Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:2533

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2022
Datum publicatie
31-08-2022
Zaaknummer
23-002663-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal en diefstal met geweld. De verdachte heeft in een rijdende trein twee treinpassagiers aangesproken, waarna ze allebei zijn beroofd. GVS 6 maanden. Vordering benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002663-21

datum uitspraak: 24 augustus 2022

VERSTEK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 september 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-239224-21 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1998,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 augustus 2022, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 4 september 2021 te Amsterdam een ketting, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door de ketting met kracht los te trekken van de nek van [benadeelde];

2.

hij op of omstreeks 4 september 2021 te Amsterdam een iPhone telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 4 september 2021 te Amsterdam een ketting, die aan [benadeelde] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door de ketting met kracht los te trekken van de nek van [benadeelde];

2.
hij op 4 september 2021 te Amsterdam een iPhone telefoon, die aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2021181682-4 van 4 september 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 6 – 10). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 september 2021 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [benadeelde]:

Zaterdag 4 september 2021 ben ik op CS Rotterdam ingestapt in een trein naar Amsterdam CS. Ik zag twee mannen onze coupe inlopen. Eén van de jongens had een rode jas aan. De jongen keek mij aan en begon vervolgens om mij heen te draaien en met zijn voeten tussen mijn voeten door te vogelen. Ik voelde op een gegeven moment een ruk en het leek of de man mij wilde slaan. Ik zag dat de man bij mij vandaan liep en voelde en zag toen dat de gouden ketting van mijn nek/hals gerukt was.

Tijdens het rukken aan de ketting voelde ik geen pijn maar nu voel ik dat ik een schrijnende kras in mijn nek heb. Dat is gebeurd doordat de ketting van mijn nek is gerukt. Ik kan de man die mijn ketting van mijn hals heeft getrokken als volgt omschrijven:

- Marokkaans uitziende man

- De man droeg een rood stoffen pof jasje dicht geknoopt

- wit T-shirt

- zwart haar met veel krullen bovenop

- licht getint

- ergens begin 20 jaar

- 170-180 lang

De politie kwam vrij snel ter plaatse en de trein binnen en ik heb vervolgens gezien dat de man die mijn ketting had geroofd met het rode jasje en zijn vriend met de zwarte jas beiden werden aangehouden en meegenomen door de politie.

2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2021181682-10 van 4 september 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 3 – 5). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 september 2021 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Zaterdag 4 september 2021 heb ik de trein van uit Rotterdam naar Amsterdam genomen. Ik zag twee mannen, waarvan ik één man als volgt kan omschrijven:

- de man had een midden oosten uiterlijk

- een rode jas

- een wit T-shirt

- tussen de 20-30 jaar oud

- 75-180 cm

De man in de rode jas deed als of hij dronken was en begon tegen mij aan te leunen en viel toen tegen mij aan. Ik kwam te vallen en de man liep vervolgens van mij weg. Ik liep terug naar mijn coupe. Toen ik bij mijn stoel kwam voelde ik in mijn rechter broekzak en voelde dat mijn telefoon weg was.

De telefoon die ik van de politie terug kreeg is inderdaad mijn telefoon.

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2021181682 van 4 september 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde buitengewoon opsporing ambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 13 – 14). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Wij verbalisanten kregen een melding dat er op spoor 13B een trein stond waar een beroving zou hebben plaatsgevonden. De hoofdconducteur heeft de deuren gesloten gehouden tot wij ter plaatse waren. Eenmaal bij de trein werden er 3 mannen aangewezen als verdachten. 1 van deze verdachten zou een volledig rode jas dragen. De verdachte die ons later bekend werd als [verdachte] droeg een rode jas die bij aantreffen binnenstebuiten zat.

Wij verbalisanten hebben de verdachte [verdachte] Afgezonderd van publiek en gefouilleerd op het balkon in de trein.

Naast de verdachte hing een prullenbak. In deze prullenbak troffen wij een iPhone aan. Bij navraag van het slachtoffer kon hij de iPhone ontgrendelen door middel van een pincode.

