Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:2413

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2022
Datum publicatie
23-08-2022
Zaaknummer
200.266.420/01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Afschaffing jubileumregeling. Gerechtelijke erkentenis van de toepasselijkheid van de Arbeidsvoorwaardengids. Van nawerking van de [appellante]-cao is geen sprake. Het belang van [appellante] bij wijziging van de jubileumregeling in relatie tot het belang van [geïntimeerden] bij ongewijzigde toepassing van de jubileumregeling is zodanig zwaarwichtig dat het belang van [appellante] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet prevaleren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0946
JAR 2022/227
RAR 2022/147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.266.420/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 7125495 CV EXPL 18-17421

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 augustus 2022

inzake

[appellante] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal appel,
geïntimeerde in incidenteel appel

gemachtigde: mr. R.S. de Vries te Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde 1]

wonende te [woonplaats]
2. [geïntimeerde 2]
wonende te [woonplaats]
3. [geïntimeerde 3]
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden in principaal appel,
appellanten in incidenteel appel,

gemachtigde: A.M. Dielemans-Buiteman te Weert.

1 Het geding in hoger beroep

Appellante wordt hierna [appellante] genoemd. Geïntimeerden worden hierna afzonderlijk [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] en gezamenlijk (in meervoud) [geïntimeerden] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 21 juni 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 28 maart 2019, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers en [appellante] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 3 november 2021 doen bepleiten door de advocaten voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Bij deze gelegenheid heeft [appellante] producties in het geding gebracht. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.

[appellante] heeft in principaal appel samengevat gevorderd om het bestreden vonnis te vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - te verklaren voor recht:

(1) primair dat (de aanvulling op) het besluit tot wijziging van de jubileumregeling alsmede de uitvoering daarvan per 1 januari 2018 rechtmatig is en dat [geïntimeerden] hieraan zijn gebonden door het incorporatiebeding in hun arbeidsovereenkomsten en/of de werkingssfeerbepaling in de Arbeidsvoorwaardengids;

(2) subsidiair dat [appellante] op grond van artikel 7:613 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een zodanig zwaarwichtig belang heeft bij (de aanvulling op) het besluit tot wijziging van de jubileumregeling, dat het belang van [geïntimeerden] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid daarvoor moet wijken;

(3) meer subsidiair dat [appellante] op grond van artikel 7:611 BW is gerechtigd tot (de aanvulling op) het besluit tot wijziging van de jubileumregeling; en

(4) uiterst subsidiair dat [appellante] op grond van artikel 6:248 lid 2 BW dan wel artikel 6:258 BW gerechtigd is tot (de aanvulling op) het besluit tot wijziging van de jubileumregeling.

Zowel primair als (meer en uiterst) subsidiair heeft [appellante] gevorderd:

(5) om de vorderingen van [geïntimeerden] af te wijzen;

(6) om [geïntimeerde 1] c.s te veroordelen de door [appellante] teveel betaalde jubileumuitkering (op grond van artikel 8.8 van de Oude Arbeidsvoorwaardengids met inachtneming van de overgangsregeling op basis van 75%), verhoogd met de ten onrechte betaalde wettelijke rente en wettelijke verhoging terug te betalen aan [appellante] ; en

(7) om [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling aan [appellante] van de proces- en nakosten in beide instanties.

[geïntimeerden] hebben in principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, zo nodig onder aanvulling en verbetering van de gronden.

In incidenteel appel hebben [geïntimeerden] gevorderd om punt II van het bestreden vonnis te vernietigen voor zover daarin de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW slechts voor 25% is toegewezen en alsnog de wettelijke verhoging volledig, zonder enige beperking, toe te wijzen.

Tot slot hebben [geïntimeerden] gevorderd om, uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] in de proceskosten van het geding in hoger beroep, zowel in principaal als in incidenteel appel, te veroordelen.

[appellante] heeft in incidenteel appel geconcludeerd tot verwerping daarvan.

De behandeling van de zaak is aangehouden tot 11 januari 2022 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op de beschikking van dit hof, uitgesproken op 14 december 2021, in hoger beroep in de zaak [appellante] /Centrale Ondernemingsraad van [appellante] (met zaaknummer 200.275.261/01; hierna te noemen: de beschikking [appellante] /COR).

Daarnaast zijn [geïntimeerden] in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op de stelling van [appellante] dat [geïntimeerden] in hoger beroep niet mogen terugkomen op hun erkenning in eerste aanleg van de toepasselijkheid van de Arbeidsvoorwaardengids door zich in hoger beroep op het standpunt te stellen dat de Arbeidsvoorwaardengids niet van toepassing is.

Vervolgens zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:

- een akte tot uitlating over de beschikking [appellante] /COR van de zijde van [appellante] van 11 januari 2022;
- een akte tot uitlating over de beschikking [appellante] /COR van de zijde van [geïntimeerden] van 11 januari 2022;
- een antwoordakte van de zijde van [appellante] van 8 februari 2022;
- een antwoordakte van de zijde van [geïntimeerden] van 8 februari 2022.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

2.1.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1. tot en met 1.25. de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. [appellante] heeft met grief 1 betoogd dat deze feiten onjuist en/of onvolledig zijn. Voor zover van belang zal het hof met deze grieven hierna rekening houden. De feiten behelzen, waar nodig aangevuld met feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, het volgende.

2.2.

[appellante] (hierna: [appellante] ) is een onderneming die zich bezig houdt met de advisering op het gebied van informatietechnologie en met het ontwikkelen, produceren en uitgeven van software. [appellante] maakt onderdeel uit van [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ).

2.3.

[geïntimeerden] zijn in de periode 2000-2004 in dienst getreden bij een rechtsvoorgangster van [appellante] . [geïntimeerde 2] is per 1 juni 2000 bij [appellante] in dienst getreden als gevolg van een overgang van onderneming. In de aanstellingsbrief van [appellante] aan [geïntimeerde 2] is het volgende vermeld:
“Voor u zijn de arbeidsvoorwaarden van [bedrijf 2] van toepassing, aangevuld met een overgangsregeling. De overgangsregeling is vastgelegd in het overgangsprotocol.”

