Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:1946

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2022
Datum publicatie
06-07-2022
Zaaknummer
23-000936-21
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2021:1421, Overig
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak (medeplegen) dood door schuld. Veroordeling voor medeplegen van voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000936-21

datum uitspraak: 5 juli 2022

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 maart 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-068515-20 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 juni 2022 en 5 juli 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partijen en de nabestaanden naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 14 maart 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, en/of onachtzaam

(terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) alcohol had(den) gedronken en/of verdovende middelen had(den) gebruikt)

een vuurwapen (Glock 17) en/of munitie en/of een patroonhouder ter hand heeft/hebben genomen

en/of heeft/hebben gespeeld met een vuurwapen en/of die munitie en/of die patroonhouder en/of

een vuurwapen (meermaals) heeft/hebben geladen en/of doorgeladen en/of

eenmaal of meermalen de trekker van dat vuurwapen heeft/hebben overgehaald en/of de patroonhouder in en uit dat vuurwapen hebben gehaald, en/of

hij, verdachte en/of zijn mededader(s) de veiligheidspal heeft/hebben ontgrendeld en/of

dat vuurwapen toen (voor de grap en/of spelenderwijs en/of om stoer te doen) op een ander heeft/hebben gericht en/of

hij verdachte en/of zijn mededader(s) zich niet of onvoldoende ervan heeft/hebben vergewist of het wapen werd geladen en/of doorgeladen en/of

hij verdachte en/of zijn mededader(s) onvoldoende zorg heeft/hebben betracht om te voorkomen dat het wapen af kon gaan;

waarna [medeverdachte 1] (op zijn beurt) het vuurwapen op [slachtoffer] heeft gericht en/of de trekker van dat vuurwapen heeft overgehaald (zonder zich ervan te vergewissen of dat vuurwapen (inmiddels) (door)geladen was) waardoor het vuurwapen is afgegaan en die [slachtoffer] werd getroffen door een kogel uit dat vuurwapen,

waardoor het aan zijn/hun schuld is te wijten dat [slachtoffer] zodanig letsel, te weten een schotverwonding in het hoofd, heeft bekomen, dat [slachtoffer] aan de gevolgen daarvan is overleden;

2.
hij op of omstreeks 14 maart 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen en/of munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Glock, type 17GEN3 en/of munitie van het merk Sellier en Bellot, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie voorhanden heeft gehad;

3.
hij op of omstreeks 14 maart 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine en/of MDMA (XTC), zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert en tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Overwegingen van het hof

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Standpunt openbaar ministerie ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De advocaat-generaal heeft -overeenkomstig de door haar op schrift gestelde aantekeningen-gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten het medeplegen van dood door schuld. Daartoe heeft zij, zakelijk weergegeven, gemotiveerd aangevoerd dat de verdachte en de medeverdachten op volstrekt onverantwoordelijke wijze met het vuurwapen en de munitie zijn omgegaan waarbij zij ten aanzien van alle gedragingen bewust en nauw hebben samengewerkt. Door tijdens het spelen met het vuurwapen en na afloop niet met zekerheid vast te stellen of zich al dan niet een patroon in de kamer van het vuurwapen bevond, moeten hun handelingen, worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig, ofwel schuld in strafrechtelijke zin. De advocaat-generaal heeft verder naar voren gebracht dat het doorladen en afgaan van het wapen terwijl het op iemands hoofd wordt gericht dusdanig voorzienbaar was dat de dood van het slachtoffer in redelijkheid is toe te rekenen aan het zeer onvoorzichtige gedrag van de verdachte en zijn medeverdachten.

Standpunt verdediging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep -overeenkomstig haar pleitnota- vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte niet verwijtbaar heeft gehandeld en dat de dood van het slachtoffer niet aan zijn schuld in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht is te wijten. Immers niet kan worden aangetoond dat het handelen van de verdachte een noodzakelijke factor is geweest bij het overlijden van het slachtoffer. Daarnaast heeft de raadsvrouw bepleit dat geen sprake is van medeplegen.

Oordeel van het hof ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Feiten

Op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep stelt het hof het volgende vast.

