Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:2727

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-08-2022
Datum publicatie
21-09-2022
Zaaknummer
21/00286 en 21/00287
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

douanerecht; recht op terugbetaling; art. 239 CDW; geen bijzondere omstandigheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-9-2022
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 21/00286 en 21/00287

16 augustus 2022

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[X BV] , gevestigd te [plaats] , belanghebbende,

gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma

tegen de uitspraak van 2 maart 2021 in de zaak met de kenmerken HAA 19/3259 en 19/3260 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 2 oktober 2017 twee uitnodigingen tot betaling (hierna: utb’s) uitgereikt ten bedrage van € 33.481,67 en € 33.182,31 wegens de niet-zuivering van twee T1-documenten met de kenmerken [kenmerk 1] (afgiftedatum: 13 november 2002) respectievelijk [kenmerk 2] (afgiftedatum: 18 november 2002). De utb’s strekken tot betaling van douanerechten, omzetbelasting en rente op achterstallen.

1.2.

Belanghebbende heeft op 13 september 2018 een verzoek gedaan tot terugbetaling van de in de utb’s vermelde belastingen. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 13 februari 2019.

1.3.

De inspecteur heeft het daartegen gemaakt bezwaar bij uitspraak, gedagtekend 6 juni 2019, ongegrond verklaard.

1.4.

Op het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank in haar uitspraak van 2 maart 2021 als volgt beslist:

“De rechtbank

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst de verzoeken om vergoeding van immateriële schade af.”

1.5.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof

ingekomen op 12 april 2021 en is aangevuld bij brief van 7 juni 2021. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Van belanghebbende is een nader stuk met dagtekening 9 juni 2022 en een nader stuk met dagtekening 15 juni 2022 ontvangen.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2022. De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaken met kenmerken 21/00284 en 21/00285 van dezelfde belanghebbende. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’).

“1. Eiseres heeft op 13 en 18 november 2002 aangifte gedaan tot plaatsing onder de regeling extern communautair douanevervoer van knoflook. Voor het vervoer zijn T1-documenten opgemaakt. Verweerder heeft aan eiseres op 24 en 26 september 2003 uitnodigingen tot betaling (utb’s) uitgereikt wegens de niet-zuivering van deze T1-documenten. De door eiseres daartegen gemaakte bezwaren zijn bij één uitspraak op bezwaar van 19 januari 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij uitspraak van deze rechtbank van 18 januari 2013 is het daartegen door eiseres ingesteld beroep ongegrond verklaard. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 12 maart 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:2074) die uitspaak bevestigd.

3. Bij arrest van 16 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2077) heeft de Hoge Raad der Nederlanden (HR) het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond verklaard en het beroep in cassatie van eiseres gegrond. De HR heeft daarbij – voor zover hier van belang - de uitspraak van het hof, de uitspraak van de rechtbank, de uitspraken van de inspecteur en de utb’s vernietigd.

4. Bij brief van 17 november 2016 heeft verweerder eiseres zijn voornemen bekend gemaakt om (opnieuw) utb’s uit te reiken wegens de niet-zuivering van de meergenoemde T1-documenten.

5. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 2 oktober 2017 twee utb’s uitgereikt ten bedrage van € 33.481,67 en € 33.182,31 wegens de niet-zuivering van twee T1-documenten met de kenmerken [kenmerk 1] respectievelijk [kenmerk 2] . De utb’s strekken tot betaling van douanerechten, omzetbelasting en rente op achterstallen.

6. Bij uitspraken op bezwaar van 12 december 2017 heeft verweerder het tegen de utb’s gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

7. Bij uitspraak van heden heeft deze rechtbank de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt daaraan de volgende feiten toe.

2.3.

