Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:34

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-01-2022
Datum publicatie
10-01-2022
Zaaknummer
23-000664-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugwijzing Hoge Raad na vernietiging tav strafoplegging. Oplegging taakstraf en schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000664-21

datum uitspraak: 4 januari 2022

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 16 maart 2021 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 28 februari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-250352-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1984,

adres: [adres].

Procesgang

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het bewezenverklaarde (gekwalificeerd als poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak) veroordeeld tot een taakstraf van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 85,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 20 januari 2020 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte voor het bewezenverklaarde (eveneens gekwalificeerd als poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van €85,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opgelegd.

De verdachte heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 16 maart 2021 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de zaak teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Omvang van de terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:232 (r.o. 2.6.1 - 2.6.3), zijn onder vernietiging ‘wat betreft de strafoplegging’ alle beslissingen als bedoeld in artikel 351 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) begrepen, waaronder de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Het hof zal in die zin de zaak opnieuw berechten en afdoen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, Sv naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2021.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het bewezenverklaarde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

De raadsvrouw heeft bepleit dat in het voordeel van de verdachte wordt afgeweken van het van toepassing zijnde LOVS-oriëntatiepunt, in zoverre dat aan de verdachte een taakstraf wordt opgelegd van kortere duur, dan wel dat een gedeelte van de taakstraf voorwaardelijk wordt opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt een poging tot diefstal in vereniging van spullen uit een auto. Daarbij is een ruit van de auto ingeslagen en is het voertuig doorzocht. De verdachte heeft hierdoor getoond geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen en heeft met het oog op eigen financieel gewin schade en overlast veroorzaakt.

Het hof heeft acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor diefstal uit een auto als uitgangspunt een taakstraf van 90 uren genoemd.

In strafmatigende zin houdt het hof rekening met de ouderdom van het feit, dat dateert van iets meer dan 3 jaar geleden. Daarnaast is het bewezenverklaarde een poging tot diefstal.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, passend en geboden.

Schadevergoedingsmaatregel

Bij het inmiddels onherroepelijk geworden gedeelte van het arrest van dit hof van 20 januari 2020 is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 85,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag. Om te bevorderen dat de door de benadeelde partij geleden schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 85,00 (vijfentachtig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast op 1 (één) dag, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 december 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. V.M.A. Sinnige, mr. R.D. van Heffen en mr. H. Sytema,

in tegenwoordigheid van mr. L. Muyselaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 januari 2022.

Mr. V.M.A. Sinnige, mr. H. Sytema en mr. L. Muyselaar zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.========================================================================

[…]