Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:2514

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2022
Datum publicatie
10-09-2022
Zaaknummer
200.283.174/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg bonusregeling in arbeidsovereenkomst aan de hand van Haviltex-maatstaf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

Zaaknummer: 200.283.174/01

Zaaknummer rechtbank Amsterdam: 7439044 CV EXPL 19-39

arrest van de meervoudige kamer van 30 augustus 2022

in de zaak van

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. M.J.W. Hoek te Alphen aan den Rijn,

tegen

A’DAM SIX SENSES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.P. Dikker te Hoofddorp.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en A’DAM genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 6 april 2020 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2020, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en A’DAM als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

  • -

    memorie van grieven, met producties;

  • -

    memorie van antwoord, met producties.

Op 15 oktober 2021 heeft de mondelinge behandeling van het hoger beroep plaatsgevonden. Daarbij is namens [appellant] het woord gevoerd door zijn in de aanhef van dit arrest genoemde advocaat alsmede door mr. J.W.C. Hoek, advocaat te ’s-Gravenhage, en namens A’DAM door haar in de aanhef van dit arrest genoemde advocaat. Eerstgenoemden hebben zich bediend van gezamenlijke spreekaantekeningen die zijn overgelegd. [appellant] heeft twee aanvullende producties in het geding gebracht. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.

Vervolgens is arrest gevraagd.

[appellant] heeft zijn oorspronkelijk eis gewijzigd en geconcludeerd dat het hof, kort gezegd, het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – zijn vorderingen zoals in hoger beroep gewijzigd zal toewijzen, te weten: voor recht zal verklaren dat onder ‘brutowinst’ als bedoeld in artikelen 6.2 en 6.3 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt verstaan de totale brutowinst ofwel brutomarge van A’DAM en A’DAM te veroordelen tot betaling van de daaraan gekoppelde – nog resterende – bonus over de jaren 2016, 2017 en 2018, primair over de brutowinst van A’DAM als geheel en subsidiair over de brutowinst van restaurant [A.] in die jaren, een en ander zoals gepreciseerd aan het slot van de memorie van grieven, met veroordeling van A’DAM tot betaling van € 3.006,47 aan buitengerechtelijke kosten alsmede in de kosten van beide instanties, met nakosten en rente. A’DAM heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.

Beide partijen hebben bewijs aangeboden van hun stellingen.

2 Feiten

De kantonrechter heeft onder 1.1 tot en met 1.7 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

A’DAM exploiteert in de voormalige ‘Shell’-toren aan de IJ-oever in Amsterdam-Noord zes horecagelegenheden, thans genaamd A’DAM Toren. Deze horecagelegen worden ook wel outlets genoemd. Drie ervan zijn restaurants, te weten [A.] , [B.] en [C.] , ieder met een eigen chef-kok. [A.] is een restaurant op de [X] verdieping van de A’DAM Toren en is in mei 2016 geopend.

2.2

[appellant] is op 1 april 2016 bij A’DAM in dienst getreden als chef-kok [A.] tegen een bruto maandsalaris van € 3.500,00. In de arbeidsovereenkomst is verder de volgende bonusregeling opgenomen:

‘(…) Artikel 6: salaris

(…)

2. Werknemer heeft recht op een jaarlijkse bonusuitkering van 2% van de brutowinst (excl. belastingen en afschrijvingen). Elke maand wordt een voorschot hierop uitgekeerd aan de werknemer van € 500,-. Na afloop van het jaar wordt gekeken naar de te behaalde winst en wordt het voorschot verminderd van de behaalde bonus. Het maandelijkse voorschot kan niet worden teruggevorderd”.

3. Werknemer heeft recht op een jaarlijkse additionele bonusuitkering van 1% van de brutowinst (excl. belastingen en afschrijvingen) indien het inkooppercentage food gelijk of lager is dan 28% van de omzet food.’

Met ingang van 1 januari 2018 is het inkooppercentage voor deze additionele bonus gewijzigd in 30%.

