Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:1981

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2022
Datum publicatie
14-07-2022
Zaaknummer
200.300.505/ 01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.300.505/ 01

zaaknummer rechtbank: C/15/311826 / FA RK 21-65

beschikking van de meervoudige kamer van 5 juli 2022 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.F.M. Deijkers te Hoorn,

en

[de man] ,

wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. E.B. Warmerdam-Wolfs te Alkmaar.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 1 juli 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 30 september 2021 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 juli 2021.

2.2

De man heeft op 17 november 2021 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een bericht van de zijde van de vrouw van 11 maart 2022 met bijlagen, ingekomen op 14 maart 2022;

- een bericht van de zijde van de man van 17 maart 2022 met bijlage, ingekomen op 18 maart 2022.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 28 maart 2022 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.5

Na de mondelinge behandeling heeft de man bij journaalbericht van 11 april 2022 stukken in het geding gebracht. De vrouw heeft daarop gereageerd bij brief van 3 mei 2022.

3 De feiten

3.1

Partijen hebben tot februari 2016 een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2015. De man heeft [minderjarige] erkend. [minderjarige] woont bij de vrouw.

In het kader van een zorgregeling is [minderjarige] de ene week van donderdag 14.30 uur tot maandag 8.30 bij de man en in de andere week van donderdag 14.30 uur tot vrijdag 17.00 uur. Verder is [minderjarige] gedurende de helft van de schoolvakanties bij de man.

3.2

Ter zitting van 20 mei 2019 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) zijn partijen een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] overeengekomen van € 400,- per maand, totdat door de bodemrechter anders is bepaald.

Na indexering bedroeg de bijdrage in 2021 € 422,30 per maand.

3.3

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de overeenkomst van partijen van 20 mei 2019 in zoverre, een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] bepaald van € 79,- per maand met ingang van 6 januari 2021.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man, met dien verstande dat hij primair had verzocht de ingangsdatum op 1 september 2020 te bepalen.

4.2

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, primair de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, subsidiair de bijdrage te berekenen op basis van de onttrekkingen van de man van € 52.023,25 en meer subsidiair een zodanige bijdrage te bepalen met ingang van een zodanige datum als het hof juist zal achten.

4.3

De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De behoefte van [minderjarige] van € 1.085,- per maand in 2021 wordt door partijen niet betwist en staat dus vast.

5.2

De man heeft verzocht om wijziging van de tussen partijen overeengekomen bijdrage, omdat zijn draagkracht die bijdrage niet langer toelaat vanwege de dalende omzet van zijn onderneming. Hij heeft een hoveniersbedrijf in de vorm van een eenmanszaak, genaamd [eenmanszaak] . De winst van de onderneming bedroeg van 2018 tot en met 2021 respectievelijk € 16.627,- negatief, € 4.440,-, € 65.171,- negatief en € 27.598,-.

De vrouw stelt dat niet van deze cijfers moet worden uitgegaan, maar van de (hogere) onttrekkingen uit de onderneming van de man. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij de jaarstukken van de man op verschillende punten in twijfel getrokken, zoals ten aanzien van de kantoorkosten. Verder heeft zij betoogd dat niet duidelijk is waarvan de man heeft geleefd nu de winst van de man niet voldoende was om in de kosten van zijn levensonderhoud te voorzien. Daarnaast heeft zij erop gewezen dat de man een nieuwe woning annex bedrijfspand heeft gekocht voor € 850.000,- terwijl hij zijn vorige woning voor € 300.000,- heeft verkocht. Uit dat gegeven leidt de vrouw af dat de man over meer inkomsten/vermogen beschikt dan de jaarcijfers van zijn onderneming laten zien.

5.3

Ter zitting in hoger beroep heeft de man een toelichting gegeven op zijn financiële omstandigheden. Hij is door het hof voorts in de gelegenheid gesteld stukken in te dienen waaruit blijkt waarvan hij heeft geleefd in 2021 en hoe hij zijn nieuwe woning heeft gefinancierd. Gezien die stukken (alsmede de overige stukken van het dossier) en de toelichting daarop door de man, alsook zijn verklaring ter zitting in hoger beroep, is het hof van oordeel dat voor de bepaling van de draagkracht van de man dient te worden uitgegaan van zijn jaarcijfers. De vrouw heeft haar stelling dat van de onttrekkingen moet worden uitgegaan onvoldoende onderbouwd. Het hof komt als volgt tot dat oordeel.

5.4

Uit de door de man in het geding gebrachte aanslagen van 2018 tot en met 2020 blijkt dat de Belastingdienst, anders dan de vrouw stelt, de aangiften van de man heeft gecontroleerd. De man heeft bovendien een e-mail van 27 januari 2021 in het geding gebracht waarbij de Belastingdienst het rapport van het boekenonderzoek aan de accountant heeft gestuurd. Deze controle door de Belastingdienst is een belangrijke aanwijzing dat de man niet méér inkomsten heeft dan zijn stukken tonen.

