Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:2388

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2022
Datum publicatie
30-08-2022
Zaaknummer
200.306.240/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen notaris. Vervaltermijn. Artikel 99 lid 21 Wet op het notarisambt. Belehrung. Taal van de akte. Tolk. Huwelijksvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.306.240/01 NOT

nummer eerste aanleg : SHE/2021/36

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 23 augustus 2022

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellante,

gemachtigde: mr. J.W.J. Schoonbrood, advocaat te Heerlen,

tegen

[geïntimeerde] ,

notaris te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde.

Partijen worden hierna klaagster en de notaris genoemd.

1 De zaak in het kort

De notaris heeft een akte van huwelijkse voorwaarden gepasseerd tussen klaagster en haar toenmalige partner (hierna: de man). Klaagster verwijt de notaris onzorgvuldig te hebben gehandeld door de akte te passeren zonder zich ervan te vergewissen dat klaagster de Nederlandse taal voldoende machtig was om de inhoud daarvan zonder aanwezigheid van een tolk te kunnen begrijpen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Klaagster heeft op 24 januari 2022 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de kamer) van 3 januari 2022 (ECLI:NL:TNORSHE:2022:3).

2.2.

De notaris heeft op 25 maart 2022 een verweerschrift bij het hof ingediend.

2.3.

Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.

2.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 12 mei 2022. Klaagster, vergezeld van haar gemachtigde en [tolk] (beëdigd tolk Nederlands/Spaans), en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van klaagster aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

3 Feiten

Samengevat komen de feiten neer op het volgende.

3.1.

Klaagster is geboren op [geboorteplaats] . Haar moedertaal is Spaans. Sinds februari 2006 woont zij in Nederland, waar zij destijds een relatie heeft gekregen met de man, met wie zij in 2008 is gaan samenwonen.

3.2.

Eind 2008/begin 2009 heeft een kantoorgenoot van de notaris voor klaagster en de man een samenlevingscontract opgesteld. Deze kantoorgenoot heeft de betreffende akte in het bijzijn van klaagster en de man gepasseerd. Bij het passeren is ook een beëdigd tolk Spaans/Nederlands aanwezig geweest, die de akte mede heeft ondertekend.

3.3.

De man heeft op 25 juli 2011 een woning gekocht en belast met een hypotheek. Klaagster en de man zijn samen in die woning gaan wonen.

3.4.

In verband met hun voorgenomen huwelijk heeft de man de notaris opdracht gegeven om tussen hem en klaagster huwelijkse voorwaarden op te stellen. Op 20 augustus 2012 heeft een intakegesprek met de notaris plaatsgevonden. De kandidaat-notaris die vervolgens de conceptakte huwelijkse voorwaarden heeft opgesteld, heeft die conceptakte ter beoordeling gestuurd naar het e-mailadres van de man.

3.5.

Op 30 augustus 2012 zijn klaagster en de man bij de notaris geweest en heeft de notaris een akte huwelijkse voorwaarden gepasseerd. Klaagster volgde destijds een inburgeringscursus.

3.6.

Klaagster en de man zijn op 5 september 2012 met elkaar gehuwd onder uitsluiting van elke gemeenschap van goederen. In artikel 12 van de akte huwelijkse voorwaarden is, voor zover van belang voor deze zaak, onder andere bepaald:

“1. Bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding (…) wordt tussen de echtgenoten (…)
afgerekend alsof de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen waren getrouwd.
(...)
8. Indien het huwelijk wordt ontbonden tengevolge van echtscheiding (…) wordt in de verrekening niet betrokken:
- de onroerende zaken die toebehoren aan [de man] en de daarbij

behorende hypotheekschuld en daaraan verbonden polissen dan wel

(spaar)plannen en dergelijke;”

3.7.

Het kantoor van de notaris heeft bij brief van 17 september 2012 afschriften van de akte huwelijkse voorwaarden aan klaagster en de man gestuurd naar het adres van de echtelijke woning.

3.8.

In 2020 heeft klaagster bij de rechtbank een verzoek ingediend tot het treffen van voorlopige voorzieningen bij echtscheiding. De man heeft op 26 oktober 2020 een verweerschrift ingediend tegen de gevraagde voorzieningen. In dat verweerschrift is verwezen naar de akte huwelijkse voorwaarden.

3.9.

