Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:316

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-02-2022
Datum publicatie
11-02-2022
Zaaknummer
200.301.560/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; Beroep uitspraak van Commissie van Vertrouwenslieden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2022-0058
GJ 2022/51 met annotatie van Jong, M. de
ARO 2022/75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.301.560/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 3 februari 2022

inzake

DE CLIËNTENRAAD VAN DE STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,

gevestigd te Roermond,

VERZOEKER,

advocaten: mrs. M. Hengeveld en T. van Malssen, beiden kantoorhoudende te Nijmegen,

t e g e n

de stichting

STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,

gevestigd te Roermond,

VERWEERSTER,

advocaat: mrs. L.A. van Driel en J.M.A. Wintgens-van Luijn, kantoorhoudende te Maastricht respectievelijk Venlo.

Verzoeker en verweerster worden hierna respectievelijk aangeduid als de cliëntenraad en BJL.

1. Het verloop van het geding

1.1 De cliëntenraad is bij verzoekschrift van 22 oktober 2021 in beroep gekomen tegen de uitspraak van de Commissie van vertrouwenslieden van BJL (verder: de Cvv) van 2 september 2021, gewezen tussen BJL als verzoekster en de cliëntenraad als verweerder. De cliëntenraad heeft de Ondernemingskamer primair verzocht de uitspraak van de Cvv nietig te verklaren en subsidiair die uitspraak te vernietigen en BJL te veroordelen in de werkelijke kosten van het geding.

1.2 BJL heeft bij verweerschrift van 11 november 2021 de Ondernemingskamer verzocht de beslissing van de Cvv in stand te laten en het beroep van de cliëntenraad af te wijzen.

1.3 Het verzoek is behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 2 december 2021. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde – aantekeningen en onder overlegging van nadere producties die van tevoren aan de Ondernemingskamer en de wederpartij waren gezonden. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt. De advocaten van de cliëntenraad hebben hun verzoek met betrekking tot de proceskosten ter zitting ingetrokken.

2 Inleiding en feiten

2.1

BJL is een instelling die hulp en ondersteuning biedt aan kinderen en hun ouders in gevallen waarin een kinderbeschermingsmaatregel is uitgesproken of jeugdreclassering is opgelegd. De communicatie tussen BJL en de cliëntenraad verloopt al geruime tijd uiterst moeizaam. In een eerdere zitting, eind april 2021, hebben BJL en de cliëntenraad de Ondernemingskamer gezamenlijk verzocht een voorzitter aan te wijzen voor een commissie van vertrouwenslieden die moest oordelen over het verzoek van BJL om toestemming tot ontbinding van de cliëntenraad. De Ondernemingskamer heeft in dat kader mr. E. Knipschild als onafhankelijke voorzitter aangedragen (hierna: Knipschild). Partijen zijn toen verder overeengekomen dat die commissie, naast de voorzitter, zou bestaan uit een door BJL aan te wijzen lid en een door de cliëntenraad aan te wijzen lid. Beide partijen hebben een lid aangewezen. Na een schriftelijke uitwisseling van standpunten heeft de op die manier samengestelde Cvv het verzoek om toestemming tot ontbinding van de cliëntenraad (conform artikel 13 lid 5 Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 (Wmcz 2018)) op 22 juli 2021 op zitting behandeld. Bij uitspraak van 2 september 2021 is dat verzoek toegewezen. De cliëntenraad voert in hoger beroep daartegen aan dat de uitspraak ten onrechte door slechts twee van de drie leden van de Cvv is gewezen en daarom nietig is. Verder is hij het ook inhoudelijk niet eens met die uitspraak.

2.2

Enig bestuurder van BJL is [A] (hierna: [A] ).

2.3

De cliëntenraad bestond uit drie leden: [B] (voorzitter), [C] en [D] . De verhouding tussen BJL en de cliëntenraad was conflictueus. De Ondernemingskamer heeft een en ander onder r.o. 2.3 tot en met 2.13 van haar op 6 mei 2021 op schrift gestelde uitspraak d.d. 29 april 2021 verwoord (ECLI:NL:GHAMS:2021:1443).