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2021181682-37 van 29 september 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (ongenummerd). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

De bewakingsbeelden van het Centraal Station van 4 september 2021 van het perron tussen de sporen 14B en 13 zijn gevorderd. Blijkens deze bewakingsbeelden is de verdachte [verdachte] de enige verdachte met krullen. De verdachte [verdachte] wordt als enige verdachte vanuit de trein bij een snoepautomaat geplaatst door twee bijzondere opsporingsambtenaren van V&S. De verdachte [verdachte] is dan alleen gekleed in een wit T-shirt. Door een derde medewerker van V&S wordt een rode jas en een rugtas gedragen, die deze medewerker bij de verdachte [verdachte] op de grond neerlegt. De twee andere verdachten staan op ruime afstand van de snoepautomaat. Deze verdachten dragen daarbij een donkerkleurige jas, die niet rood gekleurd is. Op de bewakingsbeelden is te zien dat de twee andere verdachten nooit bij de snoepautomaat hebben gestaan.

Wanneer de drie verdachten vanaf het perron worden weggevoerd door de politie en de medewerkers van V&S, is de verdachte [verdachte] nog steeds in zijn witte T-shirt gekleed. Een agent van politie loopt achter de verdachte [verdachte] aan, waarbij deze agent de rode jas en de rugtas meeneemt. Op de bewakingsbeelden herkende ik de verdachte [verdachte] vanaf zijn progis en FIKS foto’s.

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal en diefstal met geweld. De verdachte heeft in een rijdende trein twee treinpassagiers aangesproken, waarna ze allebei zijn beroofd. Door zo te handelen heeft de verdachte getoond geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen en heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van slachtoffer [benadeelde]. Slachtoffers van dergelijke delicten kunnen nog geruime tijd last houden van psychische klachten, zo leert de ervaring. Daar komt bij dat dit soort delicten gevoelens van onveiligheid in de maatschappij versterken. De verdachte heeft hier lak aan gehad en zich kennelijk laten leiden door eigen financieel gewin.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 juli 2022 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor diefstal.

Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd waarvan de oplegging haar weerslag heeft gevonden in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor een voltooide straatroof met licht geweld zonder dat er sprake is van recidive wordt als oriëntatiepunt genoemd een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich, conform het bepaalde in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 545,00 en bestaat voor € 120,00 uit materiële schade en voor € 425,00 uit immateriële schade.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel moet worden toegewezen.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals uit het voorgaande blijkt, staat naar het oordeel van het hof vast dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, op de wijze als hiervoor omschreven. Daarmee heeft verdachte jegens de benadeelde partij onrechtmatig gehandeld en is hij aansprakelijk voor de schade die daarvan rechtstreeks het gevolg is.

Materiële schade

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte tot een bedrag € 120,00 rechtstreeks materiële schade heeft geleden. De onderbouwde stellingen van de benadeelde partij dienaangaande zijn van de zijde van de verdachte niet betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat dit deel van de vordering, dat het hof niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal worden toegewezen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft de schadepost betreffende de immateriële schade onderbouwd door middel van een factuur betreffende toekomstige kosten voor een behandeling voor klachten die overigens door een niet ter zake bevoegde of bekwame deskundige zijn vastgesteld. Nu de benadeelde partij deze kosten nog niet gemaakt heeft, komt deze post niet voor vergoeding in aanmerking. Het hof zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering voor zover dit de immateriële schade betreft.

Totaal toegewezen bedrag

De materiële schade zal in zijn geheel worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 120,00. Het hof zal het toegewezen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het ontstaan van de schade en de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 120,00 (honderdtwintig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 120,00 (honderdtwintig euro) als vergoeding voor materiële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 4 september 2021.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. D. Radder en mr. F.A. Hartsuiker, in tegenwoordigheid van D.A.C. Chaigneau en mr. R.L. Vermeulen, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 augustus 2022.