Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:37

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-01-2022
Datum publicatie
10-01-2022
Zaaknummer
000168-21(529 Sv) en 000167-21 (530 Sv)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

rekestenprocedure, verzoek 529/530 Sv, het aantal in rekening gebrachte uren door de advocaten zijn als bovenmatig aan te merken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling strafrecht

rekestnummer(s): 000168-21(529 Sv) en 000167-21 (530 Sv)

parketnummer in hoger beroep: 23-001662-17

Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikelen 529 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoekster],

domicilie kiezende ten kantore van haar advocaten, mrs. C.J. Roosen en J.F. Rense,

Weena 800, 3014 Rotterdam.

1 Procesverloop

Het verzoekschrift is op 23 februari 2021 ingekomen.

Op 29 april 2021 heeft de advocaat-generaal als standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt dat de toe te kennen vergoeding substantieel moet worden gematigd. Daarop hebben de advocaten van verzoekster bij brief van 21 juni 2021 inhoudelijk gereageerd.

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 6 juli 2021 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoekster ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord en de behandeling gesloten. Verzoekster is toen niet verschenen. Tijdens de beraadslagingen heeft het hof echter bevonden dat de behandeling van 6 juli 2021 niet volledig is geweest en bij tussenbeschikking van 27 juli 2021 is het onderzoek heropend.

Op 5 oktober 2021 heeft het hof desgevraagd aan de advocaat van verzoekster – voorafgaand aan de hervatting van het onderzoek in raadkamer – een e-mail gestuurd waarin wordt aangegeven op grond van welke criteria het hof nadere vragen heeft omtrent de verzochte vergoeding. In die e-mail heeft het hof één voorbeeld gegeven van een geval uit de overgelegde declaraties dat bij het hof vragen heeft doen rijzen. De advocaat van verzoekster heeft op 5 oktober 2021 gereageerd op voornoemde e-mail van het hof en heeft aangegeven bereid te zijn tijdens de nadere openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer, inmiddels bepaald op 25 november 2021, nadere toelichting te geven.

Op 25 november 2021 is de openbare behandeling van het verzoek in raadkamer hervat en heeft het hof de advocaat-generaal en de advocaat van verzoekster gehoord. Verzoekster is niet verschenen.

2. Inhoud van het verzoek

Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:

a. kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer in twee feitelijke instanties ten bedrage van € 320.175,13;

a.1. in het bedrag sub a. is begrepen een bedrag van € 6.500,00 voor kosten van een door verzoekster

ingeschakelde deskundige, die zijn declaratie voor dat bedrag aan de advocaat van verzoekster in rekening heeft gebracht. De advocaat heeft dit bedrag, als verschot opgenomen in haar declaratie van 14 maart 2019, doorbelast aan verzoekster. Daarnaast wordt vergoeding van een aparte declaratie van deze deskundige ad € 1.535,00 verzocht; subsidiair vraagt verzoekster vergoeding van deze twee posten op de voet van artikel 529 Sv;

kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 230,00 of € 455,00.

3 Beoordeling van het verzoek

Bij op 1 december 2020 onherroepelijk geworden arrest van dit hof van 10 juli 2020 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.

Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Het hof acht gronden van billijkheid aanwezig tot toekenning van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand. Voor het vaststellen van de hoogte van het te vergoeden bedrag is het hof niet gebonden aan de door de advocaat opgestelde declaraties, ook niet indien deze zijn voorzien van een, al dan niet gedetailleerde, urenspecificatie. Een dergelijke declaratie is wel een vertrekpunt maar de rechter heeft de ruimte daarvan af te wijken indien en voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn (vgl. ECLI:NL:GHARN:2012:BY0240). Die gronden van billijkheid kunnen bijvoorbeeld zijn gelegen in bovenmatigheid van de declaraties wat betreft het in rekening gebrachte aantal uren of de gehanteerde uurtarieven. Het moet in dat geval wel gaan om bovenmatigheid die in meer of mindere mate in het oog springt. Is daarvan geen sprake, dan dient de rechter de omvang van de in rekening gebrachte kosten marginaal te toetsen (vlg. (ECLI:NL:GHLEE:2010:BL8539; ECLI:NL:GHARL:2021:2241; ECLI: NL: GHAMS:2016:4145).

