Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:10043

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
15-01-2014
Zaaknummer
21-004761-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

6 WVW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004761-12

Uitspraak d.d.: 29 november 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 2 november 2012 met parketnummer 05-700444-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 november 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. F.G.W.M. Huijbers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Primair:

hij op of omstreeks 30 november 2011, te Huissen, gemeente Lingewaard,in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Karstraat, roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam, terwijl het zicht van verdachte werd beperkt/belemmerd door een of meer beslagen/bewasemde ruiten, en/of op het kruispunt met De Geer rechtsaf is geslagen en/of naar rechts heeft gestuurd, en/of (daarbij) is gestopt om voorrang te verlenen aan een fietser, welke fietste op het naastgelegen (brom)fietspad, en/of (vervolgens) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg, de Karstraat, en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of (vervolgens) het naast de Karstraat gelegen (brom)fietspad is opgereden en/of overgereden, en/of (daarbij) in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een op die Karstraat rijdende bestuurder van een ander motorrijtuig (tweewielige bromfiets), die zich op dezelfde weg naast, dan wel rechts dicht achter hem bevond, niet voor heeft laten gaan, en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met (de bestuurder van) die tweewielige bromfiets, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 30 november 2011 te Huissen, gemeente Lingewaard, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Karstraat, terwijl het zicht van verdachte werd beperkt/belemmerd door een of meer beslagen/bewasemde ruiten, en/of op het kruispunt met De Geer rechtsaf is geslagen en/of naar rechts heeft gestuurd, en/of (daarbij) is gestopt om voorrang te verlenen aan een fietser, welke fietste op het naastgelegen (brom)fietspad, en/of (vervolgens) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg, de Karstraat, en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of (vervolgens) het naast de Karstraat gelegen (brom)fietspad is opgereden en/of overgereden, en/of (daarbij) in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een op die Karstraat rijdende bestuurder van een ander motorrijtuig (tweewielige bromfiets), die zich op dezelfde weg naast, dan wel rechts dicht achter hem bevond, niet voor heeft laten gaan, en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met (de bestuurder van) die tweewielige bromfiets, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Ter beoordeling van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zal het hof achtereenvolgens ingaan op de vraag of en welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd kunnen worden bewezen en of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren.

Op grond van de in de eventueel later op te maken aanvulling gebezigde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bij het rechts afslaan met zijn auto geen voorrang heeft verleend aan een tweewielige bromfiets die zich op dezelfde weg naast dan wel rechts dicht achter hem bevond. Daardoor is verdachte in aanrijding gekomen met (de bestuurder van) die tweewielige bromfiets en heeft de bromfietser zwaar lichamelijk letsel (breuk aan het rechter bovenbeen) opgelopen.

Een belangrijke rol in de bewijsvoering door het openbaar ministerie speelt de mate waarin de ruiten van de auto waarin verdachte reed beslagen waren doordat de verwarming van de auto niet functioneerde. De redenering van het openbaar ministerie daarbij is dat het niet waarnemen van andere weggebruikers door beslagen ruiten in casu voor rekening van verdachte dient te komen. Door en namens de verdachte is daarentegen ter terechtzitting betoogt dat niet feitelijk is vast te stellen hoe beslagen de ruiten zijn geweest ten tijde van het ongeval. Verdachte heeft verklaard dat hij niet met beslagen ruiten reed maar met ruiten die steeds besloegen en dat hij die ruiten voortdurend heeft schoongemaakt. Hij had naar eigen zeggen geen optimaal zicht maar wel voldoende zicht. Het rijden met voldoende zicht kan volgens de verdediging niet als aanmerkelijk onvoorzichtig worden aangemerkt. De rechtbank heeft de verdediging in deze redenering gevolgd.

Het hof is echter van oordeel dat de vraag naar de mate waarin de ruiten van de auto waarin verdachte reed beslagen waren en in hoeverre dat het zicht belemmerde in het midden kan blijven.

Indien het zicht niet door het beslaan of beslagen zijn van de ruiten belemmerd werd, vindt de door verdachte gepleegde voorrangsovertreding zijn oorzaak in onoplettendheid bij verdachte. Het hof heeft daartoe in aanmerking genomen dat verdachte de bromfietser niet tijdig heeft waargenomen, terwijl deze bromfietser voor andere ter plaatse bevindende weggebruikers wel zichtbaar was. Kort voor de aanrijding moet de bromfietser gedurende enige momenten rechts naast en/of rechts achter verdachte zichtbaar zijn geweest voordat verdachte rechtsaf sloeg, temeer daar zowel de verdachte als de bromfietser beide reden op een zo goed als rechte weg, het weer helder was en het nog niet donker was. Dat verdachte de bromfietser, wanneer er vanuit wordt gegaan dat het zicht niet door het beslaan of beslagen zijn van de ruiten belemmerd werd, niet heeft waargenomen gedurende die momenten dat die bromfietser zichtbaar moet zijn geweest, kan slechts zijn oorzaak hebben gevonden in onvoldoende oplettendheid aan de kant van verdachte.