2.4.

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] zijn per 1 januari 2004 bij [appellante] in dienst getreden als gevolg van een overgang van onderneming. In de aanstellingsbrieven van [appellante] aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] is het volgende vermeld:
“Voor jou betekent dit, dat vanaf 1 januari 2004 de CAO van [appellante] Origin (inclusief bijlagen) én het hierboven genoemde overgangsprotocol (inclusief bijlagen) op jouw arbeidsovereenkomst van toepassing zijn. (…) Eventuele wijzigingen in de CAO worden tijdig aan jou bekend gemaakt.”

2.5.

Tot en met 31 december 2007 was de bedrijfseigen collectieve arbeidsovereenkomst van [appellante] (hierna: de [appellante] -cao) van toepassing op de arbeidsovereenkomsten van de werknemers van [appellante] . In 2008 is [appellante] met de COR een arbeidsvoorwaardenregeling overeengekomen die in de plaats kwam van de [appellante] -cao (hierna: de Arbeidsvoorwaardengids).

2.6.

In de Arbeidsvoorwaardengids 2017 is voor zover van belang het volgende bepaald:

1 Werkingssfeer

Deze Arbeidsvoorwaardengids is overeengekomen met de Centrale Ondernemingsraad van [appellante] en is van toepassing op de medewerkers van [appellante] (…).
In individueel overeengekomen arbeidsovereenkomsten gemaakte afspraken prevaleren boven het bepaalde in de arbeidsvoorwaardengids.
(…)
[appellante] behoudt zich het recht voor de in deze Arbeidsvoorwaardengids genoemde regelingen en bepalingen in te trekken of te wijzigen. [appellante] zal voornoemde wijzigingen alleen doorvoeren na overleg met, danwel – indien van toepassing – na instemming van de Centrale Ondernemingsraad.
Werkgever zal niet ten ongunste afwijken van de bepalingen zoals opgenomen in deze Arbeidsvoorwaardengids. Uitsluitend in individuele gevallen kunnen aanvullende afspraken ten gunste van medewerker worden gemaakt.
(…)

8.8

Jubileumregeling
Werkgever kent het 25- en 40-jarig dienstjubileum. Een dienstjubileum wordt bepaald door de duur van het dienstverband, voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. (…)
Bij het bereiken van een 25- en 40-jarig dienstjubileum, geldt dat medewerker 1 dag respectievelijk 2 dagen betaald verzuim (…) eenmalig mag opnemen.
De jubileumregeling bedraagt bij:
• een 25-jarig dienstjubileum één maandsalaris netto
• een 40-jarig dienstjubileum één maandsalaris netto.”

2.7.

Bij brief van 16 december 2016 heeft [appellante] een verzoek tot instemming bij de COR ingediend om de jubileumregeling aan te passen in die zin dat het extra maandsalaris komt te vervallen. Als reden daartoe heeft [appellante] de sterk dalende inkomsten en winstgevendheid van het bedrijf gegeven en de noodzaak om toch te kunnen blijven investeren in training en ontwikkeling. Op 19 en 22 december 2016 heeft [appellante] nadere informatie aan de COR gestuurd. In een e-mail van 20 december 2016 heeft de COR laten weten niet in te stemmen met dit verzoek. De COR heeft toegezegd later nog een nadere reactie te zullen toesturen.

2.8.

Bij brief van 29 december 2016 heeft [appellante] aan de COR meegedeeld dat zij een voldoende zwaarwegend belang heeft om tot beëindiging van de jubileumuitkering over te gaan. [appellante] heeft daarom besloten de jubileumuitkering met ingang van 1 januari 2017 te beëindigen op de wijze zoals beschreven in de instemmingsaanvraag van 16 december 2016.

2.9.

Bij brief van 9 januari 2017 heeft de COR een nadere reactie gegeven op het instemmingsverzoek tot beëindiging van de jubileumuitkering en nogmaals laten weten niet in te stemmen met het voorgenomen wijzigingsbesluit. Op 12 januari 2017 heeft de COR vervolgens per e-mail een beroep gedaan op de nietigheid van het voorgenomen wijzigingsbesluit.

2.10.

Medio januari 2017 zijn partijen in overleg getreden. Op 2 maart 2017 heeft een arbeidsvoorwaardenoverleg plaatsgevonden. In het verslag van dat overleg is onder meer het volgende vermeld:
“De Bestuurder en de COR onderzoeken nu of er mogelijkheid is om verder te praten over het afschaffen van de jubileumuitkering en een andere bestemming van de gereserveerde gelden of een flexibele oplossing. Genoemd door de COR wordt o.a. het creëren van een persoonlijk opleidingsbudget. VPHR geeft evenwel aan dat hij op korte termijn geen oplossingen ziet. De bestuurder wil deze discussie graag in een breder overleg over arbeidsvoorwaarden betrekken, zoals mobiliteit, etc. en de arbeidsvoorwaarden marktconform maken. De COR geeft aan het dossier in een apart overleg voorafgaand aan de AVW behandeld te willen zien. Immers is het een lopend instemmingstraject. (…)”

2.11.

Bij brief van 30 maart 2017 heeft [appellante] de uitvoering van het voorgenomen wijzigingsbesluit opgeschort tot 1 juni 2017. Nadien wordt de uitvoering vanwege de voortgang van het overleg nog enkele malen opgeschort.

2.12.

In de daarop volgende periode hebben er verschillende (arbeidsvoorwaarden)overleggen plaatsgevonden over het voorgenomen wijzigingsbesluit en heeft [appellante] de COR voorzien van nadere informatie en berekeningen.

2.13.

