdacht bedrijf 1] Holding B.V. een factuur naar [medeverdacht bedrijf 3] ter grootte van een bedrag van € 1.149.500,- exclusief BTW met de omschrijving `Afkoopsom zoals overeengekomen;

- in een begeleidend schrijven bij deze factuur staat vermeld dat de factuur betrekking heeft op het projectmanagement en de adviezen voor het plan [adres] [plaats] voor een bedrag van € 30.000,- en op de totale afkoop ontwikkeling en risico voor het project [adres] [plaats] ter grootte van een bedrag van € 1.119.500,-;

- de heer [naam], asset-manager bij ING ten tijde van de verkoop van het perceel aan de [adres], verklaart dat bij de plannen om het perceel [adres] te verkopen door [bedrijf 8] werd gezocht naar een grote partij die risicodragend kon participeren en dat zodoende [bedrijf 6] BV werd aangesproken. [bedrijf 6] wilde echter niet op risico kopen maar meteen doorverkopen en daarbij werd [woningbouwvereniging] en voor deze als exclusief acquisiteur [medeverdacht bedrijf 3] in de persoon van [verdachte], naar voren geschoven;

- de heer [naam], bemiddelaar in het conflict tussen [bedrijf 6] BV en [medeverdacht bedrijf 3], verklaart dat [woningbouwvereniging] het project van [bedrijf 6] wilde afnemen op de voorwaarde, zo zei [medeverdachte 1] tegen hem, dat [medeverdacht bedrijf 3] genoegdoening zou krijgen.

Het hof dient in dit kader de vraag te beantwoorden of [medeverdacht bedrijf 3] voor het project [project 3] daadwerkelijk risico heeft gedragen dat door haar (gedeeltelijk) aan [medeverdacht bedrijf 1] B.V. is overgedragen. Ook dient de vraag te worden beantwoord of [medeverdacht bedrijf 1] B.V. projectmanagement en adviezen heeft verricht in het project [project 3].

Met betrekking tot het risico overweegt het hof het volgende. Uit hetgeen hiervoor is aangehaald blijkt dat vanaf de eerste tot de laatste besprekingen tussen de verschillende partijen het de opzet is geweest en hebben de afspraken ingehouden dat [woningbouwvereniging] het project [project 3] uiteindelijk zou afnemen. Daaruit kan enig door [medeverdacht bedrijf 3] te dragen afnamerisico dan ook niet worden afgeleid. Ook in de overige stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan het hof voor het bestaan van dat risico, of voor enig ander risico geen enkele ondersteuning vinden.

Nu niet aannemelijk is gemaakt dat [medeverdacht bedrijf 3] enig risico heeft gelopen kan evenmin sprake zijn van de overdracht van enig risico door [medeverdacht bedrijf 3] aan [medeverdacht bedrijf 1] B.V.. Dat [medeverdacht bedrijf 3] een bedrag ter grootte van € 1.119.500,- aan [medeverdacht bedrijf 1] B.V. betaalt enkel voor de afkoop van ontwikkeling (zoals op de begeleidende brief bij de factuur nog vermeld) is op geen enkele andere wijze aannemelijk geworden. Overigens wordt het bestaan van de door de verdediging gestelde afspraken waaruit het bedoelde risico zou kunnen voortvloeien des te onaannemelijker nu deze niet op papier zijn gezet maar enkel mondeling zouden zijn gemaakt. Los van het feit dat het zeer ongebruikelijk is dat dergelijke afspraken niet schriftelijk worden vastgelegd, betekent dit ook dat voor het daadwerkelijk bestaan van deze afspraken in geen enkel destijds opgesteld document bevestiging kan worden gevonden.

Tenslotte overweegt het hof dat niet is gebleken van werkzaamheden in de zin van projectmanagement en adviezen verricht door [medeverdacht bedrijf 1] B.V. binnen het project [project 3]. Op geen enkele wijze blijkt uit het dossier of is door de verdediging aannemelijk gemaakt dat door [medeverdacht bedrijf 1] B.V. voor dit project voor een bedrag van EUR 30.000,- werkzaamheden van enige betekenis zijn verricht.

Het hof concludeert dan ook dat verdachte en zijn medeverdachte hebben verheimelijkt dat zij de met de transactie van de [adres] te behalen opbrengst, die zou bestaan uit het ontvangen van een afkoopsom, onderling zouden verdelen en dat het bedrag van € 1.149.500,- door [medeverdacht bedrijf 3] is betaald aan [medeverdacht bedrijf 1] B.V. met de bedoeling dit bedrag onder verdachten te verdelen.

Met betrekking tot de oplichting concludeert het hof als volgt.

Op 31 mei 2007 is de Raad van Toezicht akkoord gegaan met het investeringsvoorstel van 24 september 2005 van de [adres] te [plaats] en daarmee is toestemming gegeven om voor [woningbouwvereniging] het perceel [adres] aan te kopen van [bedrijf 6] BV. Op dat moment was de Raad van Toezicht niet, maar waren [medeverdachte 1] en [verdachte] wel bekend met de hiervoor bij de verschillende gedachtestreepjes genoemde punten. De Raad van Toezicht is op die punten dan ook niet, niet volledig c.q. onjuist geïnformeerd.

De leden van de Raad van Toezicht [getuige 7], [getuige 5] en [getuige 6] hebben allen verklaard dat zij verkeerd voorgelicht zijn met betrekking tot de het project [project 3] en dat zij geen toestemming voor de aankoop van het project zouden hebben gegeven als zij wel volledig geïnformeerd waren geweest over bovenstaande punten. Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden acht het hof bewezen dat [medeverdachte 1] en zijn medeverdachte met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen [woningbouwvereniging] hebben bewogen tot afgifte van enig geldbedrag.

7.7.7

Valsheid in geschrift en witwassen (feiten 8 en 9)

Door [medeverdacht bedrijf 1] B.V. is aan [medeverdacht bedrijf 3] een factuur d.d. 23 juli 2007 verzonden ten bedrage van

€ 1.149.500,- exclusief BTW. Het hof heeft hiervoor onder 7.8.6 vastgesteld dat de werkzaamheden waarop de factuur betrekking heeft niet zijn verricht door [medeverdacht bedrijf 1] B.V. en dat de afkoopsom vanwege het dragen van ontwikkeling en risico in strijd met de waarheid op deze factuur zijn vermeld. Dit maakt de factuur tot een valse factuur.

[verdachte] heeft verklaard dat hij opdracht aan zijn toenmalige echtgenote gaf om facturen in te boeken, hetgeen zij vervolgens deed. Op deze manier is ook deze valse factuur in de bedrijfsadministratie van [medeverdacht bedrijf 3] opgenomen met de bedoeling deze als echt en onvervalst te gebruiken. Aan deze verboden gedraging heeft [verdachte] leiding gegeven

Het op deze factuur vermelde bedrag is vervolgens door [medeverdacht bedrijf 3] ook betaald aan [medeverdacht bedrijf 1] B.V.. Door deze betaling is het criminele geld -te weten het geld dat door oplichting uit het project [project 3] is verkregen- overgegaan van [medeverdacht bedrijf 3] naar [medeverdacht bedrijf 1] B.V.. Door verdachte en zijn mededaders is voor de ontvangst van € 1.149.500,- door [medeverdacht bedrijf 1] B.V. geen enkele aannemelijke verklaring gegeven en van een mogelijk legale herkomst van het geld is ook overigens niet gebleken.