De gehanteerde uurtarieven acht het hof niet bovenmatig. Verzoekster heeft zich begrijpelijkerwijze in eerste en tweede aanleg van gespecialiseerde, financieel-economisch strafrechtelijke en kwalitatief hoogstaande rechtshulp voorzien omdat het openbaar ministerie tegen haar strafvervolging had ingesteld ter zake van een van verzoeksters kernactiviteiten als commerciële onderneming.

Dat van alle in rekening gebrachte uren en bedragen vergoeding wordt gevraagd acht het hof wel bovenmatig, met het oog op de aard en omvang van de strafzaak, de loop van de procedure, de in rekening gebrachte werkzaamheden en kosten en de overgelegde declaraties. Het hof wijst erop dat verzoekster en haar adviseurs zijn gehouden, al was het maar om billijkheidsredenen, de efficiency van de verdediging in de gaten te houden en de schade waarvan vergoeding wordt gevraagd, te beperken.

Aard en omvang van de strafzaak; loop van de procedure

Verzoekster is een in Luxemburg gevestigde internationale luchtvrachtmakelaar, onder andere actief in Nederland. Zij werd er, kort weergegeven, van verdacht al dan niet opzettelijk goederen te hebben vervoerd /doorgevoerd (van de Verenigde Staten via Schiphol, met bestemming Saoedi-Arabië) in strijd met de (Nederlandse) sanctiewetgeving (artikel 5 lid 1 van het Besluit strategische goederen). Het dossier op grond waarvan deze verdenking was gebaseerd bedroeg 147 pagina’s. In eerste aanleg heeft de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland verzoekster bij vonnis van 24 april 2017 veroordeeld tot een geldboete van € 50.000,00 voor het tenlastegelegde.

Op 8 mei 2017 is namens verzoekster hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis. Tot en met dat hoger beroep werd verzoekster bijgestaan door advocaten van Sjöcrona Van Stigt te Rotterdam.

Op 22 mei 2017 is namens verzoekster een korte appelschriftuur met (voorlopig) twee getuigenverzoeken ingediend door de voorganger van mr. Rense, van NautaDutilh. Vanaf dat moment stond dat kantoor verzoekster bij.

Op 10 oktober 2018 hield dit hof in het hoger beroep een korte regiezitting, waarbij mr. Rense namens verzoekster is verschenen. Zij heeft toen een van de twee getuigenverzoeken ingetrokken en aangekondigd dat de verdediging nog een deskundigenbericht zal inbrengen (daarop zien de hiervoor onder a1. beschreven kosten). Het hof heeft de zaak aangehouden voor het verhoor van één getuige door de raadsheer-commissaris. De getuige is gehoord op 18 februari 2019. Daarbij waren namens verzoekster aanwezig mr. Rense en haar kantoorgenoot mr. Roosen.

Een op 20 maart 2020 geplande inhoudelijke zitting van dit hof is niet doorgegaan in verband met de COVID-19 uitbraak. Op 26 juni 2020 was de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. Blijkens het dossier heeft mr. Rense toen gepleit aan de hand van 35 pagina’s pleitnotities. Bij die zitting was meegebracht en aanwezig de door de verdediging geraadpleegde deskundige, maar deze heeft niet het woord gevoerd.

Op 10 juli 2020 heeft dit hof de veroordeling door de Rechtbank Noord-Holland vernietigd en verzoekster vrijgesproken, kort gezegd omdat zij niet de normadressaat is van de betreffende strafbepaling.

Door de advocaat-generaal is cassatieberoep ingesteld tegen deze vrijspraak, maar dat is op 1 december 2020 ingetrokken zodat de vrijspraak onherroepelijk werd.