2.4

In de uitspraak van 2 september 2021 heeft de Cvv (in dit citaat “de commissie”; met CR wordt de cliëntenraad en met de Stichting wordt BJL bedoeld) het verzoek van BJL om toestemming tot ontbinding van de cliëntenraad toegewezen en daarbij – na een uitgebreide opsomming van feiten en een ruim citaat uit de wetsgeschiedenis – onder meer het volgende overwogen:

Hoewel, als vermeld in de memorie van toelichting, ruim baan moet zijn voor tegenkrachten vanuit de CR, is de commissie van oordeel dat de CR te ver is gegaan in het uiten van zijn wantrouwen. Niet één keer, maar diverse malen en gericht jegens diverse externen in het veld van jeugdzorg uit hij opmerkingen die hij niet feitelijk onderbouwt, ook in de procedure bij de commissie niet, maar die wel als feiten worden gebracht. Kritisch zijn is toegestaan en in bepaalde gevallen mogelijk zelfs gewenst, en een (lid van de) (cliënten)raad mag in het heetst van de strijd soms ver gaan (zie ook HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:5320), maar dit alles wel binnen het redelijke. De commissie rekent de CR zwaar aan dat hij door zijn handelwijze de Stichting had kunnen beschadigen en potentieel ook heeft beschadigd, bijvoorbeeld door te stellen dat de Stichting geen bestaansrecht heeft en dat haar certificering zou moeten worden ingetrokken en door de bestuurder te beschuldigen van onder meer machtsmisbruik, feiten die de CR niet heeft onderbouwd. De voorzitter van de CR heeft hierin het voortouw genomen; ter zitting is echter niet gebleken dat de twee andere leden zich hiervan distantiëren zodat de commissie dit de CR als geheel aanrekent. Dit handelen is in strijd met de opdracht van de CR om de belangen van alle cliënten van de Stichting te behartigen. Tevens heeft de CR daarmee het conflict tussen de Stichting en de CR op de spits gedreven. De commissie acht derhalve dit verwijt van de Stichting aan de CR terecht. De commissie oordeelt dat (de voorzitter van) de CR te ver is gegaan. De CR roept met zijn handelwijze feitelijk anderen op zich tegen de Stichting te keren. Dat is (ook) nadelig voor de cliënten van de Stichting. Het ter zitting door de advocaat van de CR gedane voorstel om de voorzitter van de CR te laten coachen, komt te laat en de voorzitter heeft zelf geen reflectie op zijn handelen getoond. De vraag is of het voorgaande meebrengt dat de CR structureel tekortschiet in de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten wier belangen hij dient te behartigen. De commissie is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Uit het voorgaande volgt dat de Stichting en de CR al lange tijd niet of nauwelijks samenwerken en in voortdurende strijd verkeren, dusdanig dat de verhoudingen duurzaam en ernstig zijn verstoord. Beide partijen dragen verantwoordelijkheid voor de ontstane situatie, zoals hierboven uiteen gezet. Van beide partijen had mogen worden verwacht dat indien er discussie ontstond die niet oplosbaar leek, zij de dialoog waren aangegaan of bemiddeling hadden gezocht om deze discussie te beslechten en duidelijkheid te creëren. Door het conflict te laten voortduren, hebben zij beide bijgedragen aan het voortduren en het escaleren daarvan en daarmee beide een situatie in stand gelaten waarmee de gemeenschappelijke belangen van de cliënten niet gediend werden. Met name kan dit de Stichting, als professionele partij, worden aangerekend, maar ook de CR heeft voortdurend strijd gevoerd tegen de organisatie. Hoewel de commissie van oordeel is dat de Stichting hier een verwijt kan worden gemaakt, brengt de ernstig en duurzaam verstoorde relatie mee dat het voor de CR onmogelijk is om constructief de belangen van cliënten te behartigen omdat de CR op ongepaste wijze actie heeft genomen over hetgeen hij bij de Stichting ter discussie wilde stellen. Zijn structureel beschadigende communicatie naar een veelheid van partijen is naar het oordeel van de commissie in belangrijke mate gericht op escalatie en kan in redelijkheid niet worden aangemerkt als proportioneel handelen of als tegenkrachten die acceptabel zijn. De samenwerking is, mede vanwege de daardoor reeds langdurig verstoorde verhoudingen, dusdanig deplorabel dat van behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten geen sprake meer is. Dit brengt mee dat de CR structureel tekortschiet in de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten wier belangen hij dient te behartigen. (…)