Het hof leidt uit de omstandigheden waaronder het geld is overgemaakt en de overige feiten en omstandigheden, zoals deze onder 7.3.3. met betrekking tot [medeverdacht bedrijf 1] BV staan beschreven, in onderlinge samenhang met de oplichting van [woningbouwvereniging] door [medeverdachte 1] en [verdachte] bezien, af dat het niet anders kan zijn dan dat het hiervoor vermelde geldsbedrag van enig misdrijf, namelijk oplichting, afkomstig is en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad. Door middel van het opmaken van de valse facturen en het doen toekomen van die facturen aan [medeverdacht bedrijf 3] (teneinde die valse facturen in de administratie van [medeverdacht bedrijf 3] te laten opnemen) werd de herkomst van het door oplichting verkregen geld verhuld.

Het hof heeft hiervoor onder 7.6 (Feitelijk leidinggeven) al geconcludeerd dat [verdachte] feitelijk opdracht en/of leiding heeft gegeven aan [medeverdacht bedrijf 3]. Het hof acht dan ook bewezen dat [verdachte] ook aan deze verboden gedragingen (valsheid in geschrift en witwassen) leiding heeft gegeven.

7.8.

Criminele organisatie

Om te kunnen vaststellen of verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie dient het hof te bezien of sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeerden. Vervolgens dient het hof vast te stellen of verdachte tot dit samenwerkingsverband behoorde, daar een aandeel in heeft gehad dan wel de criminele organisatie heeft ondersteund met gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet vereist is dat een deelnemer, indien het oogmerk - zoals in casu tenlastegelegd - het plegen van misdrijven van verschillende soort is, betrokken is geweest bij de verwezenlijking van elk soort van de beoogde misdrijven.

De organisatie waaraan wordt deelgenomen dient het plegen van misdrijven tot oogmerk te hebben, dat wil zeggen dat de feitelijke werkzaamheden van de organisatie op het plegen van misdrijven gericht dienen te zijn.

Het oogmerk is niet gekoppeld aan een bepaalde gedraging, maar moet aanwezig zijn bij de organisatie waaraan wordt deelgenomen. Het gaat daarbij naar het oordeel van het hof niet om het oogmerk bij de afzonderlijke leden van de organisatie, maar om het oogmerk van het samenwerkingsverband als geheel.

De voor strafbaarheid op grond van artikel 140 Sr vereiste opzet bij de deelnemers moet naar het oordeel van het hof gericht zijn geweest op het criminele oogmerk van de organisatie. Daarvoor is voldoende dat de deelnemer in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Gelet op de geformuleerde uitgangspunten en hetgeen hiervoor als bewijsmiddel is aangehaald, betekent het voorgaande tezamen genomen en in onderling verband bezien dat naar het oordeel van het hof sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren. Voorts is in het bewezenverklaarde samenwerkingsverband sprake geweest van het oprichten en in stand houden van meerdere rechtspersonen en kunnen de verdachten die bij die afzonderlijke rechtspersonen werkzaam waren tot genoemd samenwerkingsverband worden gerekend. De desbetreffende rechtspersonen en de daarbij werkzame personen hebben naar het oordeel van het hof een aandeel gehad in dan wel gedragingen ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de criminele organisatie.

Tevens is het hof van oordeel dat de organisatie waaraan wordt deelgenomen het plegen van misdrijven tot oogmerk had, immers de feitelijke werkzaamheden van de organisatie waren gericht op het onttrekken van gelden aan het vermogen van [woningbouwvereniging] door middel van oplichting en het verdelen van deze gelden onder verdachten door middel van valsheid in geschrift en witwassen. Dat gebeurde in de periode 2005 tot en met 2010 volgens een vast patroon. Voor een onderbouwing van deze bewezenverklaring verwijst het hof naar hetgeen hierboven ten aanzien van de oplichting, de valsheid in geschrift en het witwassen is opgemerkt. Het hof acht bewezen dat sprake is geweest van een organisatie, in de zin van een samenwerkingsverband tussen natuurlijke personen en rechtspersonen.

Niet bewezen acht het hof dat de organisatie het plegen van verduistering in dienstbetrekking tot oogmerk had. [medeverdachte 1] heeft het uit misdrijf verkregen geld niet onder zich gehouden, noch over dit geld kunnen beschikken, omdat hij eerst toestemming van de Raad van Toezicht nodig had voordat er geldstromen vrijkwamen. Niet is gebleken dat [medeverdachte 1] meer geld heeft overgemaakt dan het geld waarvoor hij door de Raad van Toezicht toestemming had gekregen. Het hof zal verdachten daarom van dit onderdeel vrijspreken.

Het hof acht evenmin bewezen dat de organisatie niet-ambtelijke omkoping beoogde. Uit het misdrijf van oplichting vloeit voort dat er gelden zijn verschaft, aangenomen en verdeeld. Naar het oordeel van het hof kunnen deze gelden niet meer worden aangemerkt als giften bedoeld om een ander om te kopen, nu vaststaat dat over deze gelden vooraf verdeelafspraken zijn gemaakt. Voor omkoping is bovendien vereist dat het initiatief uitgaat van degene die probeert om te kopen, waardoor de omgekochte bewogen wordt om iets te doen of na te laten. Het hof zal verdachten daarom ook van dit onderdeel vrijspreken.

Naar het oordeel van het hof behoorde verdachte tot de organisatie en is betrokken is geweest bij de gedragingen die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met, de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Uit hetgeen hiervoor is aangehaald vloeit bovendien voort dat verdachte wetenschap had van het criminele oogmerk van de organisatie.

Het hof acht voorts bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] de oprichters van de criminele organisatie zijn, omdat zij, zoals uit bovengenoemde bewijsmiddelen blijkt, gezamenlijk de oplichting hebben uitgevoerd en een constructie in het leven hebben geroepen om de daarmee verworven gelden te kunnen witwassen en te kunnen verdelen onder de verschillende verdachten.

8 Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 primair, 5, 6, 7 primair, 8, 9 en 10 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Project [project 1]

1. primair


hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 september 2006 tot en met 30 juni 2007 te [plaats]en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen,

hetzij door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door (een) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[woningbouwvereniging] ("[woningbouwvereniging]") en/of (een) medewerker(s) van [woningbouwvereniging] en/of (een) ander(en) heeft/hebben bewogen en/of doen of laten bewegen tot de middellijke en/of onmiddellijke afgifte van een (of meer) geldbedrag(en), te weten een bedrag van € 2.540.000,-, althans € 2.450.000,-, althans € 950.000,- in elk geval enig(e) geldbedrag(en) (aan [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) en/of (een) ander(en) hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid jegens [woningbouwvereniging] en/of de Raad van Toezicht (RvT) van [woningbouwvereniging] en/of (een) medewerker(s) van [woningbouwvereniging] en/of (een) ander(en), onder meer in een investeringsvoorstel d.d. 9 maart 2007 (B.5.141) over het project "[project 1]" dat werd voorgelegd aan (de RvT van) [woningbouwvereniging] en/of in een vergadering met de RvT van [woningbouwvereniging] d.d. 28 maart 2007 en/of in een aanbiedingsbrief d.d. 12 januari 2007 (B 5.144)

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de gemeente [plaats] op 13 april 2006 ten aanzien van het perceel [adres] (kadastraal bekend Sectie N-450) een onteigeningsprocedure was gestart (B.5.570), terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) op de hoogte was/waren van de voorgenomen onteigening en van de omstandigheid dat de onteigeningsvergoeding voor het perceel op € 479.000,- was gesteld (B 5.142)