Werkzaamheden en kosten rechtsbijstand; declaraties

De overgelegde declaraties, zowel van het ene als van het andere advocatenkantoor, zijn voorzien van specificaties. De individuele tijdregels zijn telkens echter alleen algemeen omschreven; een precisering ontbreekt. In het verzoekschrift staat dat die details niet verstrekt worden om vertrouwelijkheidsredenen. Het hof stelt vast dat deze keuze de beoordeling van de billijkheid van de gevraagde vergoedingen bemoeilijkt, terwijl in soortgelijke rekestzaken die details wel plegen te worden vermeld.

Verder is zowel in eerste als in tweede aanleg rechtshulp verleend door meerdere advocaten van het zelfde kantoor, meestal een partner en een of meer medewerkers. Het hof is bekend met de praktijk dat de partner eerste aanspreekpunt voor de cliënt en dossierverantwoordelijk is, daarin zelf werkzaamheden verricht en, indien en voor zover mogelijk, werkzaamheden uitbesteedt aan advocaat-medewerkers,

-stagiaires of juridisch medewerkers. In beginsel brengt de billijkheidstoets met zich dat, indien dezelfde werkzaamheden verricht zijn door twee of meer advocaten, slechts de kosten van een van hen worden vergoed en wel die van de advocaat die de betreffende werkzaamheden (voornamelijk) heeft uitgevoerd.

Namens verzoekster is op dit punt naar voren gebracht dat de aanwezigheid van alle betrokken advocaten bij besprekingen of zittingen, de communicatie en overdracht van informatie en zodoende de kwaliteit van de rechtsbijstand optimaliseert. Dat doet aan het voorgaande niet af. Het staat elke verdachte rechtspersoon vrij de advocaat of advocaten van haar keuze in te schakelen, maar dat betekent niet dat vergoeding van alle kosten billijk is. In dat verband: in de declaraties van Sjöcrona zijn bepaalde gelijke werkzaamheden door 2 of meer advocaten, slechts voor een van hen in rekening gebracht. In de declaraties van NautaDutilh wordt een dergelijke begrenzing niet doorgevoerd.

Verzoekster heeft verder doen aanvoeren dat een groot deel van de in rekening gebrachte uren is besteed aan een uitgebreide analyse van de feitelijke gang van zaken rond het internationale vrachtvervoer in kwestie. Daarbij is gewezen op het bijzonder summiere (16 pagina’s, exclusief bijlagen) en veelal op aannames gebaseerde proces-verbaal van de betrokken opsporingsdienst. Het hof stelt op basis van het dossier en de pleitnotitie van mr. Janse (zitting 10 april 2017) in eerste aanleg vast dat die uitgebreide analyse van het luchtvervoer in de betreffende luchtvaarketen in eerste aanleg al goeddeels was afgerond. Daarbij komt dat voor deze reconstructie niet zozeer de inbreng van advocaten nodig is als wel die van verzoekster zelf. Zij is immers van de feitelijke gang van zaken – de benodigde, voorgeschreven en al dan niet voor haar beschikbare documenten incluis – en van haar rol en die van de andere betrokken (rechts)personen bij het betreffende vervoer, het best op de hoogte.

In sommige declaraties van NautaDutilh zijn vertaalkosten opgenomen en doorbelast aan verzoekster.

Niet duidelijk is waaraan deze kosten zijn besteed. De opinies van de door verzoekster ingeschakelde deskundige zijn weliswaar in het Engels en het Nederlands ingebracht, maar naar het zich laat aanzien heeft de deskundige die vertalingen zelf vervaardigd (en de kosten ervan in rekening gebracht).

