Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:8

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-01-2022
Datum publicatie
04-01-2022
Zaaknummer
23-000601-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen diefstal met geweld, afpersing en mishandeling. Strafmaatoverweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000601-20

datum uitspraak: 4 januari 2022

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 februari 2020 in de strafzaak onder parketnummer 15-265076-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 5 november 2019 te Koog aan de Zaan, in de gemeente Zaanstad, op of aan de openbare weg, de Jonge Zwaanstraat, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A. met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (merk Apple, type IPhone 7) en/of een jas (merk Parajumper) (met daarin drie, althans een of meerdere sleutel(s) en/of een pasjeshouder met inhoud) en/of een muts (merk DC Shoes US), in elk geval enig goed geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

en/of

B. met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Apple, type IPhone 7) en/of een jas (merk Parajumper) met daarin drie, althans een of meerdere sleutel(s) en/of een pasjeshouder met inhoud) en/of een muts (merk DC Shoes US), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk ad A. en/of ad B. genoemd geweld en/of welke daar genoemde bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat: die [slachtoffer] is vastgepakt en op de grond is geduwd en/of meerdere keren (met kracht) op/tegen het gezicht is geslagen en/of gestompt en/of (daarbij) is toegevoegd: “geef je telefoon, doe je jas uit en geef mij al je spullen” en/of “houd je kankerbek” en/of “als je niet meewerkt, slaan we je dood”, althans woorden van soortgelijke aard of strekking;

2.
hij op of omstreeks 1 november 2019 te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] (meerdere malen) in het gezicht te stompen en/of te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen.

De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt omtrent de strafoplegging..

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van het hof, behalve ten aanzien van het aantal klappen dat zou zijn gegeven. Gelet op het beperkte letsel bij de aangever en het feit dat er geen letsel is ontstaan aan de handen van de verdachte, zou de aangever daarin niet moeten worden gevolgd, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij het onder 1 B. cumulatief/alternatief tenlastegelegde en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. Gelet op deze grotendeels bekennende verklaring van de verdachte en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep alsook op de stukken in het dossier, acht het hof beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zoals hierna weergegeven. Dat de verdachte ten aanzien van beide feiten zijn rol heeft gerelativeerd en ter zake van het onder 1 ten laste gelegde slechts één klap erkent te hebben gegeven, doet daar niet aan af. Het hof hecht in dit verband meer waarde aan de verklaring van de aangever, die wordt ondersteund doordat er op twee plaatsen in zijn gezicht letsel is geconstateerd, dan aan de verklaring van de verdachte, die daarmee pas in een zeer laat stadium is gekomen. Ten aanzien van de bewezenverklaring van de onder feit 1 A cumulatief/alternatief tenlastegelegde gedwongen afgifte van de telefoon heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de aangifte van [slachtoffer]. Het hof acht niet bewezen dat de verdachte en diens mededader [slachtoffer] hebben gedwongen tot afgifte van diens jas en muts zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 5 november 2019 te Koog aan de Zaan, in de gemeente Zaanstad, op de openbare weg, de Jonge Zwaanstraat, tezamen en in vereniging met een ander,

A. met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (merk Apple, type IPhone 7) toebehorende aan die [slachtoffer], en

B. met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jas (merk Parajumper) met daarin meerdere sleutels en een pasjeshouder met inhoud en een muts (merk DC Shoes US), toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk onder A. en onder B. genoemd geweld en welke daar genoemde bedreiging met geweld hierin bestonden dat:

die [slachtoffer] is vastgepakt en op de grond is geduwd en meerdere keren tegen het gezicht is geslagen en gestompt en daarbij is toegevoegd: “geef je telefoon, doe je jas uit en geef mij al je spullen” en “houd je kankerbek” en “als je niet meewerkt, slaan we je dood”, althans woorden van soortgelijke aard of strekking;

2.
hij op 1 november 2019 te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een ander, [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] meerdere malen in het gezicht te stompen en te slaan.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1A bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

en

het onder 1B bewezenverklaarde levert op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1A, 1B en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg voor het onder 1A, 1B en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1A, 1B en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 251 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 dagen hechtenis.