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat op het perceel [adres] (groot 429 m2), de realisatie van de geplande 74 appartementen, een ontmoetingsruimte en parkeerplaatsen ("het Project") niet mogelijk was, aangezien voor het realiseren van het Project verwerving van de naastgelegen strook grond (kadastraal bekend sectie N-419, groot 1876m2) noodzakelijk, maar niet mogelijk was, omdat de erfpachtaanbieding (gedaan door de Gemeente [plaats] in haar ongedateerde, maar vermoedelijk op 20 december 2005 opgestelde brief, B5.147) voor deze naastgelegen strook grond per 31 maart 2006 verlopen was en/of omdat het Project niet voldeed aan de door de Gemeente [plaats] gestelde voorwaarden voor die erfpachtaanbieding

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de Gemeente [plaats] in de Ringspoorzone, waarin de [project 1] is gelegen, overwegend vrije sector huur of koopwoningen wilde, en niet overwegend huursubsidiabele (senioren)woningen

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat [woningbouwvereniging] niet het onverdeelde eigendom zou krijgen van (het recht op erfpacht op) het perceel [adres] maar dat een deel (6/115e deel) in eigendom zou blijven van de Stichting [stichting 1] ten behoeve van het realiseren van een Koninkrijkszaal van Jehova's getuigen,

en/of

-voorgewend dat de wijkwethouder zich positief had uitgelaten over het Project

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de in het Project te behalen winst en/of opbrengst(en) van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) die zou gaan voortvloeien uit de aan- en verkoop van [adres] door [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]), tussen verdachte en zijn mededader(s) onderling zou worden verdeeld

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat hij, de directeur van de [woningbouwvereniging], [medeverdachte 1], al dan niet middels [medeverdacht bedrijf 1] BV (vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV) een bedrag van in totaal € 522.500,-, althans enig geldbedrag, zou ontvangen van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]),

en/of

-zich voorgedaan als (een) competente en/of betrouwbare en/of loyale en/of integere medewerker van [woningbouwvereniging] terwijl hij, verdachte, zijn competenties niet volledig heeft aangewend ten goede van zijn werkgever en/of lastgever omdat hij heeft verzwegen dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een eigen (geldelijk) belang had(den) bij de aankoop van het perceel [adres]

waarna op 28 maart 2007 instemming werd verkregen van de RvT van [woningbouwvereniging] met het investeringsvoorstel d.d. 9 maart 2007 en (daaruit voortvloeiend) toestemming om voor [woningbouwvereniging] het perceel [adres] aan te kopen van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])

waardoor [woningbouwvereniging] en/of (een) medewerker(s) van [woningbouwvereniging] en/of (een) ander(en) werd(en) bewogen tot bovengenoemde afgifte(n) (aan [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]);


2:
[medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) op een (of meer) tijdstip(pen) in of

omstreeks de periode van 27 februari 2007 tot en met 11 september 2007 te

[plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen en/of alleen, haar bedrijfsadministratie, zijnde een samenstel van

geschriften dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk

heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken, immers

heeft/hebben [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) en/of haar mededader(s)

valselijk en/of in strijd met de waarheid in haar bedrijfsadministratie (onder

meer) de navolgende (valse) facturen opgenomen:

- de factuur 07/001 d.d. 27-02-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] BV aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.601), en/of

- de factuur 07/004 d.d. 09-03-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] BV aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.602), en/of

- de factuur 07/006 d.d. 05-07-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.603), en/of

- de factuur 07/007 d.d. 05-07-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.604), en/of

- de factuur 07/008 d.d. 05-07-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.605), en/of

- de factuur 07/010 d.d. 03-09-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.600),-, en/of

- de factuur 07/011 d.d. 11-09-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.599)

bestaande de valsheid van die facturen (telkens) hieruit dat de door [medeverdacht bedrijf 1] BV

(vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV) omschreven werkzaamheden (adviezen

en projectmanagement) ten behoeve van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])

in werkelijkheid niet zijn verricht,

zulks met het oogmerk om deze bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te

gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of zijn mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of zijn

mededader(s) (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven;


3:
[medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) op een (of meer) tijdstip(pen) in of

omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 11 september 2007 te [plaats]

en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen

en/of alleen, (van) (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van €

350.000,-, althans enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op het/de voorwerp(en)

en/of geldbedrag was/waren en/of wie het voorhanden had/hadden

door voor te wenden dat dit geldbedrag werd overgemaakt aan [medeverdacht bedrijf 1] BV (vanaf

31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV) vanwege een voorschot op door [medeverdacht bedrijf 1] BV

(vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV) te versturen termijnnota's voor

werkzaamheden die [medeverdacht bedrijf 1] BV (vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV) voor

[medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) had verricht of zou gaan verrichten,

althans dit/deze voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans van bovengenoemd(e)

voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) en/of haar mededader(s)

wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig

misdrijf

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of zijn mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of zijn

mededader(s) (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven;


primair:
Project [project 2]

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2005 tot en met 31 december 2006 te [plaats] en/of [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen,

hetzij door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door (een) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[woningbouwvereniging] ("[woningbouwvereniging]") en/of (een) medewerker(s) van [woningbouwvereniging] en/of (een) ander(en) heeft/hebben bewogen en/of doen of laten bewegen tot de middellijke dan wel onmiddellijke afgifte van een (of meer) geldbedrag(en) (tot een totaal van ongeveer € 7.451.270,- , althans € 5.443.365,35 althans € 1.927.273,-, althans € 1.061.274,58,-, in elk geval enig(e) geldbedrag(en) aan [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]), hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid jegens [woningbouwvereniging] en/of de Raad van Toezicht (RvT) van [woningbouwvereniging] en/of (een) medewerker(s) van [woningbouwvereniging] en/of (een) ander(en), onder meer in een investeringsvoorstel d.d. 13 september 2005 over het project "[project 2]" (B.5.113) dat werd voorgelegd aan de RvT van [woningbouwvereniging] en/of in een vergadering met de RvT van [woningbouwvereniging] d.d. 21 september 2005 en/of in een aanbiedingsbrief d.d. 7 juli 2005 (B 5.103)

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de verwerving van [adres] van Stichting [stichting 2] noodzakelijk was voor de verwezenlijking van de overeengekomen ontwikkeling (B 5.102, B 5.103) van [adres] en [adres] te [plaats]

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat Stichting [stichting 2] in het te realiseren project een aantal aanspraken heeft, zoals verwoord in de intentieovereenkomst van 23 mei 2005 (B 5.102) en de aanbiedingsbrief van 7 juli 2005 (B 5.103)

en/of

- verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat [medeverdacht bedrijf 3] het perceel grond [adres], op 10 mei 2005 had gekocht en (uiteindelijk op 3 oktober 2005) geleverd zou krijgen voor een bedrag van € 2.000.000,-, terwijl [woningbouwvereniging] hetzelfde perceel zou gaan kopen (en uiteindelijk op 3 oktober geleverd zou krijgen) voor een bedrag van € 7.451.270,-, althans een geldbedrag dat veel hoger zou liggen dan € 2.000.000,-

en/of

- verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat [woningbouwvereniging] het risico voor het project [project 2] alleen zou dragen (omdat Stichting [woningstichting] alleen appartementen zou gaan afnemen, B.5.102 en B.5.1173), en een bedrag van € 27.349.829,14 (B 5.103, bijlage p.2) moest investeren, terwijl volgens het investeringsvoorstel d.d. 13 september 2005 (B 5.103) het risico voor 2/3 zal worden gedragen door [woningbouwvereniging] en voor 1/3 door Stichting [woningstichting], en er slechts een bedrag van € 17.963.920,- zou worden geïnvesteerd (notulen vergadering 21-09-2005, B 5.436)

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de in het project "[project 2]" te behalen winst en/of opbrengst(en) van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) die zou gaan voortvloeien uit de aan- en verkoop van [adres] door [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]), tussen verdachte en zijn mededader(s) onderling zou worden verdeeld