De commissie constateert dat de impasse reeds lang duurt en beide partijen reeds veel energie heeft gekost. De kans dat de impasse kan worden overwonnen doordat de Stichting een andere optie dan ontbinding aanwendt, acht de commissie zeer klein. De eerdere poging tot bemiddeling heeft niet geleid tot het doorbreken van de impasse. Nadien is de zaak verder geëscaleerd door het feit dat de Stichting nog steeds niet zorgde voor structuur en duidelijkheid en de CR naar buiten trad met onder meer de eerder genoemde ‘brand- en stakingsbrief’. De commissie ziet niet in hoe deze CR en deze bestuurder nog met elkaar kunnen samenwerken. De commissie is zodoende van mening dat ontbinding van de huidige CR op dit moment de enige mogelijkheid is om de reeds lang bestaande impasse te doorbreken. Alleen ontbinding brengt mee dat de cliëntmedezeggenschap bij de Stichting een frisse start maakt, die nodig is om de gemeenschappelijke belangen van de cliënten te behartigen. Dat vergt direct handelen van de Stichting, die de broodnodige structuur en duidelijkheid moet bieden voor haar cliëntmedezeggenschap. De commissie benadrukt dat dit een uitzonderlijke situatie betreft. Beide partijen zijn op verschillende punten tekort geschoten. Beide partijen hebben in de afgelopen twee jaar zeer veel tijd, energie en geld gestopt in pogingen om tot werkbare verhoudingen te komen. (…) De strijd van de afgelopen jaren kent uitsluitend verliezers. Gegeven de feiten en omstandigheden van de situatie tussen de Stichting en de CR acht de commissie ontbinding echter de enige oplossing om gemeenschappelijke belangen van de cliënten weer op orde te krijgen. (…)

Gegeven al het voorgaande is de commissie van oordeel dat de CR structureel tekortschiet in de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten wier belangen hij dient te behartigen. Daarbij is er redelijkerwijs geen andere oplossing dan ontbinding van de CR zodat de commissie de Stichting toestemming geeft de CR te ontbinden.”

2.5

Op 3 september 2021 heeft BJL de cliëntenraad met onmiddellijke ingang ontbonden.

2.6

Mr. K. Slump , het door de cliëntenraad aangewezen lid van de Cvv (hierna: Slump ), heeft de advocaten van BJL en van de cliëntenraad, met Knipschild in cc, op 3 september 2021 een e-mail gestuurd die het volgende inhoudt:

Op donderdag 2 september jl. om 9.54 uur heb ik bij de voorzitter van de Commissie van Vertrouwenslieden mijn lidmaatschap van de commissie opgezegd. De reden daarvoor is bekend bij de commissie. Het tijdstip van de opzegging van mijn lidmaatschap van de commissie is gelegen voor het moment, donderdag 2 september jl. eind van de dag, waarop door de commissie is besloten op het verzoek van Bureau Jeugdzorg Limburg om vervangende toestemming voor de ontbinding van de Cliëntenraad. Dat betekent dat het besluit op dit verzoek is genomen door een onvolledige commissie en dat in de uitspraak ten onrechte mijn naam als lid van de commissie staat vermeld.”

2.7

Op 6 september 2021 heeft Knipschild de advocaten van BJL en van de cliëntenraad het volgende gemaild:

In reactie op de mail van mevrouw Slump berichten wij u dat het oordeel rechtsgeldig tot stand is gekomen. Een commissielid kan zijn opdracht niet teruggeven om de reden die mevrouw Slump in de commissie genoemd heeft en een opdracht teruggeven zou overigens ook niet moeten plaatsvinden bij de voorzitter van de commissie. Dit is overigens ook feitelijk niet gebeurd.”

2.8

Slump heeft op 8 september 2021 vervolgens de advocaten van de cliëntenraad, in antwoord op niet in het onderhavige geding gebrachte vragen, onder meer het volgende gemaild:

Mijn besluit dat ik geen deel meer kon en wilde uitmaken van de CvV was een gevolg van mijn constatering dat, ten gevolge van verschillende omstandigheden, niet werd voldaan aan een zorgvuldige procedure. (…) Op donderdag 2 september jl. ontving ik het derde concept. De voorzitter deelde mij mede dat niet al mijn tekstvoorstellen aan het concept waren toegevoegd 'op grond van gemaakte afspraken'. Er waren echter geen 'afspraken' over welke feiten wel of niet in het concept thuishoorden en de door mij voorgestelde aanvulling waren feiten die bekend waren bij de commissie, zij waren al langer onderdeel van het onderzoek, en opname was noodzakelijk voor een objectief en volledig beeld. In geval tegen het oordeel van de commissie beroep zou worden aangetekend was het van belang dat de door de commissie geconstateerde feiten zo volledig mogelijk in de uitspraak zouden worden weergegeven. (…) In de complexe zaak als de voorliggende, vraagt de waarheidsvinding naar de feitelijke gang van zaken wat betreft de wijze waarop aan de medezeggenschap binnen BJL is vormgegeven veel onderzoek. (…) Om goed inzicht te krijgen in die feitelijke gang van zaken was het onvoldoende om enkel het verzoekschrift en het verweerschrift te lezen. Een volledig beeld is alleen te verkrijgen door ook de producties te bestuderen. Dat heb gedaan [sic]. Dat onderzoek heeft geleid tot feiten die bekend zijn bij de leden van de commissie en die een rol hebben gespeeld bij de afwegingen om tot een eindoordeel te komen. Deze feiten maakten deel uit van het onderzoek en dienden dan ook te worden vastgelegd in de uitspraak. Dit ook omdat de kans niet denkbeeldig was dat ons oordeel nog zou worden voorgelegd aan de Ondernemingskamer. (…) Een niet volledig feitenoverzicht zou tot gevolg kunnen hebben dat deze ons bekende feiten vervolgens buiten beschouwing zouden blijven. Het ontbreken van een secretaris betekent niet dat de voorzitter als schrijver de inhoud van de uitspraak bepaalt. Het was duidelijk dat ik niet in de positie was om de voorzitter op andere gedachten te brengen. Ik zag geen andere mogelijkheid dat [sic] als lid terug te treden. Ik heb de voorzitter gevraagd mij te informeren over de noodzakelijke vervolgstappen. Op dat moment heb ik zelf geen vervolg actie genomen omdat ik mijn medecommissieleden de tijd wilde gunnen voor een heroverweging.