Belanghebbende houdt zich bedrijfsmatig onder meer bezig met de opslag en het vervoer van groente en fruit. Zij heeft de onderhavige T1-aangiften gedaan voor het vervoer van verse knoflook van [plaats] naar het douanekantoor van bestemming te Groningen. Het ging om knoflook die de opdrachtgever van belanghebbende, [opdrachtgever] , had verkocht aan [de heer A] . De knoflook was bestemd voor uitvoer naar Suriname. Nadat het bewijs van regelmatige beëindiging van het douanevervoer uitbleef, kregen belanghebbende en [opdrachtgever] het vermoeden dat de knoflook, zonder te zijn aangebracht bij het kantoor van bestemming, op de Nederlandse markt was afgezet. [opdrachtgever] heeft de FIOD op de hoogte gesteld van dit vermoeden en belanghebbende heeft aangifte gedaan van oplichting. In januari 2003 spraken belanghebbende, [opdrachtgever] en de FIOD af, dat [opdrachtgever] nog twee zendingen knoflook zou verkopen aan [de heer A] en dat belanghebbende daarvoor de T1-aangiften zou doen, zodat de FIOD het vervoer kon volgen en zo nodig kon ingrijpen. Op 14 en 23 januari 2003 deed belanghebbende conform deze afspraak twee T1- aangiften voor twee nieuwe zendingen knoflook. In een brief van 23 januari 2003 aan belanghebbende schrijft de inspecteur het volgende:

“Op 14 januari 2003 en op 23 januari 2003 zijn door [X BV] (…) T1-documenten betrekking hebbende op partijen knoflook opgemaakt. Indien mocht blijken dat de formele aanzuivering van deze twee documenten voor [X BV] problemen zou geven dan kunt u met mij in contact treden.”

De inspecteur heeft voor de T1-documenten van 14 en 23 januari 2003 geen utb’s uitgereikt aan belanghebbende.

[de heer A] is strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld voor – kort gezegd – het onttrekken van de knoflook aan het douanetoezicht, zo blijkt uit het arrest Hof Leeuwarden 18 april 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BC9927:

“Verdachte heeft tezamen met zijn twee medeverdachten een viertal uit China afkomstige partijen knoflook, die in afwachting van een nadere bestemming lagen opgeslagen in douane-entrepots, gekocht en vervolgens afgezet op de Nederlandse markt, terwijl zij zich er van bewust waren dat de bij invoer in de Europese Gemeenschap verschuldigde rechten niet werden afgedragen aan de belastingdienst. Door het bewust aandragen van onjuiste gegevens door verdachte en zijn medeverdachten hebben een tweetal douane-expediteurs de in de bewezenverklaring opgenomen T1 douanedocumenten voorzien van onjuiste gegevens ten aanzien van de bestemming van die knoflook en hebben zij de onderscheiden exemplaren van dat document telkens (foutief) administratief verwerkt.

Verdachte heeft het onderhavige misdrijf gepleegd met als doel om er zelf financieel beter van te worden. Hij en zijn medeverdachten hebben de partijen knoflook immers met behulp van hun frauduleuze handelingen tegen een aanzienlijk lager bedrag dan gebruikelijk kunnen bemachtigen om deze knoflook vervolgens te verkopen op de Nederlandse markt. Dat de niet afgedragen rechten bij invoer aanzienlijk zijn blijkt wel uit de verklaring van de administrateur [administrateur], werkzaam bij de betrokken expediteur ZZ Coldstore BV (bijlage AH/01 van het procesdossier), waarin hij aangeeft dat het totaal niet afgedragen bedrag aan belasting ten aanzien van een tweetal partijen knoflook in totaal meer dan € 60.000,- beloopt.”

2.4.

Tot de stukken van het geding behoort een door de inspecteur aan gemachtigde gericht verslag, gedagtekend 30 maart 2011, van een bespreking die op 3 januari 2011 heeft plaatsgevonden. Daarin staat onder meer het volgende vermeld:

“De heren [B] en [C] (FIOD) hebben tijdens het gesprek met klem beweerd dat zij nimmer toezeggingen hebben gedaan. Op de rechtstreekse vraag aan de heer [D] (afgevaardigde van belanghebbende), wanneer en door wie de toezeggingen zouden zijn gedaan m.b.t. de T documenten, opgenomen in de in het geding zijnde UTB’s, bleef de heer [D] het antwoord schuldig.

