Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:2526

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2022
Datum publicatie
31-08-2022
Zaaknummer
200.301.064/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Is de vader zonder gezag belanghebbende inzake de machtiging uithuisplaatsing?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2022-0193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.301.064/01

zaaknummer rechtbank: C/15/317825 / JU RK 21-1220

beschikking van de meervoudige kamer van 30 augustus 2022 in de zaak van

[de vader] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. B. Özates te Rotterdam,

en

de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers Noord-Holland,

gevestigd te Haarlem,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbenden zijn verder aangemerkt:

- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder);

- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );

- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter), van 12 juli 2021, hersteld bij beschikking van 31 augustus 2021.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 12 oktober 2021 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 12 juli 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, schriftelijk uitgewerkt op 22 juli 2021, en hersteld bij beschikking van 31 augustus 2021.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 22 juli 2022 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de advocaat van de vader via een beeldverbinding;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer W. Daalderop.

Zowel de vader als de moeder zijn opgeroepen voor de zitting, maar zijn niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader (hierna ook: de ouders) zijn geboren:

- [minderjarige 1] , [in] 2013 en

- [minderjarige 2] , [in] 2015 (hierna gezamenlijk ook: de kinderen).

[minderjarige 2] is erkend door de vader.

Ter zitting in hoger beroep heeft de GI meegedeeld dat de man [minderjarige 1] heeft erkend en als haar vader op haar geboorteakte geregistreerd staat.

De moeder oefende tot de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 3 mei 2022 alleen het gezag uit over de kinderen. Bij die beschikking is het gezag van de moeder beëindigd en is de GI benoemd tot voogd over de kinderen.

3.2

De moeder, de vader en de kinderen hebben allen de Poolse nationaliteit.

3.3

De kinderen hebben eerder een periode onder toezicht gestaan in 2015/2016.

Tot de gezagsbeëindiging stonden zij sinds 18 mei 2017 onder toezicht van de GI.

3.4

De kinderen zijn met spoed uithuisgeplaatst met ingang van 14 februari 2020. De machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is vervolgens telkens verlengd.

De kinderen verblijven in een gezinshuis.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking zijn, op verzoek van de GI, de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen met ingang van 18 augustus 2021 verlengd tot 18 februari 2022. De kinderrechter heeft daarbij geoordeeld dat de vader in de procedure niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

4.2

De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing alsnog af te wijzen.

4.3

De GI heeft ter zitting in hoger beroep mondeling verweer gevoerd en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Zoals de kinderrechter terecht heeft overwogen, is de Nederlandse rechter bevoegd om van de verzoeken kennis te nemen.

De kinderrechter heeft de verzoeken beoordeeld naar Nederlands recht. Daartegen is niet gegriefd, zodat toepassing van Nederlands recht ook het hof tot uitgangspunt strekt.

5.2

De periode waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing is verleend, is op 18 februari 2022 verstreken. Gelet op het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, zou de vader een rechtens relevant belang kunnen hebben om de rechtmatigheid van de machtiging over de periode waarvoor die gold, alsnog te laten toetsen. Daarvoor dient echter wel eerst vast te staan dat de vader kan worden aangemerkt als belanghebbende. Eerst als daar sprake van is, is hij ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep en kan het hof toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de uithuisplaatsing.

De standpunten van betrokkenen

5.3

De vader vindt dat de kinderrechter hem ten onrechte niet heeft aangemerkt als belanghebbende. Door de verslaving van de moeder had de vader een belangrijke rol in het leven van de kinderen. Zij hadden een affectieve band met elkaar. Tot de uithuisplaatsing zag hij de kinderen twee keer per week. De moeder heeft deze betrokkenheid van de vader tegenover de GI verzwegen. Daar kon de vader niets tegen doen omdat hij in detentie zat toen de kinderen uit huis werden geplaatst. Gelet op zijn rol in het leven van de kinderen kan de vader niet langer buiten het leven van de kinderen worden gehouden. In ieder geval dient hij te worden aangemerkt als belanghebbende en dient de omgang te worden hervat, aldus de vader.

5.4

De vertegenwoordiger van de GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij als gezinsmanager sinds 2017 betrokken is en telkens gevraagd heeft naar de rol van de vader. De moeder heeft de betrokkenheid van de vader ontkend; zij zei niet te weten waar hij verbleef en veronderstelde dat hij in Polen zou zijn. Inmiddels vertellen de kinderen wel dat zij de vader zagen in de speeltuin en dat hij bij hen kwam eten. De GI weet niet of hier vaste afspraken over waren en hoe vaak deze momenten plaatsvonden. In ieder geval leefden de ouders niet meer samen toen [minderjarige 2] in 2015 werd geboren en is er tussen de GI en de vader nooit contact geweest. Tot nu toe heeft de vader ook nog steeds geen contact opgenomen met de GI om de omgang op te bouwen, aldus de GI.