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de directeur van de [woningbouwvereniging], [medeverdachte 1], al dan niet middels [medeverdacht bedrijf 1] BV (vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV), een bedrag van in totaal € 1.061.274,58, althans enig geldbedrag, zou ontvangen van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]),

en/of

-zich voorgedaan als (een) competente en/of betrouwbare en/of loyale en/of integere medewerker van [woningbouwvereniging] terwijl hij, verdachte, zijn competenties niet volledig heeft aangewend ten goede van zijn werkgever en/of lastgever omdat hij heeft verzwegen dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een eigen (geldelijk) belang had(den) bij deze aankoop van [adres] waarna op 21 september 2005 instemming werd verkregen van de RvT van [woningbouwvereniging] met het investeringsvoorstel d.d. 13 september 2005 en (daaruit voortvloeiend) toestemming om voor [woningbouwvereniging] het perceel [adres] aan te kopen van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])

waardoor [woningbouwvereniging] en/of een medewerker(s) van [woningbouwvereniging] en/of een ander werd(en) bewogen tot bovengenoemde afgifte(n) aan [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])

5:

[medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) op een (of meer) tijdstip(pen) in of

omstreeks de periode van 17 oktober 2005 tot en met 17 januari 2006 te

[plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen en/of alleen,

haar bedrijfsadministratie, zijnde een samenstel van geschriften dat bestemd

is om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt

en/of doen opmaken en/of laten opmaken, immers heeft/hebben [medeverdacht bedrijf 3]

BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) en/of haar mededader(s) valselijk en/of in strijd met

de waarheid in haar bedrijfsadministratie (onder meer) de navolgende (valse)

facturen opgenomen:

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] BV aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 oktober 2005 ten bedrage van

€ 265.000,- ex BTW (B.5.912), en/of

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] BV aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 november 2005 ten bedrage van

€ 265.000,- ex BTW (B.5.909), en/of

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] BV aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 december 2005 ten bedrage van

€ 265.000,- ex BTW (B.5.908), en/of

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] BV aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 januari 2006 ten bedrage van

€ 265.000,- ex BTW (B.5.917)

bestaande de valsheid van die facturen (telkens) hieruit dat de door [medeverdacht bedrijf 1] BV

(vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV) omschreven werkzaamheden (adviezen

en projectmanagement) ten behoeve van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])

in werkelijkheid niet zijn verricht en/of de afkoopsom niet verschuldigd was,

zulks met het oogmerk om deze bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te

gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of zijn mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of zijn

mededader(s) (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven;

6:
[medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) op een (of meer) tijdstip(pen) in of

omstreeks de periode van 1 oktober 2005 tot en met 31 oktober 2005 te [plaats]

en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen

en/of alleen, (van) (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van €

350.000,-, althans enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op het/de voorwerp(en)

en/of geldbedrag was/waren en/of wie het voorhanden had/hadden

door voor te wenden dat dit geldbedrag werd overgemaakt aan [medeverdacht bedrijf 1] BV voor werkzaamheden die [medeverdacht bedrijf 1] BV (vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV)

voor [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) had verricht of zou gaan verrichten, en/of wegens een afkoopsom voor het project [project 2]

althans dit/deze voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans van bovengenoemd(e)

voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) en/of haar mededader(s)

wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig

misdrijf

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of zijn mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of zijn

mededader(s) (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven;

7 primair:

Project [project 3]

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 juli 2007 te [plaats] en/of [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door (een) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[woningbouwvereniging] ("[woningbouwvereniging]") en/of (een) medewerker(s) van [woningbouwvereniging] en/of (een) ander(en) heeft/hebben bewogen en/of doen of laten bewegen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), tot een totaal van ongeveer € 14.600.000,- althans € 2.250.000,-, althans € 1.149.500,-, in elk geval enig(e) geldbedrag(en) (aan [bedrijf 6] BV en/of [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])), hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, jegens [woningbouwvereniging] en/of de Raad van Toezicht (RvT) van [woningbouwvereniging] en/of (een) medewerker(s) van [woningbouwvereniging] en/of (een) ander(en), onder meer in een investeringsvoorstel d.d. 24 mei 2007 over het perceel [adres] (B.5.248) dat werd voorgelegd aan de RvT van [woningbouwvereniging] en/of in een vergadering met de RvT van [woningbouwvereniging] d.d. 31 mei 2007

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de bij de aan- en verkoop betrokken partijen [bedrijf 7] BV, [bedrijf 8] BV en [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) onderling hadden afgesproken dat de oorspronkelijk aan de eigenaar van het perceel [adres], te weten ING Kantoren Bewaarmaatschappij BV, betaalde verkoopprijs van € 10.000.000,- zou worden verhoogd met een minimum van € 5.000.000,- en dat [woningbouwvereniging] als potentieel kopende partij deze verhoogde koopprijs zou moeten betalen (memo d.d. 29 maart 2007, B.5.1652)

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat [medeverdacht bedrijf 3] (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) per brief d.d. 22 april 2007 het perceel [adres] heeft aangeboden aan [woningbouwvereniging] voor € 13.500.000,- (B.5.625)

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat niet [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]), maar een andere partij ([bedrijf 6] BV) het project zou gaan ontwikkelen

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten een deel van de koopprijs die door [woningbouwvereniging] werd betaald als afkoopsom (van € 2.250.000,- ex BTW) aan [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) moest worden betaald, en niet te goede zou komen aan de verkoper [bedrijf 6] BV (B.5.238)

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de met de transactie van de [adres] te behalen winst en/of opbrengst(en) van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]), die zou bestaan uit het ontvangen van een afkoopsom bij de aan- en verkoop van [adres], tussen verdachte en/of zijn mededader(s) onderling zou worden verdeeld

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de directeur van [woningbouwvereniging], [medeverdachte 1], al dan niet middels [medeverdacht bedrijf 1] BV (vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV), een bedrag van in totaal € 1.149.500,-, althans enig geldbedrag, zou ontvangen van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])

en/of

-zich voorgedaan als (een) competente en/of betrouwbare en/of loyale en/of integere medewerker van [woningbouwvereniging] terwijl hij, verdachte, zijn competenties niet volledig heeft aangewend ten goede van zijn werkgever en/of lastgever omdat hij heeft verzwegen dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een eigen (geldelijk) belang had(den) bij deze aankoop van [adres] waarna op 31 mei 2007 instemming werd verkregen van de RvT van [woningbouwvereniging] met het investeringsvoorstel d.d. 24 mei 2007 en (daaruit voortvloeiend) toestemming om voor [woningbouwvereniging] het perceel [adres] aan te kopen van [bedrijf 6] BV, waarna d.d. 11 juli 2007 een afkoopsom van 2.250.000,- (ex BTW) werd betaald (aan [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])) (B.5.243)

waardoor [woningbouwvereniging] en/of een medewerker(s) van [woningbouwvereniging] en/of een ander werd(en) bewogen tot bovengenoemde afgifte(n) (aan [bedrijf 6] BV en/of [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]))


8:
[medeverdacht bedrijf 3] B.V. (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) op een (of meer) tijdstip(pen) in

of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 juli 2007 te [plaats]

en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of

alleen, haar bedrijfsadministratie, zijnde een samenstel van geschriften dat

bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben

opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken, immers heeft/hebben zij,

verdachte en/of haar mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid

in haar bedrijfsadministratie (onder meer) de navolgende (valse) factuur

opgenomen:

- de factuur 07-009 d.d. 23-07-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van 1.149.500,- ex BTW (B5.041)

bestaande de valsheid van die factuur hieruit dat [medeverdacht bedrijf 3] BV

(h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) in werkelijkheid geen afkoopsom verschuldigd was,

aangezien [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV niet betrokken is geweest bij het project

[project 4] en/of de genoemde werkzaamheden in project [project 4]

niet heeft verricht

zulks met het oogmerk om deze bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te

gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of zijn mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of zijn

mededader(s) (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven;

9:
[medeverdacht bedrijf 3] B.V. (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) op een (of meer) tijdstip(pen) in

of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 juli 2007 te [plaats]

en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen

en/of alleen, (van) (een) voorwerp(en), te weten van een geldbedrag van €

1.149.500,- ex BTW althans enig geldbedrag

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op het voorwerp en/of

geldbedrag was/waren en/of wie het voorhanden had/hadden

door voor te wenden dat dit geldbedrag werd overgemaakt aan [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV

wegens een afkoopsom (voor het project [project 3]),

althans dit/deze voorwerp(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden

heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans van

bovengenoemd(e) voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) en/of haar mededader(s)

wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig

misdrijf

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of zijn mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of zijn

mededader(s) (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven;

10:
hij, op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 6 mei 2010 te [plaats] en/of [plaats] en/of elders in Nederland, opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of[medeverdacht bedrijf 2] Holding B.V. en/of [medeverdacht bedrijf 3] B.V. h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3] en/of [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV (tot 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] BV) en/of een (of meer) ander(e) (rechts)perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk onder meer:

-oplichting (art. 326 WvSr)

-verduistering in dienstbetrekking (art. 322 WvSr)

-niet-ambtelijke omkoping (art. 328ter WvSr)

-valsheid in geschrift (art. 225 WvSr)

-witwassen (art. 420bis WvSr)

terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van de organisatie was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

9 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 primair, 4 primair en 7 primair bewezen verklaarde levert op:

telkens:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

het onder 2 en 5 bewezen verklaarde levert op:

telkens:

feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

het onder 8 bewezen verklaarde levert op:

feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift,

het onder 3, 6 en 9 bewezen verklaarde levert op:

telkens:

feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van witwassen.

het onder 10 bewezen verklaarde levert op:

als oprichter deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

10 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

11 Oplegging van straf en/of maatregel

Verdachte is door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren en zes maanden.

11.1

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft op grond van hetgeen zij bewezen acht

gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en zes

maanden.

11.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te

worden en heeft subsidiair verzocht om een straf zodanig dat verdachte niet opnieuw detentie behoeft te ondergaan.

11.3.

Het oordeel van het hof

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met de ernst

van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de

verdachte.

Wat betreft de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan heeft het hof

het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met de directeur van [woningbouwvereniging] meermalen

schuldig gemaakt aan oplichting van [woningbouwvereniging], meermalen opdracht en feitelijke leiding

gegeven aan valsheid in geschrift en aan het witwassen van de door middel van de oplichting verkregen gelden. [woningbouwvereniging] is een instelling werkzaam in het belang van de volkshuisvesting en daarmee in het belang van de publieke sector. Door [woningbouwvereniging] op te lichten heeft verdachte het vertrouwen dat de samenleving in de integriteit van de publieke sector mag hebben geschaad. Daarnaast heeft verdachte [woningbouwvereniging] en indirect de maatschappij voor een fors bedrag benadeeld.

Verdachte en zijn mededaders hebben gehandeld uit puur financieel gewin.

Door het opnemen van valse facturen in de administratie van verdachtes vennootschappen heeft verdachte het vertrouwen geschaad dat in het algemeen in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in het gebruik van geschriften die tot bewijs dienen.

Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op het economisch verkeer.

Daarnaast hebben verdachte en zijn medeverdachten gedurende een aantal jaren

deelgenomen aan een samenwerkingsverband gericht op het systematisch en professioneel

plegen van delicten als oplichting, valsheid in geschrift en witwassen. Dit samenwerkings-verband is mede door verdachte opgericht.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de inhoud

van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 4 oktober 2013,

waaruit blijkt dat verdachte niet recent voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Anders dan door de verdediging verzocht houdt het hof bij de straftoemeting geen rekening met de huidige slechte financiële situatie van verdachte en de persoonlijke gevolgen die deze zaak voor verdachte heeft gehad. Deze feiten en omstandigheden komen voort uit verdachtes handelen zoals bewezenverklaard en zijn aan verdachte toe te rekenen. Ze leveren geen termen op die tot een strafvermindering nopen.

Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat slechts een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf in aanmerking komt, welke gevangenisstraf, gelet op de straftoemeting in soortgelijke zaken, echter lager is dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof realiseert zich dat verdachte door deze straf na geruime wederom in detentie zal geraken, maar acht dit gelet op de ernst van de feiten onontkoombaar.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 51, 57, 140, 140a, 225, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 primair, 5, 6, 7 primair, 8, 9 en 10 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 4 primair, 5, 6, 7 primair, 8, 9 en 10 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr P. van Kesteren, voorzitter,

mr C. Caminada en mr P.L.M van Gorkom, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr G.W. Jansink, griffier,

en op 11 december 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

BIJLAGE 1: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt na de wijziging tenlastelegging in eerste aanleg tenlastegelegd dat

1.

Project [project 1]


hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 september 2006 tot en met 30 juni 2007 te [plaats]en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen,

hetzij door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door (een) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[woningbouwvereniging] ("[woningbouwvereniging]") en/of (een) medewerker(s) van [woningbouwvereniging] en/of (een) ander(en) heeft/hebben bewogen en/of doen of laten bewegen tot de middellijke en/of onmiddellijke afgifte van een (of meer) geldbedrag(en), te weten een bedrag van € 2.540.000,-, althans € 2.450.000,-, althans € 950.000,- in elk geval enig(e) geldbedrag(en) (aan [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) en/of (een) ander(en) hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid jegens [woningbouwvereniging] en/of de Raad van Toezicht (RvT) van [woningbouwvereniging] en/of (een) medewerker(s) van [woningbouwvereniging] en/of (een) ander(en), onder meer in een investeringsvoorstel d.d. 9 maart 2007 (B.5.141) over het project "[project 1]" dat werd voorgelegd aan (de RvT van) [woningbouwvereniging] en/of in een vergadering met de RvT van [woningbouwvereniging] d.d. 28 maart 2007 en/of in een aanbiedingsbrief d.d. 12 januari 2007 (B 5.144)

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de gemeente [plaats] op 13 april 2006 ten aanzien van het perceel [adres] (kadastraal bekend Sectie N-450) een onteigeningsprocedure was gestart (B.5.570), terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) op de hoogte was/waren van de voorgenomen onteigening en van de omstandigheid dat de onteigeningsvergoeding voor het perceel op € 479.000,- was gesteld (B 5.142)

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat op het perceel [adres] (groot 429 m2), de realisatie van de geplande 74 appartementen, een ontmoetingsruimte en parkeerplaatsen ("het Project") niet mogelijk was, aangezien voor het realiseren van het Project verwerving van de naastgelegen strook grond (kadastraal bekend sectie N-419, groot 1876m2) noodzakelijk, maar niet mogelijk was, omdat de erfpachtaanbieding (gedaan door de Gemeente [plaats] in haar ongedateerde, maar vermoedelijk op 20 december 2005 opgestelde brief, B5.147) voor deze naastgelegen strook grond per 31 maart 2006 verlopen was en/of omdat het Project niet voldeed aan de door de Gemeente [plaats] gestelde voorwaarden voor die erfpachtaanbieding