De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna telkens: [medeverdachte 2]) zijn op 14 maart 2020 naar de woning van [medeverdachte 1] (hierna telkens: [medeverdachte 1]) gegaan aan de [adres 2]. Medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna telkens: [medeverdachte 3]) was de avond daarvoor al naar de woning gekomen en was daar blijven slapen. [medeverdachte 3] had een wapen, een pistool van het merk Glock, met bijbehorende munitie meegenomen naar de woning van [medeverdachte 1]. Ook waren in de woning verdovende middelen, waaronder cocaïne en MDMA, aanwezig.

De verdachte, [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hebben in de woonkamer het pistool vastgepakt en daarmee allerlei handelingen verricht. Zo hebben ze (meermalen) het pistool vastgehad, filmpjes en foto’s (voor [social media]) met het wapen gemaakt, de patroonhouder uit het wapen gehaald en terug in het wapen gedaan, de slede naar achteren getrokken, op elkaar gericht en de trekker overgehaald waarna een klik was te horen. Op een gegeven moment is het wapen weggelegd.

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn vertrokken voordat [slachtoffer], een goede vriend, naar de woning is gekomen. Naast [slachtoffer] waren [medeverdachte 1] en de verdachte op dat moment nog in de woonkamer aanwezig. Kort na de komst van [slachtoffer] is het vuurwapen afgegaan en heeft een kogel [slachtoffer] in het hoofd getroffen als gevolg waarvan hij is overleden. Het staat niet ter discussie dat het [medeverdachte 1] was die de kogel afvuurde. De rechtbank heeft [medeverdachte 1] bij het onherroepelijk geworden vonnis van 29 maart 2021 veroordeeld voor onder meer dood door schuld.

Juridisch kader

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de onder 1 ten laste gelegde dood door schuld als bedoeld in artikel 307 Sr. Onder schuld als bedoeld in artikel 307 Sr wordt verstaan een min of meer grove of aanmerkelijke schuld, waarbij de kern is gelegen in een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Dit houdt in dat de dader anders moest handelen (verwijtbaarheid) en ook anders kon handelen (vermijdbaarheid). Het antwoord op de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 307 Sr wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voor een bewezenverklaring van artikel 307 Sr is vereist dat sprake is van a) een causaal verband tussen de dood en de gedragingen van de verdachte, alsmede dat b) het gevolg aan diens schuld te wijten is. De causaliteit tussen de gedragingen van de verdachte en het gevolg worden bepaald aan de hand van de leer van de ‘redelijke toerekening’. Hiervoor is, in een geval als het onderhavige, vereist dat de verdachte het gevaar dat het slachtoffer zou komen te overlijden in zodanige mate heeft verhoogd dat dat overlijden redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend als gevolg van zijn handelen of nalaten. Voor medeplegen – ook bij culpoze delicten zoals artikel 307 Sr – geldt dat dit kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Overwegingen van het hof ten aanzien van het medeplegen van dood door schuld

Vaststaat dat [medeverdachte 1] de kogel heeft afgevuurd die [slachtoffer] dodelijk heeft getroffen. Door wie of op welk moment het vuurwapen is doorgeladen waardoor een patroon in de kamer van het vuurwapen is gekomen en het vuurwapen schietklaar was, kan het hof, evenals de rechtbank heeft overwogen, niet vaststellen. Aldus heeft het hof niet kunnen vaststellen of het wapen schietklaar is gemaakt voor of na de komst van [slachtoffer] in de woning.

Het hof stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat het gebruik van vuurwapens ernstige risico’s met zich brengt. Zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, was het de eerste keer dat hij een wapen in handen had en wist hij niet hoe het vuurwapen werkte. De verdachte heeft in ieder geval het wapen vastgehad, het wapen op [medeverdachte 3] gericht waarna geklik was te horen en heeft een filmpje gemaakt van zichzelf met het wapen. Ook de medeverdachten hebben het wapen in hun handen gehad en hebben daarmee verschillende handelingen verricht, waaronder het maken van foto’s en het op elkaar richten van het wapen en het overhalen van de trekker. Daarmee staat vast dat de verdachte en de medeverdachten in de fase voorafgaand aan de komst van [slachtoffer] onvoorzichtig zijn geweest met het wapen en de munitie. Het hof gaat daarbij ervan uit dat de verdachte en de medeverdachten op dat moment in de veronderstelling verkeerden dat het wapen niet was geladen. Hun onvoorzichtige handelen is in die fase in fysieke zin zonder gevolgen geweest, terwijl zij het wapen op elkaar hebben gericht en diverse malen de trekker hebben overgehaald.