Ad III

Aan het begin van de middag kwam de reactie van mijn medecommissieleden met de mededeling dat ik mij naar hun mening niet kon terugtrekken. (...) Ook werd een voorstel gedaan voor een soort 'disclaimer' door in de uitspraak op te nemen dat er verschil van inzicht bestond tussen (…) Slump en de overige commissieleden t.a.v. de feiten of zoiets. Dit laatste voorstel wilde ik niet eens in overweging nemen gezien het eerdere besluit van mijn medecommissieleden dat vermelding in de uitspraak of er wel of niet consensus was over het eindoordeel, volgens mijn medecommissieleden niet mogelijk was. (…) Ik heb mij met die gevolgen van mijn besluit op dat moment niet bezig gehouden omdat ik met 39 graden koorts goed ziek was, dit was bij de commissie bekend. (…)

2.9

Een dag later heeft Slump de advocaten van de cliëntenraad nog het volgende gemaild, wederom in antwoord op vragen die niet in dit geding zijn gebracht:

Uit de mail waarin het eindconcept aan ons leden werd toegestuurd voor de bestudering:

Feiten: [ Slump ], ik heb niet al jouw feiten overgenomen maar alleen die we hadden afgesproken.

Mijn reactie:

Met een selectie van de feiten door de voorzitter kan ik niet akkoord gaan. De enige optie die er volgens ons (verwijzing naar mijn adviseur) rest is dat ik mijn opdracht teruggeef. lk hoor graag op welke wijze ik dat en bij wie ik dat kan doen. lk zal daarbij ook het bovenstaande als reden noemen.

Na het versturen van de mail hoopte ik nog dat de voorzitter haar besluit zou heroverwegen. Ik wilde daarvoor ook de ruimte bieden.

Reactie voorzitter:

Wij zijn van mening dat het teruggeven van je opdracht niet kan.

Reactie van mij:

Om een zorgvuldige procedure mogelijk te maken bij de Ondernemingskamer is essentieel dat er in de uitspraak een volledig overzicht wordt gegeven van de relevante feiten en omstandigheden. Niet alleen van die feiten die het oordeel van de commissie ondersteunen, maar van alle feiten die raken aan de medezeggenschap zoals die door partijen binnen BJL wordt vormgegeven. Immers alleen dan kan worden beoordeeld aan welke feiten de commissie meer gewicht heeft toegekend. Die afweging van de feiten, het besluit om aan het ene feit meer gewicht toe te kennen dan aan het andere feit, noemen wij immers motiveren. (…) Ik geef mijn opdracht terug. (…) Ik zal anders zelf de advocaten van de Cliëntenraad morgen laten weten dat ik mijn opdracht teruggeef. (…)

Bericht voorzitter donderdag 2 september 20.43:

Ik heb niets meer van [ Slump ] gehoord. Hierbij stel ik dan vast dat (……besluit) [sic]. Deze versie zal ik zo definitief maken, ondertekenen en verzenden aan de advocaten. (…)

2.10

De kosten van rechtsbijstand van de advocaten van BJL en de cliëntenraad in het kader van dit conflict bedragen gezamenlijk inmiddels ruim € 300.000.

3 De gronden van de beslissing

3.1

De cliëntenraad heeft – samengevat – het volgende bezwaar tegen de beslissing van de Cvv naar voren gebracht. Slump heeft zich in de ochtend voorafgaand aan de uitspraak teruggetrokken als lid van de Cvv. De bestreden beslissing is daarom door slechts twee van de drie commissieleden genomen en daarmee is niet voldaan aan het wettelijk vereiste van artikel 14 lid 1 Wmcz 2018. Het oordeel is daarom nietig.