2.3

Over 2016 heeft [appellant] behalve het afgesproken voorschot geen (additionele) bonus ontvangen en over 2017 naast het voorschot van € 6.000,00 bruto een bedrag van € 3.934,94 bruto. Over 2018 is – inmiddels – aan [appellant] een bonus naast het voorschot van € 6.000,00 bruto uitgekeerd van € 5.126,73 bruto.

2.4

De arbeidsovereenkomst tussen partijen is beëindigd per 1 augustus 2020 door middel van een vaststellingsovereenkomst. Daarbij is de vordering van [appellant] voor de – al dan niet aanvullende – bonussen uitgezonderd van de daarbij tevens verleende finale kwijting.

3 De beoordeling

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg, samengevat, een verklaring voor recht gevorderd dat onder het begrip ‘brutowinst’ in de artikelen 6.2 en 6.3 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden verstaan de totale brutowinst ofwel brutomarge van A’DAM. Verder heeft [appellant] gevorderd A’DAM te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 246.294,56 als het restant van de bonus over 2016 en 2017, althans een bedrag in goede justitie te bepalen. Ten slotte heeft [appellant] gevorderd A’DAM te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijk kosten en de proceskosten.

3.2

[appellant] heeft daartoe aangevoerd dat de hiervoor genoemde artikelen in de arbeidsovereenkomst zo moeten worden uitgelegd dat met het begrip ‘brutowinst’ wordt bedoeld de brutowinst van A’DAM als geheel en niet is beperkt tot de brutowinst van restaurant [A.] . Verder heeft [appellant] aangevoerd dat het begrip ‘brutowinst’ volgens de gangbare economische theorie moet worden gedefinieerd als de omzet van de verkochte producten minus de inkoopwaarde van de omzet (gelezen als geld dat wordt uitgegeven voor de inkoop van producten).

3.3

Na door A’DAM gevoerd verweer heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld tot betaling van de proceskosten en de nakosten. De kantonrechter heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat [appellant] onvoldoende heeft aangetoond dat partijen bij het aangaan van de bonusregeling de bedoeling hadden om uit te gaan van de brutowinst van A’DAM als geheel. Wat betreft de uitleg van het begrip ‘brutowinst’ heeft de kantonrechter overwogen dat A’DAM voldoende gedocumenteerd en gemotiveerd heeft aangetoond dat [appellant] volgens de geldende maatstaven redelijkerwijs niet mocht verwachten dat ‘brutowinst (exclusief belastingen en afschrijvingen)’ zo moet worden uitgelegd dat daaronder moet worden verstaan de totale brutowinst of brutomarge in de door [appellant] voorgestane uitleg (dus omzet minus de inkoopwaarde van die omzet). Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] in hoger beroep met grieven op.

3.4

Naast vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van zijn vorderingen betreffende 2016 en 2017 heeft [appellant] in hoger beroep ook betaling van een – aanvullende – bonus over 2018 gevorderd op basis van de door hem daartoe in eerste aanleg geformuleerde grondslag voor de berekening van de bonus over 2016 en 2017.

3.5

De grieven vallen uiteen in die welke het oordeel van de kantonrechter bestrijden dat als uitgangspunt voor de berekening van de bonus ‘slechts’ de brutowinst van het restaurant [A.] telt (grieven I tot en met VII, XI en XIII) en die welke betrekking hebben op de afwijzing door de kantonrechter van de door [appellant] voorgestane uitleg van het begrip ‘brutowinst’ voor de berekening van de hoogte van de bonus (grieven VIII tot en met X en XII). Grief XIV heeft geen zelfstandige betekenis.

Welke brutowinst is bepalend?