Op 28 september 2017 heeft er weer een arbeidsvoorwaardenoverleg plaatsgevonden. In het verslag van dat gesprek is voor zover van belang vermeld:
“HR is nog steeds in gesprek met de COR-commissie. Woensdag 27-09-17 is door HR aan de COR-commissie een voorbeeldberekening voorgelegd. De gesprekken lijken mogelijkheden te bieden om tot elkaar te komen, maar de COR geeft aan zich nog niet te kunnen vinden in het huidige voorstel omdat het onvoldoende tegemoet komt aan de uitgangspunten van de COR. De COR wil de rechten die medewerkers hebben opgebouwd volledig terugzien en dat is in het huidige voorstel niet het geval. (…) VPHR laat weten dat als de volledig opgebouwde rechten van medewerkers in een oplossing worden meegenomen, de uitgaven dan mogelijk in eerste instantie erg zullen stijgen. Het geld moet dan onmiddellijk beschikbaar zijn en dat is een probleem. De COR vraagt de bestuurder te communiceren over het uit te voeren besluit per 1 oktober 2017. VPHR geeft aan hierop terug te komen.”

2.14.

In een e-mail van 23 november 2017 heeft [appellante] een aanvulling op het besluit tot wijziging van de jubileumuitkering aan de COR voorgesteld. Deze aanvulling zou per 1 januari 2018 in werking treden en komt erop neer dat de te besparen uitgaven als gevolg van het afschaffen van de jubileumuitkering niet zullen worden toegevoegd aan de resultaten van de onderneming, maar zullen worden geïnvesteerd in een extra en individueel opleidingsbudget. De voorgestelde aanvulling luidt onder meer als volgt:

“Er komt een regeling voor een jaarlijks extra individueel opleidingsbudget, m.i.v. 2018. (…) Wie vóór het bereiken van de 68-jarige leeftijd een 40-jarig jubileum kan bereiken bij [appellante] en tegelijkertijd op de peildatum [hof: 1 januari 2018] meer dan 25 jaar in dienst is (en dus al een jubileumuitkering bij 25 jaar heeft genoten) ontvangt een jaarlijks extra individueel opleidingsbudget tot einde dienstverband (tot het bereiken van de 68-jarige leeftijd of zoveel eerder indien van toepassing, dus ook na het bereiken van het 40-jarige jubileum). De hoogte van dit extra individuele jaarlijkse opleidingsbudget wordt éénmalig op de peildatum vastgesteld en wordt bepaald door 5 factoren: het bruto maandsalaris, het parttime percentage, de hoogte van de uitkering vanwege de overgangsregeling (indien op de medewerker van toepassing), een ‘diensttijd’ factor en het aantal jaren tot aan pensioendatum.

In formule uitgedrukt: (…)

Wie vóór het bereiken van de 68-jarige leeftijd een 25-jarig jubileum kan bereiken bij [appellante] ontvangt op dezelfde wijze een jaarlijks extra individueel opleidingsbudget tot einde dienstverband (dus ook na het bereiken van het 25-jarig jubileum). De hoogte van dit extra individuele jaarlijkse opleidingsbudget wordt op dezelfde wijze éénmalig op de peildatum vastgesteld met behulp van dezelfde 5 factoren en dezelfde formule. (…)

Medewerkers zonder jubileumrechten hebben dus geen recht op dit jaarlijkse, extra opleidingsbudget. (…) Het aldus vastgestelde jaarbedrag voor extra individueel opleidingsbudget wordt dus individueel bepaald. (…)

In uitzonderingsgevallen kan het voorkomen dat besteding aan opleiding om de eigen inzetbaarheid te vergroten niet rationeel is; denk bijv. aan het laatste jaar vóór pensionering. In dat geval kan met het management een afspraak gemaakt worden voor andere besteding.”

[appellante] heeft de COR opnieuw verzocht om hiermee in te stemmen.

2.15.

Bij brief van 8 december 2017 heeft de COR aan [appellante] meegedeeld dat zij niet instemt met het voorliggende instemmingsverzoek en dat zij, indien nodig, een beroep doet op de nietigheid van het aanvullende besluit van 23 november 2017. De COR heeft toegezegd later nog een nadere reactie te zullen toesturen. De COR heeft negen uitgangspunten genoemd waaraan een nieuwe jubileumregeling zou moeten voldoen om alsnog tot overeenstemming te komen, waaronder het uitgangspunt dat een medewerker een persoonsgebonden budget naar keuze voor diverse doeleinden kan aanwenden (waarbij ook uitbetaling tot de mogelijkheden behoort).

2.16.

Bij brief van 15 december 2017 heeft [appellante] gereageerd op de bezwaren van de COR en geconcludeerd dat er nog slechts verschil van mening is over het uitgangspunt van de COR dat het de medewerker vrijstaat om een persoonsgebonden budget vrij aan te wenden (in plaats van alleen voor opleiding ter vergroting van de inzetbaarheid van de individuele werknemers).

2.17.

In een e-mail van 22 december 2017 heeft de COR aan [appellante] bericht dat er grote bezwaren bestaan bij de COR om per 1 januari 2018 over te gaan tot uitvoering van het voorgenomen besluit en dat er geen instemming is verleend. Voor het geval [appellante] toch zou doorzetten, doet de COR op voorhand uitdrukkelijk een beroep op de nietigheid van het besluit als bedoeld in artikel 27 lid 5 WOR.

2.18.

Bij brief van 29 december 2017 heeft [appellante] de COR laten weten dat zij zich zal houden aan hetgeen tijdens het arbeidsvoorwaardenoverleg van 21 december 2017 is afgesproken en uitvoering zal geven aan de aanpassing van de jubileumregeling, de invoering van een overgangsregeling, de verdere aanpassing van het ‘aangepaste besluit’ en de communicatie daarover. Op 12 januari 2018 heeft [appellante] deze brief per mail aan de COR toegestuurd. In reactie daarop heeft de COR bij brief van 29 januari 2018 ook een beroep gedaan op de nietigheid van het besluit van 29 december 2017.