Subsidiair voert de cliëntenraad het volgende aan:

a. BJL heeft de cliëntenraad ten onrechte niet in staat gesteld om contact met zijn achterban te hebben;

b. er is geen sprake van structureel tekortschieten door de cliëntenraad;

c. ten onrechte heeft de Cvv aangenomen dat er geen alternatief voor ontbinding van de cliëntenraad is.

3.2

BJL heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Nietigheid beslissing Cvv?

3.3

De Ondernemingskamer overweegt ten aanzien van het primaire verzoek als volgt. Na de zitting van de Cvv op 22 juli 2021 was de zaak in staat van wijzen. De Ondernemingskamer maakt uit de gedingstukken op dat de voorzitter vervolgens eind juli een eerste concept heeft gedeeld met de overige twee vertrouwenslieden en dat een tweede concept een maand later onder de vertrouwenslieden is gerouleerd. In het eerste concept was volgens de advocaten van de cliëntenraad nog geen oordeel opgenomen; over het tweede concept wordt dat standpunt niet ingenomen. Vaststaat dat de drie vertrouwenslieden in elk geval toen nog deel uitmaakten van de commissie. Slump heeft naar aanleiding van het tweede concept aangeboden nadere tekstblokken aan te leveren betreffende het feitenrelaas en de wetsgeschiedenis en heeft die op 1 september 2021 verspreid. In reactie op die input heeft de voorzitter haar op 2 september 2021 bericht dat zij daarvan niet alles in het bij die e-mail bijgevoegde derde concept had verwerkt, maar wel de delen “die zij hadden afgesproken” (zie 2.9). Slump heeft vervolgens gemeld dat zij niet akkoord kon gaan met een selectie van de feiten door de voorzitter en dat de enige optie die er volgens haar restte, was dat zij haar opdracht teruggaf, gevolgd door de woorden “ik hoor graag op welke wijze ik dat en bij wie ik dat kan doen”. Volgens de voorzitter heeft Slump haar opdracht toen feitelijk echter niet teruggegeven (zie 2.7). Dat komt overeen met de e-mail van Slump van 2 september 2021 waarin zij verder schreef: “Ik zal anders zelf de advocaten van de Cliëntenraad morgen laten weten dat ik mijn opdracht teruggeef” (zie 2.9). De uitspraak van de Cvv is dezelfde dag verzonden, nadat het andere lid van de Cvv had ingestemd met het derde concept van de voorzitter. Vaststaat dat de uitspraak is gewezen voordat Slump aan BJL heeft laten weten dat zij de wens had de opdracht terug te geven – en gesteld noch gebleken is dat zij dat aan de cliëntenraad had bericht – los van de vraag welk gevolg het zou moeten hebben gehad indien zij voorafgaand aan de uitspraak die wens te kennen had gegeven. Vaststaat evenzeer dat Slump het niet met de opbouw van die uitspraak eens was, maar in het midden is gebleven of zij met een door haar voorgestane nadere aanvulling op het feitenrelaas en uitbreiding van een weergave van de wetsgeschiedenis tot een ander eindoordeel zou zijn gekomen: nergens vermeldt Slump dat zij het oordeel niet deelt. Eerder lijkt zij te bedoelen dat de feiten wel compleet dienen te worden weergegeven omdat zij – niet ten onrechte – rekening hield met de mogelijkheid dat de cliëntenraad in hoger beroep zou komen tegen dat oordeel.

3.4

De vergelijking – zoals de cliëntenraad die in zijn verzoekschrift voorstaat – van de totstandkoming van de uitspraak van de Cvv met jurisprudentie die ziet op de totstandkoming van uitspraken van rechterlijke colleges gaat mank, omdat de Cvv geen rechterlijke instantie en evenmin daarmee gelijk te stellen is. Eerder dringt de vergelijking met arbitrage zich op, omdat daarin ook deskundigen uit een bepaalde branche uitspraak doen over een conflict. In arbitrage geldt als hoofdregel collegiale besluitvorming. Artikel 1057 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, eerste lid houdt in: “Het scheidsgerecht beslist, indien het uit meer arbiters bestaat, bij meerderheid van stemmen (…).” Hieruit volgt dat elk van de leden van het scheidsgerecht aan de besluitvorming deelneemt aan de beraadslaging, meebeslist en, indien het op een stemming aankomt, een stem uitbrengt. Lid 3 van hetzelfde wetsartikel houdt in: “Weigert een minderheid van de arbiters te ondertekenen, dan wordt daarvan door de andere arbiters in het door hen ondertekende vonnis melding gemaakt.” In arbitrage wordt dus uitgegaan van de mogelijkheid dat een minderheid het niet eens is met de (inhoud van de) uiteindelijke beslissing. In dat geval is die beslissing daarmee op zichzelf niet nietig.