3.6

Als toelichting op de grieven die gericht zijn tegen het oordeel van de kantonrechter dat de bonusregeling slechts van toepassing is op de brutowinst van restaurant [A.] heeft [appellant] , samengevat, het volgende aangevoerd. Het is gebruikelijk in de horeca dat bij de werving van een chef-kok met de nodige ambitie deze participeert in de eigendomsstructuur van het restaurant dan wel een substantiële bonusontwikkeling geldt. Het was juist deze bonusregeling die [appellant] heeft doen besluiten in zee te gaan met het veel grotere A’DAM en afscheid te nemen van het goedlopende restaurant [D.] te Amsterdam. A’DAM heeft [appellant] met deze bonusregeling de mogelijkheid geboden te participeren in het succes van de nieuwe onderneming. De overeenkomst is bovendien gesloten met A’DAM, terwijl A’DAM – zeker aanvankelijk – geen onderscheid heeft gemaakt in het totale resultaat van de onderneming en het resultaat van de individuele restaurants. Onjuist is bovendien het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] geen of slechts marginale invloed had op de exploitatie van de andere restaurants in de A’DAM Toren, nu hij betrokken was bij werving van personeel voor die andere horecagelegenheden, verantwoordelijk was voor alle apparatuur en reparatie daarvan (ook) in die gelegenheden en het gebruik en onderhoud van de gemeenschappelijke keuken. Ook stuurde hij de keukenbrigade van die andere gelegenheden aan, terwijl hij daar ook wel eens kookte. Gezien alle inspanningen die [appellant] leverde bij deze ontwikkelingen en de rol van een chef-kok bij de ontwikkeling van een restaurant in het algemeen is het ook heel wel te verklaren dat hij een zodanig groot aandeel in het financieel resultaat van A’DAM had in de vorm van een aanzienlijke bonus, dat deze zijn basissalaris in aanzienlijke mate overtrof. De enkele berekening van A’DAM over de hoogte van de eventueel te verwerven bonus in het kader van de onderhandelingen op 11 februari 2016, die [appellant] overigens betwist, maakt nog niet dat deze berekening alsdan bepalend moet zijn voor de uitleg van de overeenkomst (nog afgezien van de omstandigheid dat de brutowinst van [A.] vele malen hoger lag dan in die berekening was aangenomen). Ten slotte: de koppeling die de kantonrechter legt met uitsluitend de brutowinst van restaurant [A.] als min of meer algemeen uitgangspunt voor de vraag of [appellant] aanspraak kan maken op een bonus, miskent dat in vele bonusregelingen (ook) een target is opgenomen voor de resultaten van een onderneming of divisie.

3.7

Voor de beoordeling van de vraag hoe de artikelen 6.2 en 6.3 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst moeten worden uitgelegd, geldt als uitgangspunt de zogenaamde Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). De kantonrechter heeft deze maatstaf ook als uitgangspunt genomen in het bestreden vonnis en daartegen is – terecht – geen grief gericht.

3.8.1

Het hof ziet geen grond om de duiding van de bonusafspraak zoals [appellant] die voorstaat, betrekking hebbend op de totale brutowinst van de horeca-activiteiten in de A’DAM Toren, te volgen. Daarvoor zijn met name de volgende omstandigheden redengevend.

3.8.2

Allereerst kan worden vastgesteld dat in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst de functie van [appellant] is aangeduid als ‘Chefkok [A.] ’, zonder dat daarbij sprake is van een soortgelijke functie in de andere restaurants ( [B.] en [C.] ), terwijl tussen partijen onbetwist is dat deze andere restaurants een eigen chef-kok hadden. Van een verdergaande, laat staan overstijgende verantwoordelijkheid van [appellant] voor de andere horecazaken in de A’DAM Toren blijkt niet uit de arbeidsovereenkomst. Dat [appellant] zich op sommige momenten bemoeid heeft met een aantal aspecten van de bedrijfsvoering in die andere horecazaken, maakt dat niet anders in die zin dat hij ervan uit kon en mocht gaan dat deze activiteiten – zeker in omvang en stelselmatigheid overigens uitvoerig en gedetailleerd bestreden door A’DAM – hem tot de eerst verantwoordelijke maakte voor het horecagebeuren in de A’DAM Toren. Bovendien, en dat blijkt voldoende uit de stellingen van partijen al dan niet aan de hand van de overgelegde stukken, was [appellant] bij het aangaan van de overeenkomst ervan op de hoogte dat er door A’DAM meerdere horecagelegenheden in de A’DAM Toren zouden worden geëxploiteerd, zodat het alsdan veeleer voor de hand zou hebben gelegen dat juist deze omstandigheid nadrukkelijk een rol zou hebben gespeeld bij het sluiten van de overeenkomst en de daartoe opgenomen tekst van de bonusafspraken.

