Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:10015

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
14-01-2014
Zaaknummer
21-003152-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

6 en 7 WVW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003152-13

Uitspraak d.d.: 29 november 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Nederland van 13 februari 2013 met parketnummer 08-770029-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 november 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. F. Kolkman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Feit 1

Primair
hij op of omstreeks 15 oktober 2011 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend gereden op de weg, de Rijksweg A1, terwijl hij (aanmerkelijk) onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde en/of heeft hij, verdachte, (daarbij) niet voortdurend de nodige voorzichtigheid en oplettendheid betracht en/of heeft hij, verdachte, niet, althans onvoldoende, gelet op de weg vóór hem en/of op mogelijke weggebruikers op die weg vóór hem en/of heeft hij, verdachte, zijn snelheid niet zodanig aangepast dat hij het door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was en/of is hij, verdachte, (vervolgens) (rijdend met een snelheid van (ongeveer) 120 kilometer per uur) met dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen de achterzijde van een vóór hem op die weg in dezelfde richting rijdend motorrijtuig gereden of gebotst, waardoor (een) ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

Subsidiair
A.

hij op of omstreeks 15 oktober 2011 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 660 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn; en/of

B.

hij op of omstreeks 15 oktober 2011 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A1, niet voortdurend de nodige voorzichtigheid en oplettendheid heeft betracht en/of niet, althans onvoldoende, heeft gelet op de weg vóór hem en/of op mogelijke weggebruikers op die weg vóór hem en/of zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast dat hij het door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was en/of (vervolgens) (rijdend met een snelheid van (ongeveer) 120 kilometer per uur) met dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen de achterzijde van een vóór hem op die weg in dezelfde richting rijdend motorrijtuig is gereden of gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;



Feit 2
hij op of omstreeks 15 oktober 2011 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Rijksweg A1, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan (een) ander(en) (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) letsel en/of schade was toegebracht;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 1 primair tenlastegelegde

Ter beoordeling van de vraag of verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan zal het hof achtereenvolgens ingaan op de vraag of en welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd kunnen worden bewezen en of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren.

Het hof stelt daarbij voorop dat het anders dan de verdediging de door de verdediging genoemde verschillen tussen de van het dossier onderdeel uitmakende processen-verbaal van bevindingen en getuigenverklaringen, niet van dien aard acht dat deze niet meer als betrouwbaar en wettig bewijsmiddelen kunnen fungeren.

Op grond van de in de eventueel later op te maken aanvulling gebezigde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als automobilist over de snelweg heeft gereden en daarbij meerdere malen van de rechterrijstrook naar de vluchtstrook is gereden, waarna hij zijn snelheid heeft verhoogd en vervolgens met volle snelheid achter op een andere auto is gereden. Ten gevolge van deze aanrijding hebben de twee inzittenden van die auto zodanig letsel opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Verdachte, die zich niets van de aanrijding weet te herinneren, heeft over hetgeen aan de aanrijding vooraf is gegaan verklaard dat hij zich die dag niet goed voelde maar dat hij desondanks in de auto is gestapt. Verder is verdachte omdat hij zich niet goede voelde een aantal keren gestopt, maar is hij telkens verder gereden. Verdachte had in mei 2011 vier liter bloed verloren en voelde zich daarna vaker niet lekker. Volgens verdachte kwam dat door het toegediende bloed waaraan het lichaam moest wenen. Tussen mei en augustus 2011 is het volgens hem vaker gebeurd dat hij niet meer wist wat hij deed. Zijn behandelend arts heeft, het hof begrijpt in verband met zijn medisch probleem, gezegd dat hij voorlopig geen alcohol meer mocht drinken. In de middag voor de aanrijding heeft verdachte 3 á 4 glazen wijn gedronken.

