Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:2146

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-04-2022
Datum publicatie
25-07-2022
Zaaknummer
23-001937-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

feitelijk leiding geven aan onjuiste aangiften loonheffing. 6 maanden gevangenisstraf, waarvan 2 maanden voorwaardelijk. Proeftijd 3 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-7-2022
FutD 2022-2181
V-N Vandaag 2022/1959
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001937-21

datum uitspraak: 21 april 2022

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 24 juni 2021 in de strafzaak onder parketnummer 81-293124-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

[Bedrijf] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 28 augustus 2018 in Wormer en/of Purmerend en/of in Apeldoorn, althans in Nederland (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) loonheffing ten name van [Bedrijf] over het/de aangiftetijdvak(ken), te weten

-over de maand januari 2017 en/of

-over de maand februari 2017 en/of

-over de maand maart 2017 en/of

-over de maand april 2017 en/of

-over de maand mei 2017 en/of

-over de maand juni 2017 en/of

-over de maand juli 2017 en/of

-over de maand augustus 2017 en/of

-over de maand september 2017 en/of

-over de maand oktober 2017 en/of

-over de maand november 2017 en/of

-over de maand december 2017 en/of

-over de maand januari 2018 en/of

-over de maand februari 2018 en/of

-over de maand maart 2018 en/of

-over de maand april 2018 en/of

-over de maand mei 2018 en/of

-over de maand juni 2018 en/of

-over de maand juli 2018 en/of

-over de maand augustus 2018

onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of laten doen, immers heeft [Bedrijf] (telkens) opzettelijk op de/het bij de Inspecteur der Belastingen of de Belastingdienst (digitaal) ingediende aangifte(n) loonheffing over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) (telkens) (een) onjuist(e) bedrag(en) aan belastbaar loon en/of (een) onjuist(e) bedrag(en) aan verschuldigde/te ontvangen loonbelasting opgegeven en/of vermeld, althans doen (laten) opgeven en/of vermeld terwijl dat/die feit(en) (telkens) er toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Hiertoe is kort gezegd het volgende aangevoerd. Verdachte betwist niet dat hij in de ten laste gelegde periode feitelijk leidinggever was van [Bedrijf] en in die hoedanigheid verantwoordelijk was voor onder meer de aangiften loonheffing. De verdachte heeft ten behoeve van [Bedrijf] een payrolbedrijf in de arm genomen, [bedrijf 2]. Met dit bedrijf heeft hij besproken dat hij voor een periode van 5 jaar gebruik wilde maken van de afdrachtsvermindering loonheffing in het kader van de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (hierna: WBSO) en afgesproken dat zij de daartoe vereiste S&O-verklaring zou aanvragen, welke afspraak is bevestigd in een e-mail van 22 december 2013. De verdachte verkeerde op grond van deze afspraak in de veronderstelling dat de betreffende verklaring was verstrekt en dat [Bedrijf] in aanmerking kwam voor het toepassen van afdrachtsvermindering loonheffing. Derhalve zijn de aangiften niet opzettelijk onjuist ingediend.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

De verdachte was in de ten laste gelegde periode enig bestuurder van Stichting [stichting] welke stichting bestuurder en tevens enig aandeelhouder was van [Bedrijf] Niet betwist wordt dat de verdachte in die hoedanigheid is aan te merken als feitelijk leidinggever van [Bedrijf]

Evenmin is betwist dat de aangiften loonbelasting van [Bedrijf] over de tijdvakken januari 2017 tot en met augustus 2018 telkens tweemaal zijn gedaan: een eerste maal door de [bedrijf 1], een door de verdachte in de arm genomen administratie- en belastingadvieskantoor, en een tweede maal door de verdachte zelf, waarbij de eerste aangifte werd overschreven en een nihil aangifte werd gedaan, zodat geen loonbelasting werd aangegeven en afgedragen.

Aan [Bedrijf] is over de jaren 2017 en 2018 geen S&O-verklaring afgegeven. De verdachte baseert zijn stelling, dat hij ervan uit mocht gaan dat een dergelijke verklaring wel voorhanden was, enkel op een ter zitting in hoger beroep overgelegd e-mailbericht van 22 december 2013 van [bedrijf 2] (van [accountmanager], senior accountmanager) aan de verdachte, waarin [bedrijf 2] bevestigt dat zij voor [Bedrijf] alle vereiste inschrijvingen en beschikkingen voor de afdrachtsvermindering regelt, voor een periode van vijf jaar.