2.19.

Nadien hebben er in het begin en in het voorjaar van 2018 opnieuw meerdere overleggen plaatsgevonden tussen [appellante] en de COR.

2.20.

Bij brief van 8 mei 2018 hebben de gemachtigden van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] namens hen bezwaar gemaakt tegen de uitvoering van de besluiten tot wijziging van de jubileumregeling en maken zij aanspraak op uitbetaling van de volledige jubileumuitkering conform artikel 8.8. van de Arbeidsvoorwaardengids 2017.

2.21.

Bij brief van 15 mei 2018 heeft [appellante] zich op het standpunt gesteld dat de nieuwe jubileumregeling met ingang van 1 januari 2018 definitief van kracht is en dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] onder de overgangsregeling vallen.

2.22.

In mei 2018 heeft [appellante] alle jubilarissen per mail bericht dat de jubileumuitkering met ingang van 1 januari 2018 is beëindigd en dat de overgangsmaatregel per die datum wordt uitgevoerd. Vervolgens is artikel 8.8 van de Arbeidsvoorwaardengids 2018 aangepast aan het besluit van 29 december 2017.

2.23.

Op 17 en 18 oktober 2018 heeft de Geschillencommissie van [appellante] de klachten van [geïntimeerde 3] respectievelijk [geïntimeerde 2] met betrekking tot het niet correct toepassen van de jubileumuitkering gegrond verklaard.

2.24.

In de beschikking [appellante] /COR van 14 december 2021 heeft het hof geoordeeld dat er geen instemming is vereist van de COR op grond van artikel 27 lid 1 Wet op de ondernemingsraden (hierna: de WOR) voor het besluit van [appellante] tot wijziging van de jubileumregeling. Ook is geen instemming van de COR vereist op grond van de in 2011 tussen [appellante] en de COR gesloten ondernemingsovereenkomst in de zin van artikel 32 lid 2 WOR. [appellante] heeft geen belang meer bij de verzochte geheimhouding van twee e-mails met bijgevoegde documenten, omdat deze documenten reeds openbaar zijn gemaakt. De verzochte verklaringen voor recht dat het voorgenomen besluit tot wijziging van de jubileumregeling geen instemmingsplichtig besluit als bedoeld in artikel 27 lid 1 WOR is en dat de COR ten onrechte een beroep heeft gedaan op de nietigheid daarvan op grond van artikel 27 lid 6 WOR, zijn toegewezen.

3 Beoordeling

3.1.

[geïntimeerden] hebben in eerste aanleg gevorderd - samengevat weergegeven – om (a) te verklaren voor recht dat het door [appellante] per 1 januari 2018 eenzijdig uitgevoerde besluit tot wijziging van de jubileumuitkering niet rechtmatig is; (b) [appellante] te veroordelen tot naleving van artikel 8.8. van de Arbeidsvoorwaardengids 2017 en (daarmee) tot betaling van (het restant van) de jubileumuitkering(en) aan [geïntimeerden] , te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% en met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de algehele voldoening; en (c) [appellante] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[appellante] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd primair tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] , subsidiair tot toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] zonder het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat [geïntimeerden] zekerheid stellen tot een bepaald bedrag, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.3.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de gevorderde verklaring voor recht dat het door [appellante] per 1 januari 2018 eenzijdig uitgevoerde besluit tot wijziging van de jubileumuitkering niet rechtmatig is, toegewezen. Ook heeft de kantonrechter [appellante] veroordeeld tot naleving van artikel 8.8. van de Arbeidsvoorwaardengids 2017 en tot betaling van (het restant van) de jubileumuitkeringen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de COR niet heeft ingestemd met de door [appellante] voorgestelde wijziging van artikel 8.8. van de Arbeidsvoorwaardengids met betrekking tot de jubileumuitkering. Daarnaast heeft de kantonrechter geoordeeld dat geen sprake is van een zodanig zwaarwegend belang aan de zijde van [appellante] bij de voorgestelde wijziging van de jubileumregeling dat de belangen van [geïntimeerden] zouden moeten wijken. Ook het beroep van [appellante] op artikel 7:611 BW, artikel 6:248 lid 2 BW en/of artikel 6:258 BW alsmede haar beroep op de solidariteit van de betrokken werknemers, slaagt niet. Tot slot is [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

3.4.

Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met haar grieven op.

Reconventionele vordering van [appellante] in hoger beroep

3.5.

[appellante] heeft in hoger beroep voor het eerst een eis in reconventie ingesteld. Artikel 353 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) staat hier echter aan in de weg. De desbetreffende vorderingen van [appellante] komen daarom niet voor toewijzing in aanmerking.

Beschikking [appellante] /COR

3.6.

In artikel 402 lid 1 Rv is bepaald dat het beroep in cassatie moet worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Het hof stelt vast dat de termijn waarbinnen cassatie kan worden ingesteld tegen de beschikking [appellante] /COR van 14 december 2021 inmiddels (ruimschoots) is verstreken. Gesteld noch gebleken is dat één van de partijen in die zaak cassatie heeft ingesteld tegen de beschikking. De beschikking [appellante] /COR is mitsdien op 14 maart 2022 in kracht van gewijsde gegaan. Voor zover nodig neemt het hof de (partijen bekende) gronden waarop de beschikking is gegeven hier over. Het hof gaat er in het navolgende derhalve vanuit dat het besluit van [appellante] tot wijziging van de jubileumregeling geen instemmingsplichtig besluit als bedoeld in artikel 27 lid 1 WOR is en niet nietig is op grond van artikel 27 lid 6 WOR.

Toepasselijke arbeidsvoorwaardenregeling

3.7.