Ook al had de verdachte moeten voorzien dat zijn handelen met het wapen en de munitie in die fase onvoorzichtig was, schiet naar het oordeel van het hof het voorhanden bewijs tekort om aan te nemen dat die gedragingen van de verdachte het overlijden van [slachtoffer] hebben veroorzaakt dan wel dat die gedragingen het risico op het overlijden van [slachtoffer] in zodanige mate hebben verhoogd dat zijn overlijden redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend. De enkele wetenschap van het gevaarzettende karakter van het verrichten van handelingen met een vuurwapen en het niet beëindigen van de risicovolle situatie zijn daarvoor onvoldoende. Bovendien kan, in aanmerking genomen dat het hof niet heeft kunnen vaststellen op welk moment het wapen schietklaar was, niet worden vastgesteld of een gedraging van de verdachte een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg, te weten de dood van [slachtoffer].

Anders dan de advocaat-generaal heeft betoogd, heeft de verdachte ook niet als medepleger schuld in de zin van artikel 307 Sr aan de dood van [slachtoffer]. Het na de komst van [slachtoffer] weer oppakken van het wapen door [medeverdachte 1], waarbij hij niet heeft gecontroleerd of het wapen ongeladen was, en het richten op [slachtoffer] en het daaruit voortvloeiende gevolg, te weten de dood van [slachtoffer], kan niet meer worden aangemerkt als gezamenlijk handelen van de verdachte en [medeverdachte 1] temeer nu aanwijzingen ontbreken dat de verdachte nog handelingen heeft verricht met het wapen na de komst van [slachtoffer] in de woning. De rollen van [medeverdachte 1] en de verdachte zijn niet min of meer inwisselbaar. Evenmin kan worden gezegd dat het aanmerkelijk onvoorzichtige gedrag van [medeverdachte 1] met als gevolg de dood van [slachtoffer] als een zo waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag in de eerdere samenwerking, te weten de handelingen van de verdachte en de medeverdachten met het wapen geruime tijd voorafgaand aan de komst van [slachtoffer], dat de verdachte op grond daarvan als mededader moet worden gezien.

Conclusie

Daarmee is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit, te weten het medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen en munitie.

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

Het hof overweegt als volgt.

Voor een veroordeling van het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (WWM) is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. Ook is vereist dat de verdachte feitelijke macht over het wapen en de munitie kan uitoefenen, in de zin dat hij daarover kan beschikken. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van art. 26, eerste lid, WWM. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.

Het wapen en de bijbehorende munitie is aangetroffen in het huis van [medeverdachte 1]. Uit de verklaringen van de verdachten volgt dat ieder van hen het door [medeverdachte 3] naar de woning meegebrachte vuurwapen heeft vastgehouden. De patroonhouder met munitie is uit het wapen gehaald en weer erin gezet. Van het wapen en de handelingen die de verdachte en de medeverdachten met het wapen hebben verricht – waaronder spelenderwijs het wapen op elkaar richten en de trekker overhalen – zijn foto’s en filmpjes gemaakt. Ook de verdachte is op die manier met het wapen en de munitie bezig geweest.

Gelet op voornoemde handelingen staat vast dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen en – tenminste in voorwaardelijke vorm – van de zich in de patroonhouder bevindende munitie. Ook staat daarmee vast dat de verdachte beschikkingsmacht had over het wapen en de munitie. De situatie dat de verdachte redelijkerwijs niet direct afstand kon nemen van het wapen doet zich derhalve niet voor. Doordat de verdachte en de medeverdachten samen bezig waren met het wapen en de munitie hebben de verdachte en de medeverdachten gezamenlijk over het wapen en de munitie kunnen beschikken en was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hen. Daarmee acht het hof het onder 2 tenlastegelegde medeplegen van het voorhanden hebben van een pistool en munitie bewezen.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het – impliciet subsidiair – tenlastegelegde (medeplegen van) het aanwezig hebben van cocaïne en/of MDMA en dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het impliciet primair tenlastegelegde (medeplegen van het) telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne en/of MDMA. Het hof onderschrijft dit oordeel. De verdachte moet hiervan dan ook worden vrijgesproken. Nu dit eveneens is bepleit door de verdediging, wordt dit oordeel niet nader gemotiveerd.

