Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:10040

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
14-01-2014
Zaaknummer
21-001796-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

6 WVW. Roekeloosheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001796-12

Uitspraak d.d.: 29 november 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 30 maart 2012 met parketnummer 05-900056-11 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 05-700448-08, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 november 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Lamers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist met uitzondering van de aan verdachte opgelegde straf en de motivering daarvan en met dien verstande dat het vonnis van de rechtbank als volgt dient te worden aangevuld/verbeterd.

Ten aanzien van het als feit 1 primair bewezenverklaarde feit

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het fietspad waarop verdachte reed door de begroeiing optisch smaller is dan 2,85m. Het hof concludeert dat uit de foto op p. 191 van het proces-verbaal van politie als genoemd in het vonnis van de rechtbank. De bewezenverklaring dient op dit punt te worden vernietigd en te worden verbeterd. Ten aanzien van die foto stelt het hof bovendien vast dat het fietspad aan de rechterkant wordt geflankeerd met lantaarnpalen en zowel links en rechts met bomen en dat het fietspad geen egaal wegdek heeft. Het hof acht deze eigen vaststellingen redengevend voor het bewijs.

Voorts herstelt het hof de in de bewijsoverwegingen van de rechtbank voorkomende kennelijke verschrijving dat verdachte “niet voldoende heeft gelet op de fietser voor hem”. Dit onderdeel dient te worden verwijderd uit de bewijsoverweging van de rechtbank. Deze omstandigheid vindt immers geen steun in de bewijsmiddelen en is dan ook terecht niet door de rechtbank bewezen verklaard.

Het hof kan zich voor het overige vinden in de feitelijkheden zoals die door de rechtbank bewezen zijn geacht, temeer daar de verdediging in hoger beroep te kennen heeft gegeven zich te refereren aan het oordeel van het hof omtrent de vraag of sprake is van min of meer grove schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Het hoger beroep zijdens de verdediging ten aanzien van dit feit richt zich louter op de volgende punten:

  1. De wijze waarop verdachte tegen de fietser is aangereden

  2. De snelheid van verdachte

  3. De kwalificatie roekeloosheid

Voor het overige heeft de verdediging de bewijsoverwegingen en de bewezenverklaring van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde feit niet bestreden. Omtrent de punten die de verdediging wél heeft bestreden overweegt het hof als volgt:

Ad a.

Gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] acht het hof het met de rechtbank onaannemelijk dat de fietser tegen verdachte is aangevallen en dat verdachte en de fietser daardoor ten val zijn gekomen. Zowel de verklaring van [getuige 1] als die van [getuige 2] komen er op neer dat verdachte de fietser heeft geschept en beiden daardoor ten val zijn gekomen. Het hof gaat evenals de rechtbank uit van die feitelijke toedracht.

Ad b.

Evenals de rechtbank komt het hof op basis van de bewijsmiddelen tot de slotsom dat verdachte met een hogere snelheid dan 30 kilometer per uur heeft gereden. Het hof heeft hiertoe in het bijzonder in aanmerking genomen dat het, gelet op de daaromtrent afgelegde getuigenverklaringen, niet aannemelijk acht dat verdachte heeft geremd voor het ongeval en verdachte voorts zelf heeft verklaard zijn snelheid, voorafgaand aan het niet aannemelijk geachte remmen, op 50 kilometer per uur te schatten.

Ad c.

Het hof is ten slotte met de rechtbank van oordeel dat de door de rechtbank vastgestelde feitelijkheden inclusief bovenstaande aanvulling van het hof omtrent de aard, de toestand en de omgeving van het fietspad als roekeloos zijn aan te merken. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat verdachte, zonder in het bezit te zijn van een daartoe vereist geldend rijbewijs, met een aanzienlijk hogere snelheid dan ter plaatse voor bromfietsers was toegestaan, met zijn scooter op een relatief smal (onverplicht) fietspad heeft gereden alwaar zich op dat moment kwetsbare weggebruikers (zowel fietsers als wandelaars) bevonden. Het hof voegt daaraan toe dat het fietspad waarop verdachte reed optisch nog smaller was door begroeiing, geflankeerd werd door lantaarnpalen en bomen en geen egaal wegdek had. Bovendien was het verdachte niet toegestaan aldaar met een scooter te rijden, zodat het voor het slachtoffer, die van achter werd benaderd, ook niet te verwachten viel dat hij door een scooter werd ingehaald, laat staan met een dergelijk hoge snelheid. Verdachte is in die omstandigheden met onverminderd hoge snelheid naar een door hem waargenomen fietser toegereden die licht slingerde, daarbij waarschuwingen negerend van anderen. Bij het inhalen heeft verdachte de fietser geschept.

Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt de context waarin de verdachte de bewezengeachte strafverzwarende omstandigheden heeft gepleegd (in het bijzonder de aard, toestand en omgeving van het fietspad, het feit dat hij daar niet mocht rijden en de slingerende fietser van achter benaderde, alsmede de aanwezigheid van kwetsbare verkeersdeelnemers waarvan twee de verdachte nog hebben gewaarschuwd om langzamer te gaan rijden) de conclusie dat sprake is van buitengewoon onvoorzichtig gedrag waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Met inachtneming van het voorgaande bevestigt het hof het vonnis met overneming van gronden, behalve voor wat betreft de aan de verdachte opgelegde straf en de motivering daarvan.

Gezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep op die onderdelen worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank aangaande de straf en maakt die tot de zijne. Anders dan de rechtbank ziet het hof echter in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en meer in het bijzonder de omstandigheid dat verdachte zichzelf in het kader van het project IWIB (Individueel Wonen met Intensieve Begeleiding) onder begeleiding/behandeling van Pluryn heeft gesteld reden om de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Naar het oordeel van het hof moet die positieve ontwikkeling waartoe verdachte kennelijk zelf het initiatief heeft genomen niet door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden doorkruist. Daarbij zal het hof, zoals door de verdediging is verzocht, als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht opleggen teneinde de thans ingezette koers ook van een strafrechtelijk (en dus meer dwingend) kader te voorzien. Gelet op de ernst van het feit en de gevolgen voor het slachtoffer zal het hof ter compensatie daarvan wel de ontzegging van de rijbevoegdheid voor langere duur opleggen dan de rechtbank heeft gedaan.

De vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 22 juli 2008 voorwaardelijk opgelegde 4 maanden jeugddetentie (05-700448-08) wijst het hof toe en zet het hof gelet op het voorgaande om in een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 285a en 417bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of t.b.v. vaststelling identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs a.b.i. art. 1 Wet o/d identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich onder toezicht zal stellen van Stichting Reclassering Nederland te [geboorteplaats] en zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van dat toezicht zullen worden gegeven, een en ander gedurende de proeftijd of zolang de Stichting Reclassering Nederland dat nodig acht.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Arnhem van 22 juli 2008, parketnummer 05-700448-08, te weten van 4 maanden jeugddetentie, te vervangen door: taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr M. Otte, voorzitter,

mr P.A.H. Lemaire en mr. K. Lindenberg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr R. Robroek, griffier,

en op 29 november 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. K. Lindenberg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.