Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:207

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2022
Datum publicatie
31-01-2022
Zaaknummer
K21/230185
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klacht toewijzen, politiegeweld, schieten door politieagent, verdachte overleden, beoordeling wel of niet sprake van putatief noodweer (verschoonbare dwaling) en/of gerechtvaardigd aanhoudingsvuur en proportionaliteit i.c. aan strafrechter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

beklagkamer

rekestnummer K21/230185

Beschikking op het beklag van:

[klagers]

,

klagers,

woonplaats kiezende op het kantooradres van de gemachtigde: mr. P.B. Spaargaren, advocaat te Den Haag.

1 Het beklag

Het hof heeft op 21 april 2021 het klaagschrift ontvangen, na beschikking van het hof Den Haag om het beklag te verwijzen naar dit hof. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland om geen strafvervolging in te stellen tegen een politieambtenaar, in het dossier aangeduid als G01, (hierna: beklaagde) ter zake van een schietincident op 8 oktober 2018 ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 25 augustus 2021 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3 De voorhanden stukken

Het hof heeft kennisgenomen van:

- het klaagschrift en de aanvulling daarop;

- het verslag van de advocaat-generaal;

- het dossier van de politie;

- het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland van 6 april 2020;

- de sepotbrief van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland van 4 oktober 2019.

4 De behandeling in raadkamer

Het hof heeft klagers in de gelegenheid gesteld op 28 oktober 2021 het beklag toe te lichten. Klagers zijn, bijgestaan door de gemachtigde, in raadkamer verschenen en hebben het beklag toegelicht en gehandhaafd.

Voorts heeft het hof beklaagde in de gelegenheid gesteld op 16 december 2021 te worden gehoord. Beklaagde is, daarbij bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. M.J.N. Vermeij, advocaat te Den Haag, in raadkamer verschenen en heeft het hof verzocht de klacht af te wijzen.

De advocaat-generaal is bij de behandelingen in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft deze geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5 De beoordeling van het beklag

In de nacht van 7 op 8 oktober 2018 heeft in de Breestraat in Delft een schietincident plaatsgevonden. Beklaagde heeft daar toen, als dienstdoende politieambtenaar, vijf schoten gelost richting [slachtoffer] . Als gevolg hiervan is [slachtoffer] , de zoon en (stief)broer van klagers, komen te overlijden.

Voor de weergave van de overige feitelijke uitgangspunten die van belang zijn voor de beoordeling verwijst het hof naar de inhoud van het ambtsbericht en het verslag.

De overwegingen van het hof

Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.

Het dossier bevat voldoende aanwijzingen dat door het handelen van beklaagde [slachtoffer] is komen te overlijden. Het openbaar ministerie overweegt in zijn sepotbrief dat het handelen van beklaagde gerechtvaardigd was op grond van putatief noodweer. Er was gelet op alle feiten en omstandigheden sprake van een verschoonbare dwaling ten aanzien van de feiten, er was geen redelijk alternatief om op dit incident te reageren en het schieten was in dit geval als proportioneel aan te merken. Het was beklaagde geoorloofd om zijn dienstwapen te gebruiken om de bijrijder van de scooter aan te houden. Aldus het openbaar ministerie.

Klagers zijn van mening dat beklaagde anders had kunnen en moeten handelen. In het klaagschrift en bij de behandeling in raadkamer zijn door klagers ten aanzien van dit handelen diverse vragen opgeworpen.

Het hof is van oordeel dat in deze zaak de feiten en omstandigheden dermate complex zijn, dat in deze zaak een zorgvuldige inhoudelijke beoordeling door de strafrechter op zijn plaats is. Het is bij uitstek deze rechter die de afweging kan maken of er sprake is van een strafbaar feit waarvoor beklaagde moet worden veroordeeld, dan wel dat beklaagde een geslaagd beroep kan doen op een rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond en dientengevolge moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Indien bewezen, gaat het om een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en het familieleven van klagers. Daarmee is er voldoende algemeen belang bij strafvervolging.

Het hof zal daarom als volgt beslissen.

6 De beslissing

Het hof beveelt de officier van justitie om de politieambtenaar, in het dossier aangeduid als G01 te vervolgen ter zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft.

Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op

31 januari 2022 door mrs. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, P.F.E. Geerlings en H.A.G. Nijman, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. P. de Haas, griffier, en ondertekend door de oudste raadsheer en de griffier.