Ik ben van mening dat geen enkele indicatie aanwezig is, dat er toezeggingen zijn gedaan omtrent vrijwaring van zendingen (in november 2002) die ruimschoots hebben plaatsgevonden voordat er contact is geweest tussen de FIOD en belanghebbende. Zowel de heren [B] en [C] (FIOD) en de heer [E] ontkennen dat die toezeggingen zouden zijn gedaan.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In geschil is of het verzoek om terugbetaling terecht is afgewezen.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in

de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar de naar aanleiding van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

“12. De douaneschuld waarvan terugbetaling wordt verzocht is ontstaan in 2002. Op situaties (waaronder belastbare feiten) die zich vóór het van toepassing worden van het DWU (op 1 mei 2016) hebben voorgedaan, zijn in het algemeen de materiële voorschriften van het (tot 1 mei 2016 geldende) CDW (Verordening 2913/92) van toepassing, terwijl doorgaans de procedurevoorschriften van het DWU van toepassing zijn. Uit het arrest van het Hof van Justitie (hierna: HvJ) van 7 september 1999, C-61/98, ECLI:EU:C:1999:393, rechtsoverwegingen 22 en 23, leidt de rechtbank af dat de wettelijke bepalingen inzake terugbetaling - voor zover voor de beslechting van het onderwerpelijke geschil van belang - materiële voorschriften zijn, zodat het CDW van toepassing is en niet het DWU.

13. Artikel 239 CDW voorziet in een recht op terugbetaling of kwijtschelding van douanerechten indien (1) sprake is van een bijzondere situatie en (2) geen sprake is van klaarblijkelijke nalatigheid, noch van een frauduleuze handeling van de zijde van de belastingschuldige. Volgens vaste rechtspraak vormt artikel 239 CDW een algemene billijkheidsclausule (vgl. HvJ 3 april 2008, Militzer & Münch, C-230/06, rechtsoverweging 50).

Eveneens volgens vaste rechtspraak is het bestaan van een bijzondere situatie aangetoond wanneer uit de omstandigheden van het concrete geval volgt dat de belastingschuldige in een uitzonderlijke situatie verkeert vergeleken met de andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten (vgl. HvJ 25 februari 1999, Trans-Ex-Import, C-86/97, rechtsoverwegingen 21 en 22, en 7 september 1999, De Haan Beheer BV, C-61/98, overweging 52).

14. Uit de jurisprudentie van het HvJ volgt dat de in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden betrekking moeten hebben op het ontstaan van de douaneschuld. De douaneschulden zijn ontstaan direct na het verstrijken van de vervoerstermijnen waarbinnen de goederen nog regelmatig hadden kunnen worden aangebracht, op 18 en 26 november 2002. De door eiseres aangevoerde omstandigheden zien echter op de periode tussen het ontstaan van de douaneschulden en de mededeling van de douaneschulden door middel van de oplegging van de eerste utb’s en het tijdsverloop nadien tot het opleggen van de tweede utb’s.

De rechtbank onderschrijft voorts het standpunt van verweerder dat ook het ontbreken van een verhaalsmogelijkheid niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 239 CDW, omdat die omstandigheid niet alleen geen verband houdt met het ontstaan van de schuld, maar bovenal is te beschouwen als een normaal handelsrisico.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die terugbetaling op grond van artikel 239 CDW rechtvaardigt.

Verzoek om vergoeding van immateriële schade.

15. Het bezwaarschrift van 22 maart 2019 van eiseres is op 25 maart 2019 door verweerder ontvangen. Met deze uitspraak van de rechtbank is de redelijke termijn van twee jaar niet overschreden. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

16. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Belanghebbende betoogt dat, nu artikel 239 van het CDW, artikel 120 DWU en hun voorgangers een algemene billijkheidsclausule zijn, recht op terugbetaling bestaat omdat het niet billijk is belanghebbende na verloop van 15 jaar nog aan te spreken voor een oude douaneschuld. Door het tijdsverloop is belanghebbende niet meer in staat zich optimaal te verweren tegen de nieuwe utb’s en zijn haar verhaalsmogelijkheden beperkt, mede doordat de afnemer inmiddels is overleden. Verder heeft belanghebbende met medewerkers van de Belastingdienst de mondelinge afspraak gemaakt dat de onderhavige douaneschulden niet bij haar zouden worden ingevorderd. Door het lange tijdsverloop kunnen de betrokkenen hierover redelijkerwijs geen verklaringen meer afleggen, hetgeen een bijzondere omstandigheid vormt die terugbetaling rechtvaardigt.