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de Gemeente [plaats] in de Ringspoorzone, waarin de [project 1] is gelegen, overwegend vrije sector huur of koopwoningen wilde, en niet overwegend huursubsidiabele (senioren)woningen

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat [woningbouwvereniging] niet het onverdeelde eigendom zou krijgen van (het recht op erfpacht op) het perceel [adres] maar dat een deel (6/115e deel) in eigendom zou blijven van de Stichting [stichting 1] ten behoeve van het realiseren van een Koninkrijkszaal van Jehova's getuigen,

en/of

-voorgewend dat de wijkwethouder zich positief had uitgelaten over het Project

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de in het Project te behalen winst en/of opbrengst(en) van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) die zou gaan voortvloeien uit de aan- en verkoop van [adres] door [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]), tussen verdachte en zijn mededader(s) onderling zou worden verdeeld

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de directeur van [woningbouwvereniging], [medeverdachte 1], al dan niet middels [medeverdacht bedrijf 1] BV (vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV) een bedrag van in totaal € 522.500,-, althans enig geldbedrag, zou ontvangen van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]),

en/of

-zich voorgedaan als (een) competente en/of betrouwbare en/of loyale en/of integere medewerker van [woningbouwvereniging] terwijl hij, verdachte, zijn competenties niet volledig heeft aangewend ten goede van zijn werkgever en/of lastgever omdat hij heeft verzwegen dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een eigen (geldelijk) belang had(den) bij de aankoop van het perceel [adres]

waarna op 28 maart 2007 instemming werd verkregen van de RvT van [woningbouwvereniging] met het investeringsvoorstel d.d. 9 maart 2007 en (daaruit voortvloeiend) toestemming om voor [woningbouwvereniging] het perceel [adres] aan te kopen van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])

waardoor [woningbouwvereniging] en/of (een) medewerker(s) van [woningbouwvereniging] en/of (een) ander(en) werd(en) bewogen tot bovengenoemde afgifte(n) (aan [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) (artikel 326 jo. artikel 47 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair

hij op of omstreeks 11 juni 2007 tot en met 13 juni 2007, althans op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 30 juni 2007 te [plaats] en/of [plaats]en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

(telkens) opzettelijk een (of meer) geldbedrag(en) van (in totaal) € 950.000,-, althans enig(e) geldbedrag(en) of enig(e) goed(eren) dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [woningbouwvereniging], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk(e) geldbedrag(en) hij, verdachte, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als (algemeen) directeur en/of (mede)bestuurder en/of werknemer van [woningbouwvereniging], in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend

(artikel 322/321 jo. artikel 47 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 september 2006 tot en met 30 juni 2007 te [plaats] en/of [plaats]en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, immers als (algemeen) directeur en/of (mede)bestuurder en/of werknemer van [woningbouwvereniging],

naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal/zou doen of nalaten (te weten het bevorderen van de aankoop van [adres] door [woningbouwvereniging] en het (laten) doen van de aankoop van [adres] door [woningbouwvereniging] van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])) en/of de betaling van de koopsom van € 2.540.000,- van [woningbouwvereniging] aan [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]),

een gift en/of een belofte, namelijk een (toekomstige) betaling van een geldbedrag van € 522.500,- ex BTW, althans een (toekomstige) betaling € 350.000,-, in elk geval enig geldbedrag of goed,

heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover (een of meer medewerker(s) en/of de RvT van) zijn werkgever [woningbouwvereniging] (artikel 328ter lid 1 jo. artikel 47 Wetboek van Strafrecht )

2:
[medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) op een (of meer) tijdstip(pen) in of

omstreeks de periode van 27 februari 2007 tot en met 11 september 2007 te

[plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen en/of alleen, haar bedrijfsadministratie, zijnde een samenstel van

geschriften dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk

heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken, immers

heeft/hebben [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) en/of haar mededader(s)

valselijk en/of in strijd met de waarheid in haar bedrijfsadministratie (onder

meer) de navolgende (valse) facturen opgenomen:

- de factuur 07/001 d.d. 27-02-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] BV aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.601), en/of

- de factuur 07/004 d.d. 09-03-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] BV aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.602), en/of

- de factuur 07/006 d.d. 05-07-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.603), en/of

- de factuur 07/007 d.d. 05-07-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.604), en/of

- de factuur 07/008 d.d. 05-07-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.605), en/of

- de factuur 07/010 d.d. 03-09-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.600),-, en/of

- de factuur 07/011 d.d. 11-09-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van € 35.700,- ex BTW (B.5.599)

bestaande de valsheid van die facturen (telkens) hieruit dat de door [medeverdacht bedrijf 1] BV

(vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV) omschreven werkzaamheden (adviezen

en projectmanagement) ten behoeve van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])

in werkelijkheid niet zijn verricht,

zulks met het oogmerk om deze bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te

gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of zijn mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of zijn

mededader(s) (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven

(artikel 225 lid 1 jo. artikel 47 jo. artikel 51 Wetboek van Strafrecht)

3:
[medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) op een (of meer) tijdstip(pen) in of

omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 11 september 2007 te [plaats]

en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen

en/of alleen, (van) (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van €

350.000,-, althans enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op het/de voorwerp(en)

en/of geldbedrag was/waren en/of wie het voorhanden had/hadden

door voor te wenden dat dit geldbedrag werd overgemaakt aan [medeverdacht bedrijf 1] BV (vanaf

31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV) vanwege een voorschot op door [medeverdacht bedrijf 1] BV

(vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV) te versturen termijnnota's voor

werkzaamheden die [medeverdacht bedrijf 1] BV (vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV) voor

[medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) had verricht of zou gaan verrichten,

althans dit/deze voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans van bovengenoemd(e)

voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) en/of haar mededader(s)

wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig

misdrijf

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of zijn mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of zijn

mededader(s) (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven

(artikel 420bis jo. artikel 47 jo. artikel 51 Wetboek van Strafrecht)

4:
Project [project 2] hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2005 tot en met 31 december 2006 te [plaats] en/of [plaats]/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen,

hetzij door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door (een) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[woningbouwvereniging] ("[woningbouwvereniging]") en/of (een) medewerker(s) van [woningbouwvereniging] en/of (een) ander(en) heeft/hebben bewogen en/of doen of laten bewegen tot de middellijke dan wel onmiddellijke afgifte van een (of meer) geldbedrag(en) (tot een totaal van ongeveer € 7.451.270,- althans € 5.443.365,35 althans € 1.927.273,-, althans € 1.061.274,58,-, in elk geval enig(e) geldbedrag(en) aan [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]), hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid jegens [woningbouwvereniging] en/of de Raad van Toezicht (RvT) van [woningbouwvereniging] en/of (een) medewerker(s) van [woningbouwvereniging] en/of (een) ander(en), onder meer in een investeringsvoorstel d.d. 13 september 2005 over het project "[project 2]" (B.5.113) dat werd voorgelegd aan de RvT van [woningbouwvereniging] en/of in een vergadering met de RvT van [woningbouwvereniging] d.d. 21 september 2005 en/of in een aanbiedingsbrief d.d. 7 juli 2005 (B 5.103)

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de verwerving van [adres] van Stichting [stichting 2] noodzakelijk was voor de verwezenlijking van de overeengekomen ontwikkeling (B 5.102, B 5.103) van [adres] en [adres] te [plaats]