[geïntimeerden] maken aanspraak op volledige uitbetaling van de jubileumuitkering. Zij beroepen zich daarbij in hoger beroep op de in de [appellante] -cao neergelegde arbeidsvoorwaarden, waaronder de jubileumuitkering. [geïntimeerden] zijn op grond van hun lidmaatschap van de FNV gebonden aan die [appellante] -cao. Volgens [geïntimeerden] heeft de [appellante] -cao nawerking omdat er geen nieuwe cao is gesloten nadat de [appellante] -cao was geëxpireerd. Nadien heeft [appellante] in 2008 wel in overleg met de COR de Arbeidsvoorwaardengids opgesteld, maar [geïntimeerden] hebben niet ingestemd met die Arbeidsvoorwaardengids. Deze regeling is daarom niet op hen van toepassing is, aldus [geïntimeerden]

3.8.

[appellante] betwist dat de [appellante] -cao op [geïntimeerden] van toepassing is. [appellante] stelt dat [geïntimeerden] in hoger beroep niet kunnen terugkomen op hun uitdrukkelijke en ondubbelzinnige erkenning in eerste aanleg dat de Arbeidsvoorwaardengids op hen van toepassing is. [geïntimeerden] hebben zich in eerste aanleg immers op het standpunt gesteld dat zij op grond van artikel 8.8. van de Arbeidsvoorwaardengids 2017 recht hebben op volledige uitbetaling van de jubileumuitkering. Door hun vordering in hoger beroep te baseren op de (nawerking van de) [appellante] -cao en zich op het standpunt te stellen dat de Arbeidsvoorwaardengids 2017 niet op hen van toepassing is omdat zij destijds niet hebben ingestemd met de (omzetting van de [appellante] -cao in de) Arbeidsvoorwaardengids, komen [geïntimeerden] in hoger beroep terug op hun erkenning in eerste aanleg dat de Arbeidsvoorwaardengids 2017 wel op hen van toepassing is. Volgens [appellante] kan dat niet.

3.9.

Op grond van artikel 154 lid 1 Rv is een gerechtelijke erkentenis het in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij. Van een erkentenis in de zin van deze wetsbepaling is dus eerst sprake indien de wederpartij een of meer stellingen poneert, die door de (andere) partij uitdrukkelijk als waarheid worden erkend. Daarvan is naar het oordeel van het hof in dit geval sprake. Beide partijen hebben immers (in eerste aanleg) gesteld dat de Arbeidsvoorwaardengids op [geïntimeerden] van toepassing is. Weliswaar stellen [geïntimeerden] dat de Arbeidsvoorwaardengids 2017 voor hen geldt terwijl [appellante] stelt dat de nieuwe Arbeidsvoorwaardengids 2018 van toepassing is op [geïntimeerden] , maar de toepasselijkheid van de Arbeidsvoorwaardengids (en niet de [appellante] -cao) was in eerste aanleg nimmer in geschil tussen partijen. De kantonrechter heeft dit bij zijn beoordeling ook als uitgangspunt genomen. Op grond van lid 2 van artikel 154 Rv kan een gerechtelijke erkentenis worden herroepen, indien aannemelijk is dat zij door een dwaling of niet in vrijheid is afgelegd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een goede procesorde eist dat een herroeping plaatsvindt zodra de herroepende partij daartoe de mogelijkheid heeft. [geïntimeerden] hebben evenwel niet aangetoond dat zij in eerste aanleg niet de gelegenheid hadden om dit standpunt aan te voeren of niet beschikten over de feiten die zij aan hun herroeping ten grondslag moesten leggen. Van dwaling of het niet in vrijheid afleggen van de erkentenis is geenszins sprake. Dit betekent dat [geïntimeerden] in hoger beroep niet kunnen terugkomen op hun erkenning dat de Arbeidsvoorwaardengids van toepassing is door hun vordering tot betaling van de volledige jubileumuitkering in hoger beroep op de [appellante] -cao te baseren (in plaats van op de Arbeidsvoorwaardengids 2017).

3.10.

Ook indien [geïntimeerden] in hoger beroep wel zouden kunnen terugkomen op hun erkenning in eerste aanleg van de toepasselijkheid van de Arbeidsvoorwaardengids, is het hof van oordeel dat hun beroep op nawerking van de op 31 december 2007 geëxpireerde [appellante] -cao niet kan slagen. Van nawerking van een cao is sprake indien de cao ook na afloop van haar geldingsduur haar gelding in de individuele arbeidsovereenkomst behoudt. Blijkens vaste rechtspraak is nawerking aanvaard voor in cao’s opgenomen arbeidsvoorwaarden die onderdeel zijn gaan uitmaken van de individuele arbeidsovereenkomsten van partijen die lid zijn van de verenigingen die de cao zijn aangegaan. Uit het systeem van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst vloeit dan voort dat die bepalingen, na afloop van de desbetreffende cao tussen hen blijven gelden, tenzij sprake is van andere individuele of collectieve afspraken (zie HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9386 en HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0580). In dit geval heeft [appellante] dergelijke andere collectieve afspraken gemaakt. Nadat de [appellante] -cao op 31 december 2007 was geëxpireerd, is [appellante] in 2008 de Arbeidsvoorwaardengids met de COR overeengekomen (in plaats van een nieuwe cao met de vakbonden). Nu [appellante] na expiratie van de [appellante] -cao andere collectieve afspraken heeft gemaakt, gelden de bepalingen uit deze cao sindsdien niet meer tussen partijen. Van nawerking van de cao is dan geen sprake meer. Van het buiten werking stellen van voor de werknemer gunstiger arbeidsvoorwaarden uit de [appellante] -cao door de inwerkingtreding van de Arbeidsvoorwaardengids, zoals door [geïntimeerden] is gesteld, is evenmin sprake. Niet is immers in geschil dat de arbeidsvoorwaarden in de [appellante] -cao en in de Arbeidsvoorwaardengids 2008 nagenoeg gelijk waren aan elkaar en dat in elk geval de jubileumregeling ongewijzigd is overgenomen in de Arbeidsvoorwaardengids 2008. Van een wijziging van de arbeidsvoorwaarden ten nadele van de werknemers was in 2008 geen sprake. Dat er later in 2018 wel een wijziging van de jubileumregeling ten nadele van de werknemers heeft plaats gevonden, doet daar niet aan af. De nawerking van de [appellante] -cao is immers al geëindigd sinds de inwerkingtreding van de Arbeidsvoorwaardengids in 2008. Dit betekent dat [geïntimeerden] hun verzoek om betaling van de volledige jubileumuitkering in hoger beroep ook om deze reden niet op de [appellante] -cao hebben kunnen baseren.