Het advies van de raad

5.5

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de beslissing van de kinderrechter te bekrachtigen. De raad is sinds 2015 betrokken bij de kinderbeschermingsmaatregelen. Al die tijd is de vader niet in beeld geweest. Inmiddels staat het perspectief van de kinderen vast en is het gezag van de moeder beëindigd. Het standpunt dat de vader in deze procedure inneemt is in het licht van die omstandigheden niet meer relevant, aldus de raad.

Beoordeling door het hof

5.6

In zaken betreffende het personen- en familierecht kan, in afwijking van artikel 358 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), krachtens artikel 806 lid 1 Rv van een beschikking hoger beroep worden ingesteld door de verzoeker, door degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden en door andere belanghebbenden. De vraag of de vader als belanghebbende moet worden aangemerkt, is een vraag waarover het hof zelfstandig en ambtshalve een oordeel moet vellen. Ingevolge het bepaalde in artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv wordt onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. In zijn uitspraak van 30 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:488) heeft de Hoge Raad overwogen dat de door artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv bestreken kring van belanghebbenden in zaken van personen- en familierecht (in andere zaken dan scheidingszaken) niet in algemene zin kan worden afgebakend. Welke persoon of instelling als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt bepaald – aan de ene kant – door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en – aan de andere kant – door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die betrokkene in die zaak belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv. In voornoemde uitspraak heeft de Hoge Raad verder overwogen dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) moet worden afgeleid dat een persoon, die aanspraak kan maken op bescherming van zijn familie- en gezinsleven dan wel zijn privéleven, een en ander zoals voorzien in artikel 8 lid 1 van het EVRM, tevens aanspraak erop kan maken dat hij in voldoende mate betrokken wordt in het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in dat familie- en gezinsleven respectievelijk dat privéleven (zie EHRM 6 oktober 2015, nr. 58455/13 (N.P./Moldavië)). Die aanspraak ziet mede op de gerechtelijke procedure, welke procedure op zichzelf tevens moet voldoen aan de eisen die voortvloeien uit artikel 6 EVRM. De door artikel 8 EVRM vereiste mate waarin en wijze waarop de belanghebbende bij het besluitvormingsproces wordt betrokken, is afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval en de aard en de mate van ingrijpendheid van de te nemen maatregelen.

5.7

Op grond van de in de vorige rechtsoverweging geformuleerde criteria dient het hof te onderzoeken of de omstandigheden van dit geval meebrengen dat de uithuisplaatsing van de kinderen een inmenging vormt in het gezinsleven van de (niet met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belaste) vader als bedoeld in artikel 8 lid 2 EVRM, en of het onderwerp van de onderhavige zaak kan leiden tot een rechterlijke beslissing die het recht op gezinsleven van de vader rechtstreeks raakt, met als gevolg dat de vader moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv, in verbinding met artikel 8 lid 1 EVRM. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval. Met de informatie zoals de vader die wel heeft gesteld maar niet heeft onderbouwd, kan het hof niet vaststellen in hoeverre er sprake is geweest van familieleven tussen de vader en de kinderen. Zo heeft de vader niet onderbouwd wat de duur en de invulling was van de omgang die hij zegt te hebben gehad met de kinderen. Wat wel vaststaat, is dat sinds de eerste betrokkenheid van de hulpverlening in 2015 geen informatie van de vader beschikbaar was en dat hij niet betrokken is geweest bij de hulpverlening. Sinds 2017 is de huidige gezinsmanager betrokken bij de kinderen en de moeder en ook zij heeft nooit contactgegevens van de vader gehad of op een andere manier contact met hem gehad. Gelet op die feiten is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan dat de vader kenbaar betrokken geweest bij de verzorging en opvoeding van de kinderen. Ook voor het overige heeft de vader geen omstandigheden aangevoerd, die maken dat de uithuisplaatsing van de kinderen een – voor de toets van artikel 798 lid 1 Rv relevante – inmenging vormt in zijn gezinsleven met de kinderen of dat deze uithuisplaatsing kan leiden tot een rechterlijke beslissing die het recht op gezinsleven van de vader rechtstreeks raakt, terwijl van dergelijke omstandigheden het hof ook niet ambtshalve is gebleken. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de vader niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de kwestie van de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , nu deze niet rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten en verplichtingen.

5.8

Nu de vader niet kan worden aangemerkt als belanghebbende, is hij niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep en komt het hof niet toe aan de inhoudelijke beoordeling daarvan.

5.9

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. A. van Haeringen en mr. J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier, en is op 30 augustus 2022 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.