3.8.3

Verder is door A’DAM – naar het oordeel van het hof door [appellant] onvoldoende overtuigend weersproken – aangevoerd dat in het kader van de onderhandelingen tussen partijen in het gesprek op 28 januari 2016 een rekenvoorbeeld op tafel is gekomen van de kant van A’DAM waarin ten aanzien van de eventueel te verdienen bonus als uitgangspunt de omzet/winst van restaurant [A.] is genomen. Dat sluit ook weer aan bij de Whatsapp-conversatie tussen [appellant] en [naam 1] van 28 januari 2016. [appellant] vraagt [naam 1] om een ‘duidelijk contract met een functieomschrijving en voorwaarden’, waarop [naam 1] reageert met: ‘(….) Functiebeschrijving hebben wij niet gedetailleerd maar komt neer op ‘verantwoordelijk voor de keuken in [A.] op operationeel, personeel, kwalitatief en financieel vlak’. Hierop heeft [appellant] gereageerd met ‘Top! Bedankt alvast’.

3.8.4

Wanneer de uitleg van [appellant] zou worden gevolgd zou dit betekenen dat hij aan bonus een veelvoud van zijn salaris (ook inclusief het tot € 500,00 beperkte maandelijkse voorschot) zou kunnen verdienen of, om met de kantonrechter te spreken, dat dit tot een resultaat zou leiden dat ‘cijfermatig niet in redelijke verhouding tot’ deze bedragen staat. Die uitkomst is daarom nogal onaannemelijk en pleit veeleer tegen het standpunt van [appellant] omtrent de bedoeling van partijen.

3.8.5

Ten slotte verdient het volgende overweging. [appellant] heeft nog gesteld dat het in de horecabranche gebruikelijk is dat een chef-kok ‘met sterallures’ participeert in de eigendomsstructuur van een restaurant dan wel dat hij aanspraak kan maken op een substantiële bonusontwikkeling. [appellant] heeft deze stelling echter onvoldoende toegelicht, zeker tegen de achtergrond van hetgeen in deze zaak feitelijk op tafel ligt aan omstandigheden als hiervoor reeds verwoord. Ook de stelling dat bij het afspreken van een bonus het niet ongebruikelijk is dat de bedrijfsresultaten in het algemeen – en waarop geen invloed is uit te oefenen – een rol kunnen spelen is veel te algemeen, om daar in dit verband een conclusie aan te kunnen verbinden.

3.8.6

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grieven voor zover gericht tegen het oordeel van de kantonrechter met betrekking tot de vraag welke brutowinst – van A’DAM als geheel of uitsluitend van [A.] – bepalend is voor de aanspraak op een bonus, niet kunnen slagen.

Uitleg begrip ‘brutowinst’

3.9

Tegen deze achtergrond is dan verder van belang of bij de in aanmerking te nemen brutowinst van [A.] voor de bepaling van de aan [appellant] toekomende bonus moet worden uitgegaan van de omzet minus de inkoop van producten, zoals [appellant] voorstaat, dan wel van de omzet minus alle kosten, zoals A’DAM voorstaat, in beide gevallen overigens exclusief belastingen en afschrijving.

3.10

In de toelichting bij de daarop gerichte grieven heeft [appellant] aangevoerd dat zijn uitleg van het begrip ‘brutowinst’ niet alleen strookt met de betekenis die daaraan in het economisch verkeer wordt toegekend (met een beroep op de daaraan door een hoogleraar gegeven uitleg), maar tevens dat ook de financieel directeur van A’DAM [naam 2] (hierna: [directeur] ) zich in diezelfde bewoordingen heeft uitgelaten in een gesprek op 1 november 2018. Een dergelijk standpunt blijkt volgens [appellant] verder uit de e-mail met een berekening van de bonus over 2016 tot en met 2018 van [directeur] van 4 juli 2019, die is gericht aan [appellant] .