De gemachtigde van klaagster heeft de notaris bij brief van 20 november 2020 bericht dat klaagster, die in 2012 maar weinig Nederlands kon verstaan, pas bij de echtscheidingsprocedure van de advocate van de man had begrepen dat zij in 2012 bij de notaris een akte huwelijkse voorwaarden had ondertekend. De gemachtigde van klaagster heeft de notaris aansprakelijk gesteld voor de schade die klaagster heeft geleden en zal lijden door zijn handelwijze.

3.10.

De notaris heeft bij brief van 10 december 2020 op de brief van de gemachtigde van klaagster gereageerd en elke aansprakelijkheid afgewezen.

3.11.

Bij brief van 22 april 2021 heeft de gemachtigde van klaagster op het standpunt van de notaris gereageerd, waarna de notaris bij brief van 28 mei 2021 op die brief van de gemachtigde van klaagster heeft gereageerd.

4 De klacht

Klaagster verwijt de notaris dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld omdat hij de akte huwelijkse voorwaarden heeft gepasseerd zonder dat klaagster vooraf op de hoogte was van de inhoud van die huwelijkse voorwaarden en zonder dat de notaris zich bij het passeren van de akte naar behoren ervan heeft overtuigd dat zij de Nederlandse taal voldoende machtig was om de inhoud daarvan zonder aanwezigheid van een tolk te kunnen begrijpen.

5 Beoordeling

5.1.

De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klaagster tegen de notaris niet-ontvankelijk verklaard omdat de klacht pas is ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de notaris waarop de klacht betrekking heeft, waarmee derhalve de vervaltermijn van drie jaren – als bedoeld in artikel 99 lid 21 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) – is overschreden.

Vervaltermijn

5.2.

Ingevolge artikel 99 lid 21 Wna kan een klacht slechts worden ingediend binnen drie jaar na de dag waarop de tot klacht gerechtigde persoon kennis heeft genomen van het handelen of nalaten dat tot tuchtrechtelijke maatregelen jegens de notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris aanleiding kan geven. Indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaar na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de notaris waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard. De wettelijke driejaarstermijn begint te lopen op de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de (kandidaat) notaris waarop de klacht betrekking heeft. Niet is vereist dat klager ook bekend is met de juridische (of tuchtrechtelijke) beoordeling van dat handelen of nalaten. De beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas later bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. Volgens de wetsgeschiedenis is het stellen van een termijn vanuit een oogpunt van rechtszekerheid nuttig en nodig omdat de notaris niet tot in lengte van jaren moet kunnen worden achtervolgd met onderzoeken over zijn handelen (Eerste Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 569, C, p. 3).

5.3.

Met de kamer is het hof van oordeel dat klaagster vanwege het verstrijken van de vervaltermijn niet-ontvankelijk is in haar klacht. Klaagster heeft op 30 augustus 2012 kennis genomen of redelijkerwijs kunnen nemen van het verweten handelen en/of nalaten van de notaris. Op dat moment is de vervaltermijn van drie jaar gaan lopen.

5.4.

Het verweer van klaagster dat de gevolgen van de verweten gedragingen in dit geval pas in oktober 2020 in het kader van de echtscheidingsprocedure bekend zijn geworden – en niet langer dan een jaar vóór indienen van het klaagschrift –sorteert geen effect. Ter zitting in hoger beroep heeft klaagster meegedeeld dat ze wist dat ze destijds een akte heeft getekend, maar dat ze toen dacht dat het over het huis ging en dat ze er eigenlijk niets van begreep. Het hof is van oordeel dat de gevolgen niet pas in oktober 2020 als redelijkerwijs bekend geworden zijn aan te merken. Gelet op de verklaring van klaagster op de zitting had het op haar weg gelegen om binnen drie jaar na 30 augustus 2012 onderzoek te doen naar de gevolgen van het handelen of nalaten van de notaris en te achterhalen waarvoor zij had getekend en – zo nodig - een klacht tegen de notaris in te dienen. Nu zij dat niet heeft gedaan, komt dit voor haar rekening en risico. Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die een ander oordeel rechtvaardigen.

5.5.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hof van oordeel is dat de klacht tegen de notaris terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het hof zal de beslissing van de kamer daarom bevestigen.

6 Beslissing

Het hof:

- bevestigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Lieber, A.R. Sturhoofd en J.T.A. van der Stok en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2022 door de rolraadsheer.