Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:10044

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
15-01-2014
Zaaknummer
21-003339-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

6 WVW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003339-12

Uitspraak d.d.: 29 november 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 7 augustus 2012 met parketnummer 05-700517-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 november 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. P.D. Labee, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist met uitzondering van de aan verdachte opgelegde straf en de motivering daarvan en met dien verstande dat het vonnis van de rechtbank als volgt dient te worden aangevuld/verbeterd:

- Ten aanzien van de door de rechtbank voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte is het hof van oordeel dat de passages “En ik kwam daarbij een stukje over de middenlijn” en “Ik ging wel iets over de middenstreep” niet redengevend zijn voor het bewijs. Die onderdelen van de verklaring van verdachte worden weersproken door de overige bewijsmiddelen en in het bijzonder de verklaring van [slachtoffer] en [getuige]. Het hof acht op basis van de wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte ver op de andere weghelft heeft gereden nu het slachtoffer [slachtoffer] volgens zijn eigen verklaring en die van [getuige] niet ver van de berm reed op die weghelft.

- Aan de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen voegt het hof toe een proces-verbaal van verhoor betrokkene, nummer PL04743 2011007863-08 op 9 maart 2011 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant], agent bij Politie Gelderland-Midden en voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] – zakelijk weergegeven – als volgt:

U vraagt mij dat u een aanvullende verklaring van mij wenst op te nemen met betrekking tot het letsel dat ik tengevolge van het verkeersongeval heb opgelopen. U vraagt mij welk letsel door medische specialisten werd vastgesteld en wat de vooruitzichten zijn. In het ziekenhuis werd vastgesteld dat ik drie middenhandsbeentjes in mijn linkerhand had gebroken. Mijn hand is toen in de juiste stand gezet en ingegipst. Ik heb zeven tot acht weken met mijn hand in het gips gezeten. Gisteren, dinsdag 8 maart 2011, moest ik voor controle terug naar het ziekenhuis en is het gips verwijderd. De dokter vertelde mij dat ik mijn hand nog niet direct vol moest gaan belasten en dat ik nog even rustig aan moest doen. Ik kan op dit moment dus ook nog geen zware voorwerpen tillen. Ik voel af en toe nog wel pijn in mijn linkerhand op het moment dat ik een vuist maak.

Met inachtneming van het voorgaande bevestigt het hof het vonnis met overneming van gronden, behalve voor wat betreft de aan de verdachte opgelegde straf en de motivering daarvan.

Gezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep op die onderdelen worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof kan zich vinden in de door de rechtbank gegeven strafmotivering en in beginsel ook met de straf die de rechtbank heeft opgelegd. In het tijdsverloop ziet het hof echter reden om de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde rijontzegging te verkorten tot een duur van een jaar.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 10 (tien) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 100,00 (honderd euro).

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr M. Otte, voorzitter,

mr A.R. van der Winkel en mr. K. Lindenberg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr R. Robroek, griffier,

en op 29 november 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mrs. A.R. van der Winkel en K. Lindenberg zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.