Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:2056

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-07-2022
Datum publicatie
13-07-2022
Zaaknummer
23-000716-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na overtreden beroepsverbod

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000716-21

datum uitspraak: 13 juli 2022

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 maart 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-650192-19 tegen de betrokkene:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan.

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op een bedrag van € 89.250,00.

De vordering van de officier van justitie vindt haar grondslag in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (het ontnemingsrapport) van 27 januari 2020.

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 maart 2021 -kort gezegd- onder meer veroordeeld ter zake van overtreding van het aan hem bij vonnis van 20 april 2012 van de rechtbank Amsterdam opgelegde beroepsverbod voor de duur van tien jaren.

Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 3 maart 2021 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 88.500,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 juli 2022 veroordeeld ter zake van -kort gezegd- het overtreden van het aan hem bij vonnis van 20 april 2012 van de rechtbank Amsterdam opgelegde beroepsverbod.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de betrokkene en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 89.250,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen, nu geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat de betrokkene dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde in de onderhavige strafzaak. Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof wat de situatie van slachtoffer 6 betreft.

Oordeel van het hof

Op grond van het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kan op vordering van het Openbaar Ministerie bij afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit dat feit. Daartoe moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van het bewezenverklaarde.

De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 juli 2022 ten aanzien van slachtoffer 6 veroordeeld ter zake van het overtreden van het aan hem bij vonnis van 20 april 2012 van de rechtbank Amsterdam opgelegde beroepsverbod. Het hof is van oordeel dat de betrokkene door het overtreden van dit beroepsverbod voordeel heeft verkregen. Het hof komt tot deze beslissing op grond van de feiten en omstandigheden uit de bewijsmiddelen zoals die in het arrest van 13 juli 2022 in de onderliggende strafzaak zullen worden opgenomen indien er een rechtsmiddel wordt ingesteld, evenals het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 27 januari 2020.

Het hof komt tot de vaststelling dat de verdachte in totaal € 20.000,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten voor de behandeling van slachtoffer 6.1

Verplichting tot betaling aan de Staat

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, dan ook de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 20.000,00.

Vooralsnog is niet aannemelijk geworden dat de betrokkene nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.

Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door de betrokkene te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan de hiervoor vastgestelde hoogte van de betalingsverplichting.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 120 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. M.M.H.P. Houben en mr. A.M.P. Geelhoed,

in tegenwoordigheid van mr. W. Albers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 juli 2022.

Mr. Van der Wilt is niet in staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[geboorteplaats]

1 .