Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:427

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2022
Datum publicatie
18-02-2022
Zaaknummer
23-000430-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging behalve ten aanzien van de opgelegde taakstraf. Overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000430-18

datum uitspraak: 16 februari 2022

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 februari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-871929-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

18 december 2019, 8 april 2020 en 2 februari 2022 alsmede, overeenkomstig het bepaalde

bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek

ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde taakstraf.

In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Extra overweging ten aanzien van de vordering benadeelde partij

Indien het toegewezen bedrag geheel of gedeeltelijk door [naam] (parketnummer 18-225047-15) en/of de verdachte en/of een (van de) medeverdachte(n) is betaald, zal de verdachte in zoverre zijn bevrijd.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden

veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte en zijn medeverdachten hebben op geraffineerde wijze een vrachtauto met daarop gemonteerd een kraan gestolen. Zij hebben de diefstal planmatig voorbereid en uitgevoerd, waarbij zij voor ogen hadden dat het grote en opvallende voertuig snel zou moeten worden gedemonteerd opdat zij de waarde van het van dat voertuig afkomstige oud ijzer zouden kunnen innen. De opbrengst voor verdachten – alles bij elkaar zouden zij voor de schroot € 5.500 ontvangen en voor de banden € 9.750 – staat in geen verhouding tot de dagwaarde van de vrachtauto met kraan, laat staan de vervangingswaarde, en de schade en overlast die zij voor de eigenaar van de vrachtauto met kraan hebben veroorzaakt. Niet alleen de directe schade maar ook de schade veroorzaakt doordat de werkzaamheden – waarvoor de kraan werd ingezet – doorliepen en op andere wijze moesten worden georganiseerd. De vrachtauto met kraan was in een prima staat van onderhoud en zou naar verwachting nog jaren kunnen worden ingezet voor de werkzaamheden van [BV] B.V. Het handelen van verdachte en zijn medeverdachten was kennelijk enkel gericht op geldelijk gewin zonder dat zij zich rekenschap hebben gegeven van de verstrekkende gevolgen voor de eigenaar van de vrachtauto met kraan.

Bij een dergelijk feit is een vrijheidsbenemende straf in beginsel passend en geboden. Gelet op de lange periode die is verstreken sinds het bewezenverklaarde feit en het feit dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 januari 2022 niet eerder is veroordeeld en zich sinds het onderzoek niet meer aan strafbare feiten schuldig heeft gemaakt, bestaat geen noodzaak voor het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

Alles afwegende is een taakstraf voor de duur van 200 uren passend en geboden.

In artikel 6, eerste lid Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere verdachte gewaarborgd binnen een redelijke termijn te worden berecht.

In deze procedure is de op redelijk te beoordelen termijn aangevangen op 17 november 2015, het moment van de inverzekeringstelling van de verdachte. Het vonnis waarvan beroep werd uitgesproken

op 6 februari 2018. Hieruit volgt dat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim tweeënhalve maand is overschreden. Op 6 februari 2018 is hoger beroep ingesteld. Het hof wijst op 16 februari 2022 arrest. Daarmee is de redelijke termijn bij de behandeling in hoger beroep met ruim twee jaren overschreden. De procedure als geheel heeft zes jaren en drie maanden geduurd. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie, is deze periode overschreden met bijna twee jaren en drie maanden. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de duur van de taakstraf matigen tot 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de duur van de opgelegde taakstraf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. S. Clement en mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid

van mr. B. van Vliet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

16 februari 2022.

Mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]