5.5

Daarnaast is het hof van oordeel dat de man voldoende heeft uitgelegd waarvan hij heeft geleefd (en de alimentatie van heeft voldaan) toen hij een negatieve winst had. Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat hij inboedel heeft verkocht voor respectievelijk € 7.600,-, € 6.290,- en € 1.400,-. Verder heeft hij een bedrag van € 6.400,- van zijn ouders geschonken gekregen. De man heeft deze verklaring onderbouwd met bankafschriften.

De vrouw heeft in haar reactie op de na de zitting door de man overgelegde bankafschriften betoogd dat met deze inkomsten uit verkoop en uit schenking rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de draagkracht van de man. Nu het echter incidentele inkomsten waren, anders dan uit arbeid of uit zijn onderneming, zal het hof daarmee in dat verband geen rekening houden.

5.6

Een volgend punt dat een nadere verklaring behoefde, is de koop door de man van een woning voor € 850.000,- terwijl hij zijn vorige woning voor € 300.000,- heeft verkocht.

De man heeft verklaard dat zijn nieuwe woning een huis met twee schuren en een stuk grond betreft en dat het deels zakelijk onroerend goed is. Sinds 2013 huurde hij reeds het zakelijke gedeelte. Bij de bank kon de man geen hypothecaire lening krijgen om de aanschaf van het onroerend goed te financieren. Hij heeft vervolgens via zijn netwerk een aantal financiers bereid gevonden om hem een lening te verstrekken. Bij het beroepschrift van de man bevinden zich vier leningsovereenkomsten - met als onderpand de aangeschafte woning - ter hoogte van respectievelijk € 48.000,-, € 250.000,-, € 150.000,- en € 50.000,-, in totaal dus € 498.000,-.

Na de zitting heeft de man de nota van afrekening in het geding gebracht. Daaruit blijkt dat de man in totaal een bedrag van € 869.524,02 moest voldoen bij aankoop. Hij heeft een deel van € 300.000,- zakelijk verwerkt in zijn jaarstukken, welk bedrag inderdaad op de balans als ‘bedrijfspand’ staat vermeld bij de activa en als ‘diverse leningen’ bij de passiva. Naast het hiervoor genoemde bedrag ter zake van leningen van € 498.000,- heeft de man eerder al twee leningen van ieder € 50.000,- gesloten, ter adstructie waarvan de man de leningsovereenkomsten heeft overgelegd. Verder heeft hij de verkoopwinst van zijn vorige woning ter hoogte van € 186.000,- gebruikt voor de financiering en daarnaast de borg van € 100.000,- die hij aan de verkopers heeft betaald toen hij het zakelijke gedeelte in 2013 ging huren. De man heeft zijn huurovereenkomst en een bankafschrift in het geding gebracht. De vrouw heeft opgemerkt dat uit de nota van afrekening een borg van € 85.000,- blijkt, maar het hof gaat ervan uit dat in de nota van afrekening bedoeld wordt de gebruikelijke waarborgsom ter hoogte van 10% van de koopsom (van € 850.000,-).

Met zijn verklaring ter zitting, die de man met stukken heeft onderbouwd, heeft de man een plausibele verklaring gegeven voor het feit dat hij deze woning/bedrijfspand heeft kunnen kopen.

5.7

Het hof constateert tot slot dat de vrouw haar verweer ten aanzien van de post ‘kantoorkosten’ na overlegging van de stukken door de man niet handhaaft zodat dat geen bespreking meer behoeft.

5.8

Al met al komt het hof tot de conclusie dat voor de berekening van de draagkracht van de man kan worden uitgegaan van het uit de jaarstukken blijkende bedrijfsresultaat nu de vrouw, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft onderbouwd dat deze cijfers niet kloppen.

De rechtbank is, conform het aanbod van de man in eerste aanleg, uitgegaan van een gemiddelde winst van € 25.000,- per jaar (welk bedrag hoger ligt dan het feitelijke gemiddelde over 2018 tot en met 2020). Zelfs indien het (hogere) resultaat van 2021 in het gemiddelde wordt betrokken, leidt dat niet tot een hogere gemiddelde winst. Nu de man voorts niet zelfstandig een grief heeft gericht tegen dit uitgangspunt van de rechtbank, gaat ook het hof hiervan uit. Dat betekent dat de door de rechtbank berekende bijdrage van € 79,- per maand, rekening houdend met een zorgkorting voor de man, in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Het hof zal de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

5.9

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.W. Brands-Bottema, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. J.W. van Zaane, bijgestaan door mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en is op 5 juli 2022 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.