3.11.

Gelet op het voorgaande gaat het hof er in het navolgende vanuit dat niet de [appellante] -cao, maar de Arbeidsvoorwaardengids 2017 van toepassing was op de individuele arbeidsovereenkomsten van [geïntimeerden] ten tijde van de eenzijdig door [appellante] doorgevoerde wijziging en dat de vordering van [geïntimeerden] tot betaling van de volledige jubileumuitkering is gebaseerd op de Arbeidsvoorwaardengids 2017.

Eenzijdig wijzigingsbeding (artikel 7:613 BW)

3.12.

Met de grieven 3 en 11 betoogt [appellante] dat de werkingssfeerbepaling in de Arbeidsvoorwaardengids 2017 als een eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW moet worden aangemerkt. [appellante] stelt dat bij een juiste belangenafweging op grond van artikel 7:613 BW haar belang om de jubileumregeling te wijzigen dient te prevaleren boven het belang van de medewerkers om vast te houden aan de oude jubileumregeling. In de eerste plaats vanwege de zorgwekkende bedrijfseconomische situatie, daarnaast de in dat kader noodzakelijke verbetering van de inzetbaarheid van een grote groep medewerkers alsmede de dringende behoefte om haar arbeidsvoorwaarden te moderniseren. Het geringe nadeel van [geïntimeerden] als gevolg van de invoering van de jubileumregeling staat in schril contrast met de noodzaak om in te grijpen in deze situatie. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft [appellante] verwezen naar haar jaarrekeningen over 2016, 2017 en 2018 en de verklaringen van [naam 1] (algemeen directeur van [appellante] ; hierna: [A-D] ), [naam 2] (toenmalig CFO van [bedrijf 1] ) en [naam 3] (CFO van [appellante] ).

3.13.

In artikel 7:613 BW is bepaald dat de werkgever slechts een beroep kan doen op een schriftelijk beding dat hem de bevoegdheid geeft een in de arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarde te wijzigen, indien hij bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Artikel 1 van de Arbeidsvoorwaardengids 2017 bepaalt dat [appellante] zich het recht voorbehoudt om de in de Arbeidsvoorwaardengids genoemde regelingen en bepalingen in te trekken of te wijzigen (de werkingssfeerbepaling). Dit beding is weliswaar niet in de individuele arbeidsovereenkomsten van [geïntimeerden] opgenomen, maar (de bepalingen uit) de Arbeidsvoorwaardengids 2017 zijn wel van toepassing op hun arbeidsovereenkomsten (zie rov. 3.9.-3.11.). Blijkens vaste rechtspraak kunnen arbeidsvoorwaarden die niet zijn vastgelegd in een individuele arbeidsovereenkomst, doch in een schriftelijk vastgelegde collectieve regeling, worden gewijzigd op grond van een in die regeling neergelegd wijzigingsbeding. Een wijzigingsbeding in een individuele arbeidsovereenkomst dan wel, bij gebreke daarvan, toestemming van de individuele werknemer(-s) is dan niet zonder meer vereist (zie HR 18 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9570). Gelet hierop is het hof van oordeel dat deze werkingssfeerbepaling moet worden aangemerkt als een eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW.

3.14.

Zoals [appellante] heeft gesteld en [geïntimeerden] niet dan wel onvoldoende hebben betwist houdt de wijziging van de jubileumregeling in dat de jubileumregeling voortaan wordt beperkt tot de fiscale mogelijkheid om 1/12e deel van het jaarinkomen netto te laten uitbetalen, zolang deze fiscale mogelijkheid wettelijk is toegestaan, alsmede de mogelijkheid om eenmalig één (25-jarig jubileum) dan wel twee (40-jarig jubileum) extra vrije dagen op te nemen en het recht op vergoeding van een etentje of receptie. Het recht op een extra bruto maandsalaris is daarmee komen te vervallen. Op deze wijziging is een overgangsregeling van toepassing. Het budget dat hierdoor jaarlijks vrijkomt, komt ten goede aan de extra training, opleiding, bij- of omscholing van de medewerkers van [appellante] , bovenop het reguliere opleidingsbudget. De medewerkers van [appellante] hebben aldus jaarlijks recht op een extra opleidingsbudget tot het einde van het dienstverband. Dit extra individueel opleidingsbudget wordt gealloceerd aan de medewerkers naar rato van de daadwerkelijk opgebouwde jubileumrechten. Het persoonsgebonden budget kan aan opleidingen naar keuze worden besteed, mits dit voldoet aan een verbetering van de eigen inzetbaarheid.

3.15.