Het hof stelt vast dat verdachte voor, tijdens en na de aanrijding in een toestand verkeerde waardoor hij niet meer tot behoorlijk rijden in staat was. Het hof acht niet aannemelijk dat die toestand is veroorzaakt door een cerebellaire ataxie zoals door de verdediging is betoogd. Die mogelijkheid is louter in theorie geopperd door een arts in een door de verdediging overgelegd medisch bericht zonder dat daarvoor na medisch onderzoek enige oorzaak is gevonden. Daar staat tegenover dat verdachte een half jaar voor de aanrijding met een medisch probleem is geconfronteerd waardoor hij zich gedurende lange tijd niet lekker heeft gevoeld en zelfs een aantal keren “niet meer wist wat hij deed”. Op de dag van de aanrijding heeft verdachte alcohol gedronken, is verdachte ondanks dat hij zich niet lekker voelde in de auto gestapt en is hij voor de aanrijding en na het nuttigen van alcohol zelfs een aantal keren gestopt omdat hij zich niet lekker voelde. Dit alles terwijl een arts hem had gewaarschuwd om geen alcohol te nuttigen. Uiteindelijk is hem datgene overkomen wat hij voor de aanrijding vaker had meegemaakt, namelijk dat hij niet meer wist wat hij deed.

Het hof acht op grond daarvan bewezen dat verdachte verkeerde onder zodanige invloed van alcohol waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie van zijn medische toestand – de rijvaardigheid kan verminderen. Verdachte heeft zichzelf (mede) in die toestand gebracht en is ondanks alle waarschuwingen (in het bijzonder zijn medisch verleden, de waarschuwing van zijn arts en zijn lichamelijke gesteldheid op de dag zelf) door blijven rijden. Verdachte heeft vervolgens op een snelweg slingerend gereden, niet gelet op de weg en het verkeer voor hem en zijn snelheid niet zodanig gereguleerd dat hij de door hem bestuurde auto tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kom overzien en waarover deze vrij was.

De vraag is vervolgens of deze feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Een automobilist heeft onder meer de bijzondere zorgplicht te letten op ander verkeer en de snelheid zodanig te reguleren dat daarmee aanrijdingen worden voorkomen. Verdachte heeft zich zelf in een situatie gebracht waarin hij die zorgplicht in het geheel niet meer kon naleven en daarmee aanmerkelijke risico’s in het leven geroepen die zich in casu ook hebben verwezenlijkt.

De slotsom luidt dan ook dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachtes handelen als zeer onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt en dat hij schuld aan het verkeersongeval heeft in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 2 tenlastegelegde

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde feit wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat verdachte – in het licht van de klap waarover verklaard wordt – had moeten vermoeden dat sprake was van letsel en/of schade. Het verweer van de verdediging - dat hij zich daar niet bewust van is geweest, danwel dat dat in zijn toestand redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd – gaat naar het oordeel van het hof niet op nu verdachte zich, gelet op hetgeen in verband met het onder 1 primair tenlastegelegde is overwogen, door eigen toedoen in die situatie heeft gebracht.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Feit 1

Primair

hij op 15 oktober 2011 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend gereden op de weg, de Rijksweg A1, terwijl hij onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde en heeft hij, verdachte, niet voortdurend de nodige voorzichtigheid en oplettendheid betracht en heeft hij, verdachte, niet gelet op de weg vóór hem en op mogelijke weggebruikers op die weg vóór hem en heeft hij, verdachte, zijn snelheid niet zodanig aangepast dat hij het door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en is hij, verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen de achterzijde van een vóór hem op die weg in dezelfde richting rijdend motorrijtuig gebotst, waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.



Feit 2


hij op 15 oktober 2011 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten als bestuurder van een motorrijtuig door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Rijksweg A1, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan (een) ander(en) letsel en/of schade was toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft, door zich op de weg te begeven terwijl hij niet tot behoorlijk rijden in staat was, een ongeval veroorzaakt waardoor twee anderen letsel hebben bekomen dat hen gedurende lange tijd heeft beperkt in het dagelijks leven. Daarnaast heeft verdachte de plaats van het ongeval verlaten. In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.

Anders dan de rechtbank ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en meer in het bijzonder de omstandigheid dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om zijn werk te kunnen blijven doen, reden om de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen deels voorwaardelijk op te leggen en het onvoorwaardelijk deel te berken tot de tijd dat het rijbewijs reeds ingehouden is geweest. De enige aantekening op verdachtes strafblad, zijnde een transactie terzake overtreding van artikel 7 WVW 1994, maakt dat gelet op het feit dat die transactie dateert van meer dan tien jaar geleden niet anders.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr M. Otte, voorzitter,

mr P.A.H. Lemaire en mr. K. Lindenberg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr R. Robroek, griffier,

en op 29 november 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. K. Lindenberg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.