3.5

De aanvaarding van een opdracht tot toetreding tot een commissie van vertrouwenslieden met de bijzondere opdracht te oordelen over een bepaald verzoek impliceert commitment bij een resultaatsverbintenis. Niet aan de orde is dat Slump niet langer feitelijk of rechtens in staat was haar opdracht te vervullen, bijvoorbeeld ten gevolge van ernstige ziekte of ondercuratelestelling. Haar kennisgeving – na de behandeling van de zaak ter zitting en na een derde conceptversie van de uitspraak, gericht aan de voorzitter die zelf niet opdrachtgever is – dat zij de opdracht wil teruggeven vanwege het feit dat zij het niet eens is met de beperking van haar aanvullingen op de feiten en de weergave van de wetsgeschiedenis in het derde concept van de uitspraak, heeft te gelden als een kennisgeving van het hebben van een dissenting opinion, nu de overige twee commissieleden kennelijk wel achter de weergave van dat feitenrelaas en de wetsgeschiedenis in dat derde concept stonden en de uitspraak die dag zo is vastgesteld. Een goede procesorde verzet zich ertegen dat een dergelijke “opzegging” in dat stadium van de procedure het effect zou sorteren dat een nieuwe commissie zou moeten worden samengesteld, met onvermijdelijk een nieuwe behandeling van de zaak ter zitting. Een behoorlijke procesorde brengt immers mee dat van een nieuw commissielid niet kan worden verwacht dat hij/zij zonder meer zal meewerken aan een beslissing op de processtukken, terwijl ook partijen in beginsel aanspraak zouden kunnen maken op een zitting voor het college dat daadwerkelijk zal beslissen (zo ook ECLI:NL:RBROT:2021:8130).

3.6

Vaststaat dat Slump tot 2 september 2021 aan de besluitvorming van de Cvv heeft deelgenomen, dat zij tot en met 2 september 2021 heeft kunnen deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming en dat aan haar de kans is geboden haar stem op het derde concept uit te brengen en dat zij op die dag heeft laten weten een andere mening over de weergave van de feiten en de wetsgeschiedenis te hebben. De voorzitter heeft Slump toen aangeboden in de uitspraak op te nemen dat Slump een afwijkende mening was toegedaan. Slump heeft dat aanbod naar eigen zeggen niet eens in overweging genomen “gezien het eerdere besluit van mijn medecommissieleden dat vermelding in de uitspraak of er wel of niet consensus was over het eindoordeel, volgens mijn medecommissieleden niet mogelijk was” (zie 2.8). Het kan zo zijn dat dat laatste aanvankelijk is besloten, maar duidelijk is dat die afspraak nadien is losgelaten en Slump die mogelijkheid wel is geboden. De redengeving van Slump om daar niet op in te gaan was kennelijk toen niet gelegen in een fundamenteel andere zienswijze over (de totstandkoming van) het oordeel van de Cvv. De beslissing van de voorzitter en het andere lid van de Cvv om, ondanks de aankondiging van Slump dat zij haar opdracht terug wilde geven, de uitspraak te doen die werd gedragen door de meerderheid van de Cvv kan de Ondernemingskamer, gelet op het voorgaande en in aanmerking nemende dat de zaak in staat van wijzen was en dat de benoeming van een vervangend vertrouwenspersoon zou leiden tot verdere vertraging en extra, door BJL te dragen, kosten, onder genoemde omstandigheden billijken. Het bewijsaanbod van de cliëntenraad over de besluitvorming binnen de Cvv wordt op grond van het voorgaande als irrelevant gepasseerd.

Gebrek aan achterbancontact (beroepsgrond a)

3.7

Ook het subsidiaire verzoek van de cliëntenraad wordt verworpen. Daartoe overweegt de Ondernemingskamer ten aanzien van de beroepsgrond verwoord onder 3.1 a als volgt. Terecht heeft BJL aangevoerd dat aan haar verzoek om vervangende toestemming tot ontbinding van de cliëntenraad niet in hoofdzaak diens gebrek aan representativiteit, maar diens handelwijze ten grondslag lag. Het gebrek aan achterbancontact is BJL naar het oordeel van de Ondernemingskamer niet aan te rekenen. Op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming kan zij de persoonlijke gegevens van de cliënten niet zonder toestemming van betrokkenen verstrekken. BJL heeft onweersproken aangevoerd dat zij de cliëntenraad in plaats daarvan heeft gefaciliteerd door een flyer te laten drukken ter verspreiding onder cliënten en budget ter beschikking te stellen voor het realiseren van een website teneinde het contact met de achterban mogelijk te maken; al op 30 juli 2019 is het contract met de bouwer van de website getekend, waarin is opgenomen dat de website de mogelijkheid moet bieden dat cliënten inloggen op een afgeschermd gedeelte. De website is sinds december 2019 beschikbaar. Dat de cliëntenraad de flyers niet heeft willen laten verspreiden en de website desondanks niet is gaan gebruiken, is zijn eigen keuze die hij niet aan BJL kan wijten. Ook een aanbod van BJL sessies te organiseren tussen cliëntenraad en achterban heeft de cliëntenraad afgewezen.