Het hof is allereerst van oordeel dat [appellante] voldoende heeft onderbouwd dat zij een zwaarwichtig bedrijfseconomisch belang heeft bij de wijziging van de jubileumregeling, omdat ze al sinds 2016 in een (zeer) verliesgevende situatie verkeert die noodzaakt tot arbeidsvoorwaardelijk ingrijpen. Uit de door [appellante] overgelegde jaarrekeningen over 2016, 2017 en 2018 kan worden afgeleid dat het al meerdere jaren financieel niet goed gaat met [appellante] . Na een nettowinst van € 20,6 miljoen in 2015 had [appellante] in 2016 een nettoverlies van € -14,6 miljoen. Dat verlies is in de daarop volgende jaren opgelopen tot een verlies van € -26 miljoen in 2018. Het hof is verder van oordeel dat [appellante] haar stelling dat er een bedrijfseconomische noodzaak is om de inzetbaarheid (ofwel de zogeheten ‘employability’) van ongeveer 40% van haar directe medewerkers te verbeteren, voldoende heeft onderbouwd. [appellante] heeft in dit verband toegelicht dat de veelal oudere groep van medewerkers met een verouderde kennis vergaand moeten worden bij- of omgeschoold om in de toekomst nog aansluiting te kunnen blijven maken met de eisen van de competitieve IT-markt en haar veeleisende klanten. Door de technologische ontwikkelingen en de sterke concurrentie op de IT-markt moeten professionals continue investeren in de eigen inzetbaarheid. Deze ontwikkelingen op de IT-markt en de noodzaak tot bij- of omscholing zijn niet (voldoende) weersproken door [geïntimeerden] Onder deze omstandigheden is begrijpelijk dat [appellante] een groot belang heeft bij het creëren van een extra individueel opleidingsbudget (naast het reeds bestaande opleidingsbudget). Uit de (als producties 38 en 49 in eerste aanleg door [appellante] overgelegde) verklaringen van [A-D] blijkt dat met het besluit tot wijziging van de jubileumregeling eenmalig een besparing van € 2,5 miljoen wordt behaald en een jaarlijkse besparing van ongeveer € 600.000,- (exclusief de kosten van de overgangsregeling). Voor bij- en omscholing van de betreffende groep medewerkers is evenwel een budget van ongeveer € 6 miljoen nodig. Daarnaast is jaarlijks nog een budget van € 2 miljoen noodzakelijk om de inzetbaarheid van de medewerkers ‘up to standard’ te houden. Het hof leidt hieruit af dat alleen de wijziging van de jubileumregeling (en de omzetting in een extra opleidingsbudget) niet voldoende is, maar wel een maatregel is om de inzetbaarheid van de medewerkers van [appellante] te verbeteren. Dat [appellante] zich voor deze opleidings- en/of jubileumkosten kan wenden tot de [appellante] Groep, zoals door [geïntimeerden] is gesteld, is niet gebleken. [appellante] heeft toegelicht dat zij onderdeel is van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] duidt op één van de Global Business Units (geografische regio’s) binnen de [appellante] Groep, die indirect wordt aangestuurd door de Franse aandeelhouder [appellante] S.E. [appellante] S.E. en [bedrijf 1] zijn beide winstgevend, maar dat geldt niet voor alle landenorganisaties zoals [appellante] . Ieder onderdeel binnen [appellante] S.E. is zelfstandig verantwoordelijk en kan niet bij de moederonderneming aankloppen voor steun. [appellante] is een zelfstandige entiteit met een eigen jaarrekening. Niet is gebleken van een zodanig hecht concernverband en een intensieve en indringende bemoeienis van de moedervennootschap met de bedrijfsvoering van de dochter, dat [appellante] ook haar moeder kan aanspreken voor haar kosten of schulden. Dat het vrijkomen van de jubileumgelden niet al direct op korte termijn het gewenste effect sorteert, maakt niet dat geen sprake is van een zwaarwichtig belang als bedoeld in artikel 7:613 BW. Een zwaarwichtig belang kan immers ook worden gevormd door een financieel belang om ook op langere termijn een bedrijfseconomisch verantwoorde situatie in stand te houden waarbij de continuïteit van de onderneming en de belangen van alle werknemers zoveel mogelijk zijn gewaarborgd. Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat [appellante] voldoende heeft onderbouwd dat zij een zwaarwichtig belang heeft bij de wijziging van de jubileumregeling.

3.16.

Tegenover het belang van [appellante] hebben [geïntimeerden] gesteld dat hun belang daar tegen opweegt. Aan [geïntimeerden] is jarenlang de betaling van de jubileumuitkering in het vooruitzicht gesteld en zij hebben daarmee rekening gehouden. Nu wordt ineens van hen verlangd dat zij een primaire arbeidsvoorwaarde inleveren, zodat de daarmee jaarlijks vrijgekomen besparing kan worden aangewend voor omscholing en opleiding. Dit terwijl [appellante] niet adequaat heeft gehandeld door haar werknemers niet up-to-date te houden. Dit is een omstandigheid die voor rekening van [appellante] komt. Als de noodzaak tot om- en bijscholing zo ernstig is en [appellante] in haar begroting rekening houdt met een reservering hiervoor, dan ligt het volgens [geïntimeerden] niet voor de hand om deze vrijgekomen voorziening hiervoor aan te wenden.

3.17.