3.11.1

Het hof overweegt als volgt. In de overeenkomst tussen partijen wordt in de betreffende artikelen 6.2 en 6.3 gesproken over een ‘brutowinst’. Zoals ook de kantonrechter reeds heeft aangegeven in het bestreden vonnis, kent dit economische begrip in de technische zin een uitleg als door [appellant] voorgestaan. Het verweer van A’DAM is erop gericht te betogen dat in dit geval daaronder echter moet worden verstaan de omzet minus alle operationele lasten (zoals inkoop, personele lasten, huur e.d.) maar zonder rekening te houden met belastingen en eventuele afschrijvingen. Het gaat daarbij in de opvatting van A’DAM, naar het hof begrijpt, veeleer om het fiscale/economische begrip van werkelijke winst (wat onder de streep overblijft). Dan blijft de vraag wat partijen precies bedoeld hebben te omschrijven in de arbeidsovereenkomst. Daarbij is niet zonder betekenis hoe partijen zich bij de uitvoering ervan hebben gedragen en of de door [appellant] voorgestane uitleg ook tot een in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verdedigbare uitleg leidt.

3.11.2

Allereerst valt op dat [appellant] zich nogal eenvoudig heeft neergelegd bij de berichtgeving over de brutowinst over 2016, waarin sprake was van een verlies te beschouwen als geen positief resultaat. Ook kan worden vastgesteld dat partijen zich bij de onderhandelingen over dit aspect in de overeenkomst niet specifiek hebben uitgelaten, anders dan in de vorm van een imaginaire berekening van die bonus in een gesprek op 28 januari 2016, waarbij evident sprake was van een reële of werkelijke winst (€ 700.000,00 à € 800.000,00).

3.11.3

Verder valt op dat met de door [appellant] voorgestane uitleg hij, ook bij een jarenlang operationeel verlies (lees: geen winst), toch steeds aanspraak zou kunnen blijven maken op een fors hogere bonus dan thans door A’DAM berekend, omdat alsdan geen rekening zou kunnen en mogen worden gehouden met die mede de winst bepalende lasten voor zover deze niet zien op de inkoop van de te gebruiken producten. Een dergelijke uitkomst strookt naar het oordeel van het hof niet met een in de verhouding tussen partijen redelijkerwijs verdedigbare uitleg van deze betreffende bepaling en is dus zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet voor de hand liggend.

3.11.4

Dat A’DAM in de persoon van [directeur] aanvankelijk de visie van [appellant] zou hebben ondersteund voor de uitleg van de omstreden bepalingen in de arbeidsovereenkomst, valt overigens ook niet in het gespreksverslag van 1 november 2018 te lezen. Het beroep op de e-mail van [directeur] van 4 juli 2019 is gezien de strekking van die e-mail, die immers de opvatting van A’DAM weergeeft, kennelijk een vergissing van [appellant] .

3.11.5

Het voorgaande brengt mee dat de grieven voor zover gericht tegen het oordeel van de kantonrechter met betrekking tot de uitleg van het begrip brutowinst, niet kunnen slagen.

Slotsom

3.12

Alle grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep. A’DAM heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten met nakosten en te vermeerderen met wettelijke rente. Volgens vaste rechtspraak (zie HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853) levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. Een veroordeling tot betaling van de proceskosten en de wettelijke rente daarover omvat dus een veroordeling tot betaling van de nakosten en de wettelijke rente daarover, met dien verstande dat de wettelijke rente over de nakosten die zijn verbonden aan noodzakelijke betekening van de uitspraak, is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. Het hof zal de nakosten en de wettelijke rente daarover niet afzonderlijk in de proceskostenveroordeling vermelden.

3.13

[appellant] heeft geen concrete stellingen te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden, zodat zijn bewijsaanbod daarom wordt gepasseerd.

4 Beslissing

bekrachtigt het bestreden vonnis;

wijst de eis van [appellant] zoals in hoger beroep gewijzigd af;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van A’DAM begroot op € 5.517,00 aan verschotten en € 9.702,00 voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten indien [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, I.A. Haanappel-van der Burg en A.C.M. Kuypers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 augustus 2022.