Indien het zicht door het beslaan of beslagen zijn van de ruiten onvoldoende was, vindt de door verdachte gepleegde voorrangsovertreding zijn oorzaak in onvoorzichtigheid bij verdachte. Het aan het verkeer deelnemen met onvoldoende zicht is gelet op de daarmee gepaard gaande risico’s reeds op zichzelf onvoorzichtig. Daar verdachte niet plotseling geconfronteerd werd met de beslagen ruiten cq. het beslaan daarvan, maakt dat verdachte in de gelegenheid was de nodige voorzorgmaatregelen te treffen. Het niet waarnemen van de bromfietser ligt daarmee in de invloedssfeer van verdachte.

De slotsom luidt dan ook dat het hof bewezen acht dat verdachte hetzij onvoldoende heeft gelet op het verkeer naast en achter hem en zich er, alvorens af te slaan onvoldoende van heeft vergewist dat er zich geen rechtdoorgaand verkeer naast zich bevond, hetzij zich onvoorzichtig heeft gedragen door aan het verkeer deel te nemen in omstandigheden waarin hij zich niet voldoende kon vergewissen dat er zich geen rechtdoorgaand verkeer naast zich bevond. Andere omstandigheden die verdachte verhinderden de bromfietser waar te nemen zijn niet aannemelijk geworden. In het bijzonder overweegt het hof dat de snelheid van de bromfietser een dergelijk omstandigheid in ieder geval niet oplevert nu de bromfietser voor meerdere getuigen wel zichtbaar is geweest en deze net als verdachte reed op een zo goed als rechte weg.

De vraag is vervolgens of deze feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Een automobilist heeft onder meer de bijzondere zorgplicht te anticiperen op komende verkeersconflicten, en zich te vergewissen van de eventuele aanwezigheid van ander verkeer dat hij daarbij ontmoet en voorrang dient te verlenen. Verdachte heeft deze zorgplicht, gelet op de bewezenverklaarde gedragingen, niet in acht genomen, danwel zich zelf in een situatie gebracht waarin hij die zorgplicht niet kon naleven.

De slotsom luidt dan ook dat het hof, anders dan de rechtbank is beslist en door de verdediging is bepleit, wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachtes handelen als aanmerkelijk onoplettend moet worden aangemerkt en dat hij schuld aan het verkeersongeval heeft in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 30 november 2011, te Huissen, gemeente Lingewaard als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Karstraat, aanmerkelijk onoplettend en/of onvoorzichtig , terwijl het zicht van verdachte werd beperkt/belemmerd door een of meer beslagen/bewasemde ruiten, op het kruispunt met De Geer rechtsaf is geslagen en naar rechts heeft gestuurd, en (daarbij) is gestopt om voorrang te verlenen aan een fietser, welke fietste op het naastgelegen (brom)fietspad, en (vervolgens) in onvoldoende mate op het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en (vervolgens) het naast de Karstraat gelegen (brom)fietspad is opgereden , en (daarbij) in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een op die Karstraat rijdende bestuurder van een ander motorrijtuig (tweewielige bromfiets), die zich op dezelfde weg naast, dan wel rechts dicht achter hem bevond, niet voor heeft laten gaan, en (vervolgens) in aanrijding is gekomen met (de bestuurder van) die tweewielige bromfiets, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft bij rechts afslaan een verkeersongeval veroorzaakt door in botsing te komen met een bromfietser. De bromfietser heeft daarbij zijn rechter bovenbeen gebroken en hij heeft daarvan leed ondervonden. De vergelding van dat leed en de normbevestiging - verdachte heeft zich immers aanmerkelijk onoplettend en/of onvoorzichtig gedragen - vormen de grondslag voor de strafoplegging. Daartegenover staat dat de gevolgen van het ongeval ook verdachte hebben aangegrepen. Verdachte heeft weliswaar schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, maar het gaat hier niet om de zwaarste vorm van schuld. Dit dient ook tot uitdrukking te komen in de strafmaat. Ten slotte houdt het hof in het voordeel van de verdachte rekening met het feit dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Een en ander maakt een lagere straf dan de door het LOVS vastgestelde oriëntatiepunten geïndiceerd. Het hof zal een geldboete opleggen van € 750,= , alsmede een rijontzegging voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr M. Otte, voorzitter,

mr A.R. van der Winkel en mr. K. Lindenberg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr R. Robroek, griffier,

en op 29 november 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.