Het hof is van oordeel dat de verdachte op basis van dit enkele e-mailbericht van 22 december 2013 er geenszins op had mogen vertrouwen dat de betreffende S&O-verklaring voor [Bedrijf] was aangevraagd, laat staan afgegeven. De verdachte heeft nimmer van [bedrijf 2] een bevestiging ontvangen dat de verklaring daadwerkelijk was aangevraagd of afgegeven en heeft ook zelf nooit een S&O-verklaring ten behoeve van [Bedrijf] ontvangen. Verder heeft de verdachte naar eigen zeggen na drie maanden het contract met [bedrijf 2] verbroken om vervolgens geen enkele nadere actie te ondernemen met betrekking tot de status van de S&O-aanvraag die door dit bedrijf zou worden ingediend. Uit een e-mailwisseling tussen de FIOD en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland op pagina’s 332 tot en met 334 van het dossier blijkt dat er voor (bedrijven van) de verdachte ook nooit enige S&O-verklaring is aangevraagd. Daarbij acht het hof het op zijn minst opmerkelijk dat de verdachte bedoeld e-mailbericht van [bedrijf 2] van 22 december 2013 eerst ter zitting in hoger beroep van 7 april 2022 heeft overgelegd, terwijl dat e-maibericht – naar hij ter zitting heeft verklaard – voor hem destijds ‘het belangrijkste’ was. Dat de verdachte telkens achteraf zelf de aangiftes corrigeerde in plaats van deze meteen in een keer door de [bedrijf 1] te laten doen, het opvolgend administratiekantoor, geeft in dit opzicht ook te denken.

Gelet op al het voorgaande concludeert het hof dat, nu er nimmer een S&O-verklaring aan [Bedrijf] is afgegeven, en de verdachte er op geen enkele wijze van uit had mogen gaan dat dit wel het geval was, afdrachtsvermindering loonheffing niet was toegestaan, zodat de namens [Bedrijf] gedane (nihil)aangiften over de tijdvakken januari 2017 tot en met augustus 2018 opzettelijk onjuist zijn ingediend en het tenlastegelegde aldus wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

[Bedrijf] op tijdstippen in de periode van 1 januari 2017 tot en met 28 augustus 2018 in Nederland telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte loonheffing ten name van [Bedrijf] over de aangiftetijdvakken over de maanden januari 2017, februari 2017, maart 2017, april 2017, mei 2017, juni 2017, juli 2017, augustus 2017, september 2017, oktober 2017, november 2017, december 2017, januari 2018, februari 2018, maart 2018, april 2018, mei 2018, juni 2018, juli 2018 en augustus 2018 onjuist heeft gedaan, immers heeft [Bedrijf] telkens opzettelijk op de bij de Inspecteur der Belastingen of de Belastingdienst digitaal ingediende aangifte loonheffing over genoemde aangiftetijdvakken telkens een onjuist bedrag aan belastbaar loon en een onjuist bedrag aan verschuldigde loonbelasting opgegeven terwijl die feiten telkens er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een beroepsverbod, inhoudende dat de verdachte geen beroep zal uitoefenen waarbij hij zich bezig houdt met belastingaangiften van derden, voor de duur van drie jaar.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft door zijn handelen de Belastingdienst benadeeld voor een bedrag van € 66.637,- en het door de Belastingdienst gehanteerde systeem, dat erop berust dat steeds op de juistheid van de gedane aangiften en onderliggende administratie moet kunnen worden vertrouwd, ernstig ondergraven. De verdachte lijkt het onjuiste van zijn handelen, gelet op zijn houding ter zitting, nog steeds niet in te zien.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 maart 2022 is de verdachte eerder veroordeeld voor verduistering. Het hof neemt dit mee in het nadeel van de verdachte.

Gelet op de ernst van de feiten en de hoogte van het benadelingsbedrag kan het hof niet met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf volstaan. Ter voorkoming van recidive zal het hof een gedeelte van deze straf voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaren.

Een taakstraf, al dan niet gecombineerd met een voorwaardelijke straf, zoals door de raadsvrouw bepleit, doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 68, 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. M. Senden en mr. A.J. van Es, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 april 2022.

mr. S. Geensen en mr. A.J. van Es zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[bedrijf 2]

.