Voor het geval de redelijke termijnen voor de bezwaar- en (hoger) beroepsprocedure worden overschreden verzoekt belanghebbende om vergoeding van de door haar hierdoor geleden immateriële schade.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de beslissing op het verzoek om terugbetaling, veroordeling van de inspecteur in de proceskosten en in de vergoeding van het griffierecht.

5.2.

De inspecteur betoogt daarentegen dat het lange tijdsverloop niet het gevolg is van omstandigheden die specifiek zijn voor belanghebbende, maar het directe gevolg is van toepassing van de geldende wetgeving inzake de opschorting van de termijn voor het doen van de mededeling van douaneschulden en de lange tijd die bezwaar- en beroepsprocedures in Nederland in beslag nemen. Hierdoor is het lange tijdsverloop geen bijzondere omstandigheid. Een eventueel verslechterde verdedigingspositie is geen omstandigheid die te maken heeft met het ontstaan van de douaneschuld en kan dus geen bijzondere omstandigheid zijn. Het ontbreken van verhaalsmogelijkheden op de afnemer is niet aan de orde, omdat belanghebbende al volledig verhaal heeft kunnen halen op haar opdrachtgever. Bovendien behoren civiele verhaalsmogelijkheden tot het normale handelsrisico van marktdeelnemers.

Voor de door belanghebbende gestelde afspraken met de Belastingdienst zijn gedurende de gehele huidige en voorafgaande procedure geen aanwijzingen gevonden (vgl. Hof Amsterdam 12 maart 2015, nr. 13/00111, ECLI:NL:GHAMS:2015:2074, r.o. 5.9). De gemaakte afspraken zagen uitsluitend op andere zendingen en die afspraken zijn nagekomen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. Het Hof oordeelt als volgt.

5.3.

Het Hof stelt, gelijk de rechtbank dat heeft gedaan, voorop dat op de onderhavige verzoeken om terugbetaling artikel 239 van het CDW van toepassing is. De in die bepaling opgenomen mogelijkheid tot terugbetaling wegens bijzondere omstandigheden die niet het gevolg zijn van frauduleuze handelingen of klaarblijkelijke nalatigheid van de belanghebbende, houdt volgens de vaste rechtspraak van het HvJ EU een algemene billijkheidsclausule in (zie onder meer HvJ EU 29 juli 2019, C-89/17, Prénatal SA, ECLI:EU:C:2019:631, r.o. 37).

5.4.

Het door belanghebbende genoemde lange tijdsverloop tussen het ontstaan van de douaneschulden en het uitreiken van de utb’s, vormt op zichzelf geen bijzondere omstandigheid.

De verplichting van de inspecteur om vijftien jaar na het ontstaan van de douaneschulden nog utb’s uit te reiken vloeit voort uit artikel 103, lid 3, onder a, van het DWU en zijn (inhoudelijk overeenkomende) voorganger in art. 221, lid 3, van het CDW. In laatstgenoemde bepaling is op 19 december 20001 opgenomen dat de termijn voor het doen van de mededeling aan de schuldenaar wordt geschorst door het instellen van een beroep in de zin van artikel 243 van het CDW voor de duur van de procedure van dat beroep. Belanghebbende kon vanaf het opmaken van de onderhavige twee T1-documenten (op 13 en 18 november 2002) deze schorsingsmogelijkheid kennen. De opschorting van de termijn voor het doen van de mededeling van de douaneschulden is in de artikelen 221, lid 3, van het CDW en 103, lid 3, onder a, van het DWU duidelijk en nauwkeurig neergelegd en de toepassing ervan is voorzienbaar, waardoor belanghebbende in staat was de omvang van haar verplichtingen te kennen (HvJ EU 31 juni 2021, Jumbocarry Trading GmbH, C-39/20, ECLI:EU:C:2021:435, r.o. 48). Evenmin is belanghebbende gedurende onbepaalde tijd in het ongewisse gebleven wat betreft haar rechten en verplichtingen jegens de inspecteur (HvJ EU 10 december 2015, Veloserviss SIA, ECLI:EU:C:2015:803, r.o. 31).