De raadsman heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, primair verzocht aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de periode die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en daarnaast een taakstraf op te leggen die lager is dan door de advocaat-generaal gevorderd. Daartoe heeft de raadsman verwezen naar straffen die in overeenkomstige strafzaken zijn opgelegd en het hof verzocht rekening te houden met de (positieve ontwikkelingen in de) persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan twee geweldsmisdrijven in vereniging, te weten een diefstal met geweld en afpersing, en een mishandeling. Dergelijke gebeurtenissen kunnen bijzonder traumatiserend zijn voor de slachtoffers. Daarnaast hebben dergelijke misdrijven niet alleen nadelige gevolgen voor de slachtoffers, maar dragen deze ook bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een grotendeels bekennende verklaring afgelegd en in dat opzicht zijn verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij, na een moeilijke periode, een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven. Hij heeft een fulltime baan, betaalt zijn schulden af door middel van bewindvoering, woont begeleid en hem is vanwege goed gedrag een verdienwoning via het Leger Des Heils in het vooruitzicht gesteld. Zijn verklaring is bevestigd door de ter terechtzitting als deskundige gehoorde woonbegeleidster van het Leger Des Heils, [naam]. Zij heeft verklaard dat de verdachte hard werkt aan zijn traject en dat hij goed contact heeft met de begeleiders, zijn collega’s en opdrachtgevers. Voorts heeft zij te kennen gegeven dat een agressie regulatietraining, zoals door de rechtbank is opgelegd, in haar optiek niet noodzakelijk is omdat zij geen agressief gedrag bij hem herkent. Als de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd zou krijgen, zou een aantal positieve ontwikkelingen weg kunnen vallen, zoals de verdienwoning.

Tevens heeft het hof acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende de verdachte van 8 december 2021 waaruit volgt dat de verdachte eerder wegens onder meer een straatroof is veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Het hof overweegt dat de ernst van de feiten, mede bezien in het licht van het strafblad van de verdachte, in beginsel zeker een gevangenisstraf als in eerste aanleg opgelegd zou rechtvaardigen. Toch zal het daartoe niet overgaan, gelet op hetgeen de begeleidster van het Leger Des Heils ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard over de sterk ten positieve gewijzigde persoonlijke omstandigheden in het leven van de verdachte. Het hof acht het in het belang van de verdachte én van de samenleving dat die positieve ontwikkelingen niet worden doorkruist door een straf die meebrengt dat de verdachte opnieuw naar de gevangenis moet. Het gevaar daarvan is immers dat de verdachte zijn woonruimte en zijn baan zou verliezen en (vervolgens) opnieuw een strafbaar feit zou begaan. Daarom zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De voorwaardelijke straf dient ertoe de verdachte te stimuleren om de positieve ontwikkelingen in zijn leven te continueren en gedurende de proeftijd geen strafbare feiten te plegen. Om de ernst van de feiten te benadrukken zal het hof daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf van aanzienlijke duur opleggen, maar van een kortere duur dan gevorderd door de advocaat-generaal opdat voornoemde positieve ontwikkelingen niet worden doorkruist.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf en taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 863,85. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 400,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft daarom in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd.

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering gematigd dient te worden.

Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek brengt, voor zover voor de beoordeling van belang, mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Bij de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel van dat letsel. Hierbij moet de rechter rekening houden met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Uit een medisch stuk en foto’s in het dossier blijkt dat de benadeelde partij letsel heeft overgehouden aan het onder 2 bewezenverklaarde. Hij heeft meerdere schaafwonden en bloeduitstortingen in zijn

gezicht en een buil aan zijn hoofd opgelopen. Een wond boven zijn rechter wenkbrauw moest na de mishandeling worden gehecht met vier hechtingen. Gelet op de onderbouwing van de vordering en gelet op bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend stelt het hof de door de benadeelde partij geleden immateriële schade overeenkomstig het oordeel van de rechtbank op de voet van artikel 6:106 BW naar billijkheid vast op een bedrag van € 400,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 63, 300, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 251 (tweehonderdeenenvijftig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 180 (honderdtachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 november 2019.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Abels, mr. C.N. Dalebout en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van mr. P.E. de Wildt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 januari 2022.

Mrs. C.N. Dalebout en F.M.D. Aardema zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.