De feitelijke rechtsbijstand in de strafzaak in tweede aanleg is beperkt gebleven. In de drie jaar en zeven maanden van mei 2017 (eerste bemoeienis NautaDutilh) tot en met december 2020 (intrekken cassatieberoep OM) die het hoger beroep heeft beslagen zijn er vijf betrekkelijk korte perioden aan te wijzen waarin strafrechtelijke bijstand nodig was:

-opstellen en indienen appelschriftuur (van 19 tot en met 22 mei 2017);

-de regiezitting in hoger beroep van 10 oktober 2018, inclusief voorbereiding;

-het getuigenverhoor van 18 februari 2019, inclusief voorbereiding;

-de voorbereiding van de zitting van 20 maart 2020, die niet doorging;

-de inhoudelijke zitting op 26 juni 2020, inclusief voorbereiding, (deels) identiek aan 20 maart 2020.

Daarnaast zal nog tijd zijn besteed aan communicatie met de deskundige van wie opinies zijn ingebracht.

Voorts is door de verdediging tussen juli en december 2020 moeite gedaan om het openbaar ministerie over te halen het cassatieberoep in te trekken. Dat hing echter samen met een andere, soortgelijke strafzaak tegen verzoekster waarvan de afloop (sepot) mede afhing van de uitkomst van de onderhavige strafzaak. Nu namens verzoekster is gemeld dat voor die andere, geseponeerde strafzaak eveneens een verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand is ingediend, komen de kosten van rechtsbijstand verleend tussen 1 augustus 2020 en 1 januari 2021 in het bestek van de onderhavige kwestie niet voor vergoeding in aanmerking.

Voor 713 uren rechtsbijstand in hoger beroep wordt vergoeding gevraagd. In eerste aanleg zijn 124 uren aan rechtsbijstand aan de orde, maar die zijn niet alle aan verzoekster in rekening gebracht. Toch zijn ook in die instantie soms dubbele kosten in rekening gebracht.

Conclusie

Ad 1.

Al het bovenstaande in aanmerking genomen acht het hof gronden van billijkheid aanwezig tot vergoeding van 85 percent van het verzochte voor zover het de kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg betreft. Dit is € 25.884,00.

Van de in hoger beroep opgevoerde kosten acht het hof vergoeding van 65 percent daarvan billijk; op die kosten breng het hof eerst nog in mindering de € 6.500,00 aan honorarium voor de door verzoekster ingeschakelde deskundige, die in de declaratie van 14 maart 2019 (bijlage 24 bij het verzoek) is verwerkt. Zo resteert € 184.095,00.

Ad 1a

Vergoeding van genoemde € 6.500,00 wordt toegewezen op de voet van artikel 529 Sv, omdat de aanwending van die kosten het belang van het onderzoek heeft gediend. Dat geldt echter niet voor de declaratie van dezelfde deskundige ad € 1.535,00; deze kosten zien kennelijk op het bijwonen door de deskundige van de terechtzitting in hoger beroep op 26 juni 2020, waar hij niet aan het woord is geweest.

Het verzoek tot vergoeding van dat bedrag wordt afgewezen;

Ad 2

Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor vergoeding van de kosten van het opstellen, indienen en toelichten van het verzoek tot een bedrag van € 455,00.

4. Beslissing

Het hof :

-Kent op de voet van artikel 529 Sv aan verzoeker een vergoeding toe van € 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro en 00 cent).

-Kent op de voet van artikel 530 Sv aan verzoeker een vergoeding toe van € 210.434,00 (tweehonderdtienduizend vierhonderdvierendertig euro en 00 cent).

Wijst het meer of anders verzochte af.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, A.M. Kengen en R.A.E. van Noort, in tegenwoordigheid van

mr. M.E. de Waard als griffier, is bij ontstentenis van de griffier alleen ondertekend door de voorzitter en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 6 januari 2022.

De voorzitter beveelt:

de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van 216.934,00 (tweehonderdzestienduizend negenhonderdvierendertig euro en 00 cent op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [verzoekster].,

o.v.v. [ovv].

Amsterdam, 6 januari 2022,

mr. R.D. van Heffen, voorzitter.