5.5.1.

De medewerking door belanghebbende aan een FIOD-onderzoek door in januari 2003 nog twee T1 aangiften te doen voor dezelfde afnemer vormt naar het oordeel van het Hof geen bijzondere omstandigheid ten aanzien van de onderhavige T1-aangiften uit november 2002, toen nog geen sprake was van enig contact tussen belanghebbende en de autoriteiten (zie r.o. 2.3). Van een afspraak met of een toezegging door medewerkers van de Belastingdienst dat de onderhavige douaneschulden niet bij belanghebbende zouden worden ingevorderd is niet gebleken. Belanghebbende stelt weliswaar dat een dergelijke afspraak zou zijn gemaakt, maar maakt dat tegenover de gemotiveerde weerspreking daarvan door de inspecteur niet aannemelijk. Zij was in januari 2011 desgevraagd zelf niet in staat om kenbaar te maken met wie zij die afspraak dan zou hebben gemaakt (zie r.o. 2.4).

5.5.2.

Dat de medewerkers van de Belastingdienst met wie belanghebbende contact heeft gehad inmiddels niet meer beschikbaar zijn om een verklaring af te leggen wegens pensionering dan wel een nieuwe werkkring is, wat daarvan ook zij, niet relevant, reeds vanwege het feit dat zij al in 2011 uitdrukkelijk hebben ontkend afspraken te hebben gemaakt met of toezeggingen te hebben gedaan aan (de opdrachtgever van) belanghebbende, nog daargelaten dat belanghebbende ook voormalige medewerkers van de Belastingdienst als getuige had kunnen oproepen. Hieruit volgt dat niet aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende enkel door het lange tijdsverloop in haar verdediging is geschaad.

5.6.

Ten aanzien van het gebrek aan verhaalsmogelijkheden heeft de inspecteur onweersproken gesteld dat belanghebbende beide douaneschulden volledig heeft verhaald op haar opdrachtgever, zodat de stelling van belanghebbende reeds daarom faalt. Dat haar opdrachtgever, naar belanghebbende stelt, op haar beurt de douaneschulden niet heeft kunnen verhalen op de afnemer van de goederen (omdat deze is overleden), doet hier niet aan af. Reeds daarom is ook het door belanghebbende gestelde overlijden van de afnemer van de goederen niet een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 239 van het CDW.

Ten overvloede overweegt het Hof nog dat een gebrek aan verhaalsmogelijkheden van een douaneschuldenaar op zijn handelspartners behoort tot het handelsrisico van een professioneel marktdeelnemer. Artikel 239 van het CDW is niet bedoeld om douane-expediteurs tegen wanbetaling van hun handelspartners te beschermen (vgl. HvJ EU 13 november 1984, nrs. 98 en 230/83, Van Gend & Loos N.V. en Expeditiebedrijf Wim Bosman B.V., ECLI:EU:C:1984:342, r.o. 16).

5.7.

Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd leidt het Hof niet tot een ander oordeel.

5.8.

Andere gronden voor terugbetaling van de twee douaneschulden zijn niet gesteld en zijn het Hof ook niet gebleken.

Immateriële schade

5.9.

De inspecteur heeft op 25 maart 2019 het bewaarschrift van belanghebbende tegen de afwijzing van het verzoek om terugbetaling ontvangen. De rechtbank heeft op 2 maart 2021 uitspraak gedaan op het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar. De onderhavige uitspraak van het Hof is gedaan op 16 augustus 2022. Hieruit volgt dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep niet is overschreden, zodat geen aanspraak bestaat op een vergoeding van immateriële schade.

Slotsom

5.10.

De slotsom is dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. W.M.C. Schipper, voorzitter van de douanekamer, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van

mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 16 augustus 2022 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

1 Verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 tot wijziging van het CDW, Pb EG 2000 nr. L 311