Structureel tekortschieten? (beroepsgrond b)

3.8

De Cvv heeft bij haar beoordeling terecht tot uitgangspunt genomen dat de eerste vraag is of bij BJL sprake is van een situatie waarin de cliëntenraad structureel tekortschiet in de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten wier belangen hij dient te behartigen.

3.9

De Ondernemingskamer is met de Cvv van oordeel dat deze eerste vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Uit het feitenrelaas zoals opgenomen in de uitspraak van de Cvv volgt dat de cliëntenraad al lange tijd niet op een behoorlijke wijze vormgaf aan zijn taak. Van medezeggenschap was niet of nauwelijks sprake. Zelfs een gesprek over een door BJL opgesteld concept reglement, gebaseerd op het “Model Medezeggenschapsregeling Wmcz 2018”, dat het oude op grond van de wet diende te vervangen, heeft de cliëntenraad geweigerd (zie 2.5 en 2.6 ECLI:NL:GHAMS:2021:1443) omdat zij voorafgaand aan het gesprek met het bestuur juridisch advies over dat concept wilde inwinnen, terwijl BJL er terecht op wees dat dat voorbarig was omdat er nog geen concrete discussiepunten waren waarvoor het inwinnen van juridisch advies noodzakelijk zou zijn. De cliëntenraad heeft zich bij herhaling niet constructief opgesteld maar heeft veeleer een voortdurende strijd tegen BJL geleverd, met als gevolg dat de verhoudingen duurzaam en ernstig verstoord zijn geraakt. Hoewel BJL op onderdelen zelf wat onhandig heeft geopereerd ten opzichte van de cliëntenraad, ligt de schuld voor het ontsporen van de verhouding tussen hen naar het oordeel van de Ondernemingskamer voor het belangrijkste deel bij de cliëntenraad. Met name diens niet constructieve manier van communiceren is daaraan debet. De (voorzitter van de) cliëntenraad heeft zijn e-mails aan BJL sinds september 2020 stelselmatig en volstrekt onnodig ook gericht aan allerlei externe betrokkenen, onder wie wethouders van de betrokken gemeenten, gemeenteraadsleden, leden van de Tweede Kamer, het Keurmerkinstituut en regionale en landelijke pers, ondanks verzoeken van BJL om externen niet telkens in de berichtgeving in te kopiëren. In die e-mails heeft hij allerhande niet onderbouwde en onjuiste beweringen verkondigd, zoals op 20 september 2020 de onjuiste bewering dat BJL de onkosten en vacatiegelden van de voorzitter weigert te betalen, terwijl de cliëntenraad en BJL op 6 augustus 2020 overeenstemming hadden bereikt over het budget voor de cliëntenraad en de voorzitter vervolgens de onredelijke eis stelde dat dat budget op een nieuw te openen bankrekening op naam van de cliëntenraad werd gestort. Ook heeft hij de mededeling dat hij wegens laster en smaad strafrechtelijke aangifte tegen de bestuurder en de voorzitter van de raad van toezicht van BJL had gedaan in afschrift gestuurd aan meer dan vijftig e-mailadressen. In die e-mail is die aangifte niet anders onderbouwd dat met een verwijzing naar een interview met de bestuurder van BJL; de aangifte heeft geen vervolg gekregen. De overige leden van de cliëntenraad hebben geen afstand genomen van hun voorzitter en ter zitting heeft het aanwezige lid verklaard achter de acties van de voorzitter te staan.

3.10

Het feit dat de cliëntenraad ervoor heeft gekozen “te staken” en daarmee maandenlang zijn bevoegdheden in het kader van de medezeggenschap heeft geweigerd uit te oefenen (zie r.o. 15 en 16 van de bestreden uitspraak en r.o. 2.4 en 2.6 van ECLI:NL:GHAMS:2021:1443) draagt bij aan de conclusie dat de ontspoorde verhouding met name aan de cliëntenraad is te wijten. Tijdens die staking heeft de cliëntenraad met zijn handelwijze feitelijk anderen opgeroepen zich tegen BJL te keren, onder meer de wethouders om hun “politieke verantwoordelijkheid te nemen, een einde te maken aan het eindeloos frustreren door BJL van (…) medezeggenschaprechten”, onder de onjuiste bewering dat BJL het contact met de achterban blokkeert (zie 3.7). Ten overstaan van het Keurmerkinstituut (dat over de certificering van de jeugdzorgorganisaties gaat) heeft de voorzitter volgens het verslag van het Keurmerkinstituut beweerd dat BJL niet gecertificeerd mag zijn en dat BJL geen bestaansrecht heeft. Deze handelwijze had ook nadelig voor de cliënten van BJL kunnen uitpakken en zou op langere termijn zeker schadelijk voor BJL en zijn cliënten zijn geweest.