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat Stichting [stichting 2] in het te realiseren project een aantal aanspraken heeft, zoals verwoord in de intentieovereenkomst van 23 mei 2005 (B 5.102) en de aanbiedingsbrief van 7 juli 2005 (B 5.103)

en/of

- verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat [medeverdacht bedrijf 3] het perceel grond [adres], op 10 mei 2005 had gekocht en (uiteindelijk op 3 oktober 2005) geleverd zou krijgen voor een bedrag van € 2.000.000,-, terwijl [woningbouwvereniging] hetzelfde perceel zou gaan kopen (en uiteindelijk op 3 oktober geleverd zou krijgen) voor een bedrag van € 7.451.270,-, althans een geldbedrag dat veel hoger zou liggen dan € 2.000.000,-

en/of

- verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat [woningbouwvereniging] het risico voor het project [project 2] alleen zou dragen (omdat Stichting [woningstichting] alleen appartementen zou gaan afnemen, B.5.102 en B.5.1173), en een bedrag van € 27.349.829,14 (B 5.103, bijlage p.2) moest investeren, terwijl volgens het investeringsvoorstel d.d. 13 september 2005 (B 5.103) het risico voor 2/3 zal worden gedragen door [woningbouwvereniging] en voor 1/3 door Stichting [woningstichting], en er slechts een bedrag van € 17.963.920,- zou worden geïnvesteerd (notulen vergadering 21-09-2005, B 5.436)

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de in het project "[project 2]" te behalen winst en/of opbrengst(en) van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) die zou gaan voortvloeien uit de aan- en verkoop van [adres] door [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]), tussen verdachte en zijn mededader(s) onderling zou worden verdeeld

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat hij, verdachte, al dan niet middels [medeverdacht bedrijf 1] BV (vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV), een bedrag van in totaal € 1.061.274,58, althans enig geldbedrag, zou ontvangen van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]),

en/of

-zich voorgedaan als (een) competente en/of betrouwbare en/of loyale en/of integere medewerker van [woningbouwvereniging] terwijl hij, verdachte, zijn competenties niet volledig heeft aangewend ten goede van zijn werkgever en/of lastgever omdat hij heeft verzwegen dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een eigen (geldelijk) belang had(den) bij deze aankoop van [adres] waarna op 21 september 2005 instemming werd verkregen van de RvT van [woningbouwvereniging] met het investeringsvoorstel d.d. 13 september 2005 en (daaruit voortvloeiend) toestemming om voor [woningbouwvereniging] het perceel [adres] aan te kopen van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])

waardoor [woningbouwvereniging] en/of een medewerker(s) van [woningbouwvereniging] en/of een ander werd(en) bewogen tot bovengenoemde afgifte(n) aan [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])

(artikel 326 jo. artikel 47 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2005 tot en met 22 december 2006 te [plaats] en/of [plaats]en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

(telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) € 1.927.273,- (B.5.522), althans enig(e) geldbedrag(en) of enig(e) goed(eren) dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [woningbouwvereniging], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk(e) geldbedrag(en) hij, verdachte, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als (algemeen) directeur en/of (mede)bestuurder en/of werknemer van [woningbouwvereniging], in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend

(artikel 322/321 jo. artikel 47 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 mei 2005 tot en met 11 oktober 2005 te [plaats] en/of [plaats]en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, immers als (algemeen) directeur en/of (mede)bestuurder en/of werknemer van [woningbouwvereniging], naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal/zou doen of nalaten, te weten het bevorderen van de aankoop van [adres] door [woningbouwvereniging] en het doen van de aankoop van [adres] door [woningbouwvereniging] van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]), en /of de betaling van (een deel van de) koopsom van € 7.451.270,- van [woningbouwvereniging] aan [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]),

een gift, en/of een belofte, namelijk een (toekomstige) betaling van een geldbedrag van € 1.061.274,58,- ex BTW, in elk geval enig geldbedrag of goed, heeft/hebben aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft/hebben verzwegen tegenover (een of meer medewerker(s) en/of de RvT van) zijn werkgever [woningbouwvereniging]

(artikel 328ter lid 1 jo. artikel 47 Wetboek van Strafrecht)

5:

[medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) op een (of meer) tijdstip(pen) in of

omstreeks de periode van 17 oktober 2005 tot en met 17 januari 2006 te

[plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen en/of alleen,

haar bedrijfsadministratie, zijnde een samenstel van geschriften dat bestemd

is om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt

en/of doen opmaken en/of laten opmaken, immers heeft/hebben [medeverdacht bedrijf 3]

BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) en/of haar mededader(s) valselijk en/of in strijd met

de waarheid in haar bedrijfsadministratie (onder meer) de navolgende (valse)

facturen opgenomen:

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] BV aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 oktober 2005 ten bedrage van

€ 265.000,- ex BTW (B.5.912), en/of

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] BV aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 november 2005 ten bedrage van

€ 265.000,- ex BTW (B.5.909), en/of

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] BV aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 december 2005 ten bedrage van

€ 265.000,- ex BTW (B.5.908), en/of

-een factuur van [medeverdacht bedrijf 1] BV aan [medeverdacht bedrijf 3] d.d. 17 januari 2006 ten bedrage van

€ 265.000,- ex BTW (B.5.917)

bestaande de valsheid van die facturen (telkens) hieruit dat de door [medeverdacht bedrijf 1] BV

(vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV) omschreven werkzaamheden (adviezen

en projectmanagement) ten behoeve van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])

in werkelijkheid niet zijn verricht en/of de afkoopsom niet verschuldigd was,

zulks met het oogmerk om deze bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te

gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of zijn mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of zijn

mededader(s) (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven;

(artikel 225 lid 1 jo. artikel 47 jo. artikel 51 Wetboek van Strafrecht)

6:
[medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) op een (of meer) tijdstip(pen) in of

omstreeks de periode van 1 oktober 2005 tot en met 31 oktober 2005 te [plaats]

en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen

en/of alleen, (van) (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van €

350.000,-, althans enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op het/de voorwerp(en)

en/of geldbedrag was/waren en/of wie het voorhanden had/hadden

door voor te wenden dat dit geldbedrag werd overgemaakt aan [medeverdacht bedrijf 1] BV voor werkzaamheden die [medeverdacht bedrijf 1] BV (vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV)

voor [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) had verricht of zou gaan verrichten, en/of wegens een afkoopsom voor het project [project 2]

althans dit/deze voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans van bovengenoemd(e)

voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) en/of haar mededader(s)

wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig

misdrijf

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of zijn mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of zijn

mededader(s) (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven

(artikel 420bis jo. artikel 47 jo. artikel 51 Wetboek van Strafrecht)

7:
Project [project 3]

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 juli 2007 te [plaats] en/of [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door (een) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[woningbouwvereniging] ("[woningbouwvereniging]") en/of (een) medewerker(s) van [woningbouwvereniging] en/of (een) ander(en) heeft/hebben bewogen en/of doen of laten bewegen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), tot een totaal van ongeveer € 14.600.000,- althans € 2.250.000,-, althans € 1.149.500,-, in elk geval enig(e) geldbedrag(en) (aan [bedrijf 6] BV en/of [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])), hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, jegens [woningbouwvereniging] en/of de Raad van Toezicht (RvT) van [woningbouwvereniging] en/of (een) medewerker(s) van [woningbouwvereniging] en/of (een) ander(en), onder meer in een investeringsvoorstel d.d. 24 mei 2007 over het perceel [adres] (B.5.248) dat werd voorgelegd aan de RvT van [woningbouwvereniging] en/of in een vergadering met de RvT van [woningbouwvereniging] d.d. 31 mei 2007

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de bij de aan- en verkoop betrokken partijen [bedrijf 7] BV, [bedrijf 8] BV en [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) onderling hadden afgesproken dat de oorspronkelijk aan de eigenaar van het perceel [adres], te weten ING Kantoren Bewaarmaatschappij BV, betaalde verkoopprijs van € 10.000.000,- zou worden verhoogd met een minimum van € 5.000.000,- en dat [woningbouwvereniging] als potentieel kopende partij deze verhoogde koopprijs zou moeten betalen (memo d.d. 29 maart 2007, B.5.1652)