Het hof is van oordeel dat het belang van [appellante] bij de wijziging van de jubileumregeling in relatie tot het belang van [geïntimeerden] bij ongewijzigde toepassing van de jubileumregeling zodanig zwaarwichtig is dat het belang van [appellante] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet prevaleren. [geïntimeerden] hebben niet betwist dat een deel van de medewerkers van [appellante] niet meer in staat is om aansluiting te vinden bij de huidige eisen van de IT-markt en van de klanten van [appellante] . Het is om die reden niet onbegrijpelijk dat [appellante] ervoor heeft gekozen om te investeren in opleiding en om- of bijscholing zodat wordt voorkomen dat een nog grotere groep medewerkers inactief wordt. Door deze maatregel (de omzetting van de extra jubileumuitkering in een extra individueel opleidingsbudget) wordt juist deze groep van (veelal oudere) medewerkers met verouderde kennis gestimuleerd tot om- of bijscholing. Indirect komen de gelden die vrijkomen als gevolg van het inleveren van de jubileumuitkering aan de (aankomend) jubilarissen ten goede in de vorm van een persoonlijk opleidingsbudget, naar rato van de opgebouwde jubileumrechten. Onder deze omstandigheden acht het hof het middel (de wijziging van de jubileumregeling) passend om het doel (de verbetering van de inzetbaarheid van een grote groep medewerkers) te bereiken. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat het nadeel van [geïntimeerden] bij de gewijzigde jubileumregeling beperkt blijft. Het betreft de afschaffing van een eenmalige jubileumuitkering tijdens een dienstverband van 25 jaar en/of 40 jaar. Daar komt bij dat [appellante] bij de afschaffing van de jubileumuitkering een overgangsregeling hanteert. [appellante] heeft toegelicht dat de jubileumuitkering op grond van de overgangsregeling in 3 jaar tijd wordt afgebouwd naar 50% in 2018, 25% in 2019 en 12,5% in 2020. [appellante] heeft, onder verwijzing naar productie 49a, gesteld en [geïntimeerden] hebben niet dan wel onvoldoende betwist dat voor [geïntimeerde 1] (die in 2018 het 25- jarig jubileum heeft bereikt) het inkomensnadeel slechts € 130,00 netto bedraagt. Daartegenover staat een individueel opleidingsbudget van, naar [geïntimeerden] zelf stellen, € 800,00 voor de komende jaren. [appellante] heeft, onder verwijzing naar productie 49b, gesteld en [geïntimeerden] hebben niet dan wel onvoldoende betwist dat voor [geïntimeerde 3] (die in 2018 het 40-jarig jubileum heeft bereikt) het inkomensnadeel slechts € 136,00 netto bedraagt. Daartegenover staat een individueel opleidingsbudget van, naar [geïntimeerden] zelf stellen, € 400,00. Ten aanzien van [geïntimeerde 2] (die in 2018 het 40-jarig jubileum heeft bereikt) hebben [geïntimeerden] wel het door [appellante] in productie 49c berekende inkomensnadeel van € 174,00 betwist en gemotiveerd aangevoerd dat dat nadeel iets meer dan € 1.000 bedraagt, tegenover een individueel opleidingsbudget van € 300,00. Ofschoon het door [geïntimeerden] gestelde inkomenseffect ten aanzien van [geïntimeerde 2] niet onaanzienlijk valt te noemen, staat daar wel enige compensatie in de vorm van het opleidingsbudget tegenover. Het geheel overziend, en dus met inachtneming van het door [geïntimeerden] gestelde concrete nadeel voor een ieder van hen, concludeert het hof dat het belang van [appellante] bij wijziging van de jubileumregeling zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerden] bij handhaving van de huidige jubileumregeling.

3.18.

Gelet op het voorgaande slagen de grieven 3 en 11. Nu [appellante] op grond van artikel 7:613 BW gerechtigd was om de jubileumregeling te wijzigen, is van strijd met goed werkgeverschap geen sprake. In zoverre slaagt ook grief 14. Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [geïntimeerden] niet voor toewijzing in aanmerking komen. De bestreden beschikking zal daarom vernietigd worden.

Instemming COR

3.19.

Met de grieven 4 tot en met 10 betwist [appellante] dat van instemming van de COR met het besluit tot wijziging van de jubileumregeling geen sprake is. Nu [appellante] op grond van artikel 7:613 BW gerechtigd was deze arbeidsvoorwaarde te wijzigen (zie rov. 3.15.-3.17.) en het besluit van [appellante] tot wijziging van de jubileumregeling geen instemmingsplichtig besluit als bedoeld in artikel 27 lid 1 WOR (zie rov. 2.24.), heeft [appellante] geen belang meer bij een bespreking van deze grieven.

Overige grieven

3.20.

Gelet op al het voorgaande heeft [appellante] geen belang meer bij een beoordeling van de vraag of [appellante] (ook) gerechtigd is om deze wijziging van de arbeidsvoorwaarden door te voeren op grond van artikel 7:611 BW, artikel 6:248 BW en/of artikel 6:258 BW (grief 12). Datzelfde geldt voor de vraag of [geïntimeerden] door middel van het dynamisch incorporatiebeding zijn gebonden aan de gewijzigde jubileumregeling (grief 2) dan wel op basis van haar beroep op de solidariteit van de betrokken werknemers (grief 13). Een bespreking van deze grieven is daarom niet nodig.

Proceskosten

3.21.

Gelet op het voorgaande is [appellante] in eerste aanleg ten onrechte in de kosten veroordeeld. Daarmee slaagt ook grief 15.

Incidenteel appel

3.22.

[geïntimeerden] hebben in incidenteel appel verzocht om de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW volledig en zonder enige beperking toe te wijzen (en niet op 25% vast te stellen, zoals de kantonrechter heeft gedaan). Nu [appellante] evenwel niet wordt veroordeeld tot naleving van artikel 8.8. van de Arbeidsvoorwaardengids 2017 en daarmee tot betaling van de volledige jubileumuitkering aan [geïntimeerden] , is er ook geen aanleiding om de wettelijke verhoging daarover toe te kennen.

Slotsom en kosten

3.23.

[geïntimeerden] hebben geen bewijs aangeboden van voldoende concrete feiten die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.

3.24.

De conclusie is dat de grieven 3, 11, 14 en 15 in principaal appel slagen en dat de grieven in incidenteel appel falen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en er zal worden beslist zoals in onderstaand dictum. [geïntimeerden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, zowel in principaal als in incidenteel appel.

4 Beslissing

Het hof:

in principaal en in incidenteel appel:

vernietigt het bestreden vonnis;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerden] af;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot deze kosten, tot op heden aan de zijde van [appellante] gevallen, in eerste aanleg op € 1.000,00 voor salaris en in principaal hoger beroep op € 822,83 aan verschotten en € 2.785,00 voor salaris en in incidenteel hoger beroep op € 1.392,50 aan salaris en op € 163,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 85,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.T. van der Meer, C.A.H.M. ten Dam en J.W. Rutgers en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2022.