3.11

Met betrekking tot de beroepsgrond dat de cliëntenraad onvoldoende is gefaciliteerd door BJL volgt uit het voorgaande dat die conclusie niet uit de feiten is op te maken: het budget is overeengekomen en de website ten behoeve van het contact met de achterban is beschikbaar gesteld. Voorts is ook ambtelijke ondersteuning aangeboden, zij het niet de gewenste zestien uur per week, maar de aanvaardbare helft daarvan. Dat de cliëntenraad van die beschikbare faciliteiten geen gebruik heeft willen maken is eerder illustratief voor zijn opstelling aan BJL geen duimbreed toe te willen geven als hij zelf niet volledig tegemoet wordt gekomen in al zijn eisen, dan een gebrek aan het voldoen van verplichtingen door BJL, ook als dit wordt bezien in het licht van het feit dat BJL dient te zorgen voor omstandigheden die een goed verloop van medezeggenschapstrajecten mogelijk maken.

3.12

De conclusie is dat de cliëntenraad op onaanvaardbare wijze heeft geopereerd. Zijn structureel beschadigende communicatie naar een veelheid van partijen over hetgeen hij bij BJL ter discussie wilde stellen is ook naar het oordeel van de Ondernemingskamer in belangrijke mate gericht op escalatie en kan in redelijkheid niet worden aangemerkt als proportioneel handelen of als gezonde tegenkracht die met medezeggenschap wordt voorgestaan. Het cliëntenbelang heeft eerder geleden onder deze vorm van strijd over medezeggenschap dan dat zij ermee gediend was. De verhouding tussen BJL en de cliëntenraad was ten tijde van de behandeling van de zaak door de Cvv zodanig verstoord dat van behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten geen sprake meer was. De cliëntenraad is structureel tekortgeschoten in de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten wier belangen hij diende te behartigen.

Alternatief voor ontbinding? (beroepsgrond c)

3.13

Bij die stand van zaken is het vervolgens de vraag of er redelijkerwijs geen andere oplossing is dan ontbinding van de cliëntenraad. Met andere woorden, of BJL en de cliëntenraad al voldoende hebben gedaan om ontbinding van de cliëntenraad – wat als laatste redmiddel heeft te gelden – te voorkomen, bijvoorbeeld door een bemiddelingspoging en/of andere middelen om het conflict op te lossen.

3.14

Ook deze vraag – is ontbinding van de cliëntenraad in deze situatie het enige redmiddel – beantwoordt de Ondernemingskamer evenals de Cvv bevestigend. De impasse in de verhouding tussen de cliëntenraad en BJL duurt al jaren. De kans dat deze wordt opgelost zonder de cliëntenraad te ontbinden, acht de Ondernemingskamer verwaarloosbaar klein. De eerdere poging tot bemiddeling heeft niet geleid tot een oplossing. Nadien is de zaak verder geëscaleerd, mede doordat strafrechtelijke aangifte is gedaan tegen de bestuurder en de voorzitter van de raad van toezicht van BJL en doordat de cliëntenraad op oneigenlijke gronden heeft geweigerd gebruik te maken van aan hem geboden faciliteiten, terwijl de voorzitter van de cliëntenraad geen enkele zelfreflectie heeft getoond en de overige twee leden van de cliëntenraad evenmin een open en constructieve houding hebben aangenomen. De Ondernemingskamer deelt het oordeel van Cvv dat niet valt in te zien hoe de cliëntenraad in deze samenstelling en het bestuur van BJL nog effectief met elkaar vorm kunnen geven aan medezeggenschap ter behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten zoals beoogd in de Wmcz 2018. Ontbinding van de huidige cliëntenraad is daarom de enige mogelijkheid om de ontstane en diepgewortelde impasse te doorbreken.

Conclusie

3.15

De slotsom luidt dat het beroep van de cliëntenraad ongegrond is. De uitspraak waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

bekrachtigt de uitspraak van de Commissie van vertrouwenslieden van Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg van 2 september 2021, gewezen tussen partijen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Wolfs, voorzitter, mr. W.A.H. Melissen en mr. J.M. de Jongh, raadsheren, en drs. C. Smits-Nusteling en dr. M.J.R. Broekema, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, op 3 februari 2022.