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat [medeverdacht bedrijf 3] (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) per brief d.d. 22 april 2007 het perceel [adres] heeft aangeboden aan [woningbouwvereniging] voor € 13.500.000,- (B.5.625)

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat niet [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]), maar een andere partij ([bedrijf 6] BV) het project zou gaan ontwikkelen

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten een deel van de koopprijs die door [woningbouwvereniging] werd betaald als afkoopsom (van € 2.250.000,- ex BTW) aan [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) moest worden betaald, en niet te goede zou komen aan de verkoper [bedrijf 6] BV (B.5.238)

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de met de transactie van de [adres] te behalen winst en/of opbrengst(en) van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]), die zou bestaan uit het ontvangen van een afkoopsom bij de aan- en verkoop van [adres], tussen verdachte en/of zijn mededader(s) onderling zou worden verdeeld

en/of

-verheimelijkt en/of verdoezeld en/of verzwegen en/of weggelaten dat de directeur va [woningbouwvereniging],[medeverdachte 1], al dan niet middels [medeverdacht bedrijf 1] BV (vanaf 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV), een bedrag van in totaal € 1.149.500,-, althans enig geldbedrag, zou ontvangen van [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])

en/of

-zich voorgedaan als (een) competente en/of betrouwbare en/of loyale en/of integere medewerker van [woningbouwvereniging] terwijl hij, verdachte, zijn competenties niet volledig heeft aangewend ten goede van zijn werkgever en/of lastgever omdat hij heeft verzwegen dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een eigen (geldelijk) belang had(den) bij deze aankoop van [adres] waarna op 31 mei 2007 instemming werd verkregen van de RvT van [woningbouwvereniging] met het investeringsvoorstel d.d. 24 mei 2007 en (daaruit voortvloeiend) toestemming om voor [woningbouwvereniging] het perceel [adres] aan te kopen van [bedrijf 6] BV, waarna d.d. 11 juli 2007 een afkoopsom van 2.250.000,- (ex BTW) werd betaald (aan [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3])) (B.5.243)

waardoor [woningbouwvereniging] en/of een medewerker(s) van [woningbouwvereniging] en/of een ander werd(en) bewogen tot bovengenoemde afgifte(n) (aan [bedrijf 6] BV en/of [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]))

(artikel 326 jo. artikel 47 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair

op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 juli 2007 te [plaats] en/of [plaats]en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

opzettelijk een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) € 2.250.000,-, althans € 1.149.500,-, althans enig(e) geldbedrag(en) of enig(e) goed(eren) dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [woningbouwvereniging], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk(e) geldbedrag(en) verdachte en/of zijn mededader(s) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als (algemeen) directeur en/of (mede)bestuurder en/of werknemer van [woningbouwvereniging], in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend

(artikel 322/321 jo. artikel 47 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 juli 2007 te [plaats] en/of [plaats]en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen

anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, immers als (algemeen) directeur en/of (mede)bestuurder en/of werknemer van [woningbouwvereniging], naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal/zou doen of nalaten, te weten het bevorderen van de aankoop van het perceel [adres] ([project 4]) en het doen van de aankoop van het perceel [adres] en/of het bevorderen van de betaling van een afkoopsom van € 2.250.000,- (excl. BTW) van [bedrijf 6] BV aan [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]), een gift, en/of een belofte, namelijk een (toekomstige) betaling van een geldbedrag van € 1.149.500,- (excl. BTW), in elk geval enig geldbedrag of goed, heeft/hebben aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft/hebben verzwegen tegenover (een of meer medewerker(s) en/of de RvT van) zijn werkgever [woningbouwvereniging].

(328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht)

8:
[medeverdacht bedrijf 3] B.V. (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) op een (of meer) tijdstip(pen) in

of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 juli 2007 te [plaats]

en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of

alleen, haar bedrijfsadministratie, zijnde een samenstel van geschriften dat

bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben

opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken, immers heeft/hebben zij,

verdachte en/of haar mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid

in haar bedrijfsadministratie (onder meer) de navolgende (valse) factuur

opgenomen:

- de factuur 07-009 d.d. 23-07-2007 van [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV aan [medeverdacht bedrijf 3] ter

grootte van 1.149.500,- ex BTW (B5.041)

bestaande de valsheid van die factuur hieruit dat [medeverdacht bedrijf 3] BV

(h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) in werkelijkheid geen afkoopsom verschuldigd was,

aangezien [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV niet betrokken is geweest bij het project

[project 4] en/of de genoemde werkzaamheden in project [project 4]

niet heeft verricht

zulks met het oogmerk om deze bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te

gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of zijn mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of zijn

mededader(s) (telkens) feitelijke leiding heeft/hebben gegeven

(artikel 225 lid 1 jo. artikel 47 jo. artikel 51 Wetboek van Strafrecht)

9:
[medeverdacht bedrijf 3] B.V. (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) op een (of meer) tijdstip(pen) in

of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 juli 2007 te [plaats]

en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen

en/of alleen, (van) (een) voorwerp(en), te weten van een geldbedrag van €

1.149.500,- ex BTW althans enig geldbedrag

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op het voorwerp en/of

geldbedrag was/waren en/of wie het voorhanden had/hadden

door voor te wenden dat dit geldbedrag werd overgemaakt aan [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV

wegens een afkoopsom (voor het project [project 3]),

althans dit/deze voorwerp(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden

heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans van

bovengenoemd(e) voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl [medeverdacht bedrijf 3] BV (h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3]) en/of haar mededader(s)

wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig

misdrijf

tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

en/of zijn mededader(s) (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan

welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte en/of zijn

mededader(s) (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven

(artikel 420bis jo. artikel 47 jo. artikel 51 Wetboek van Strafrecht)

10:
hij, op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 6 mei 2010 te [plaats] en/of [plaats] ) en/of elders in Nederland, opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of[medeverdacht bedrijf 2] Holding B.V. en/of [medeverdacht bedrijf 3] B.V. h.o.d.n. [medeverdacht bedrijf 3] en/of [medeverdacht bedrijf 1] Holding BV (tot 31-05-2007 genaamd [medeverdacht bedrijf 1] BV) en/of een (of meer) ander(e) (rechts)perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk onder meer: -oplichting (art. 326 WvSr) -verduistering in dienstbetrekking (art. 322 WvSr) -niet-ambtelijke omkoping (art. 328ter WvSr) -valsheid in geschrift (art. 225 WvSr) -witwassen (art. 420bis WvSr) terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van de organisatie was.

(artikel 140 Wetboek van Strafrecht)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s of bijlagen, wordt -tenzij anders vermeld-, bedoeld de bijlagen als opgenomen in het proces-verbaal dossiernummer 20090509, van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu VROM-IOD , onderzoek Rembrandt, van 27 april 2011, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 3], opsporingsambtenaar, welk proces-verbaal is doorgenummerd van 1 tot en met 302496.

2 Bijlage B5. 012, dossierpagina’s 200000 tot en met 2000065.

3 Dossierpagina’s 000030 en 000031.

4 dossierpagina 200602

5 Zie paragraaf 7.7.3.2.

6 Dossierpagina’s 100061

7 Dossierpagina 1000293.

8 Bijlagen B 5.264 , B 5.265 en B 5.266

9 dossierpagina 200227

10 dossierpagina 001213

11 dossierpagina 200488.

12 dossierpagina 100040

13 Ordner 1.10, bijlage B 5 243, dossierpagina 200439.