Omtrent het onder 2 impliciet subsidiair tenlastegelegde (medeplegen van het) aanwezig hebben van cocaïne en/of MDMA overweegt het hof als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat voor een veroordeling voor het opzettelijk aanwezig hebben van drugs als bedoeld in artikel 2 onder C van de Opiumwet niet doorslaggevend is aan wie de drugs toebehoren. Evenmin hoeft sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Voldoende is dat de onder de Opiumwet vallende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden en dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop.

In de woning van [medeverdachte 1] zijn diverse verdovende middelen aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij op 14 maart 2020 in de woning van [medeverdachte 1] op bezoek was drugs op de tafel in de woonkamer heeft zien liggen en dat [medeverdachte 3] zogeheten ponypacks aan het vouwen was. Ook heeft hij verklaard dat hij zelf geen verdovende middelen had gebruikt maar wel één papiertje heeft aangeraakt. Uit het dossier volgt ook niet dat de verdachte zelf verdovende middelen zou hebben gebruikt. [medeverdachte 3] heeft ter terechtzitting in hoger beroep als getuige verklaard dat hij zelf bezig was met het opzetten van een drugslijn, dat hij de drugs had meegenomen naar de woning van [medeverdachte 1], dat hij daar de drugs heeft verpakt, waarna hij de drugs heeft opgeslagen in zijn rugzakken.

Gelet op al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, is het hof van oordeel dat niet met de voor een veroordeling toereikende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden. De omstandigheid dat de verdachte aanwezig was in de woning, de drugs heeft gezien en zich niet van de situatie heeft gedistantieerd is in dat verband onvoldoende redengevend. Ook anderszins kan niet worden vastgesteld dat voldaan is aan het vereiste van een – op het aanwezig hebben van verdovende middelen gerichte – bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte(n). Het hof acht daarom niet bewezen dat de verdachte de drugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Het bovenstaande leidt ertoe dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 3 is ten laste gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.
hij op 14 maart 2020 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen een wapen en munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Glock, type 17GEN3 en munitie van het merk Sellier en Bellot, zijnde een vuurwapen in de vorm van pistool en munitie voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 impliciet subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met anderen een vuurwapen en munitie in een woning voorhanden gehad. Het hof acht dit ernstige strafbare feiten. Ongecontroleerd bezit van een vuurwapen en kogels kan de veiligheid van personen in gevaar brengen. In de woning heeft zich een dergelijke levensgevaarlijke situatie ook verwezenlijkt doordat met het wapen het slachtoffer [slachtoffer] is doodgeschoten. Hierdoor is aan de nabestaanden van [slachtoffer] onbeschrijflijk veel leed toegebracht.

Omtrent de persoon van de verdachte heeft het hof kennis genomen van een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 juni 2022 waaruit volgt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 5 juni 2022. De reclassering schat het recidiverisico als laag in. De verdachte heeft een stabiel leven met een vaste dagbesteding. In het verleden heeft de verdachte te kampen gehad met psychische problemen maar deze zijn mede als gevolg van medicatie gestabiliseerd. Ook ter terechtzitting heeft de verdachte aangegeven dat het op alle vlakken goed met hem gaat. Toezicht en interventies zijn naar inschatting van de reclassering niet nodig temeer nu sprake is van een zorgmachtiging van waaruit zo nodig benodigde zorg kan worden ingeschakeld. In het geval van een veroordeling heeft de reclassering geadviseerd om aan de verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen en zij achten de verdachte in staat om een taakstraf uit te voeren.

Gelet op de ernst van de feiten kan in beginsel een vrijheidsbenemende straf als gerechtvaardigd worden beschouwd. Echter gelet op het reclasseringsadvies, waarbij het hof ook meeweegt dat de verdachte min of meer toevallig met het vuurwapen en de munitie in aanraking is gekomen en dat ook hij de onherstelbare gevolgen die het wapen heeft aangericht met zich moet dragen, acht het hof oplegging van een vrijheidsbenemende straf niet wenselijk. Het hof zal volstaan met het opleggen van een taakstraf.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.850,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 17.500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Radder, mr. R.A.E. van Noort en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 juli 2022.