Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:1820

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2022
Datum publicatie
10-08-2022
Zaaknummer
21/00458
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Reikwijdte art. 7:4 Awb en art. 40 Wet WOZ juncto art. 6:17 Awb; WOZ-waarde woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2022/1981
NLF 2022/1615
V-N 2022/38.25.11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 21/00458

7 juni 2022

uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: G. Gieben)

tegen de uitspraak van 17 mei 2021 in de zaak met kenmerk HAA 20/1715 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Heerhugowaard, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) met dagtekening 28 februari 2019 de waarde van de onroerende zaak bekend als [adres 1] te [woonplaats] (hierna: de woning) op de waardepeildatum 1 januari 2018 voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 324.000 (hierna: de WOZ-waarde). In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2019 bekendgemaakt.

1.2.

Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 27 januari 2020, de WOZ-waarde en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 17 mei 2021 ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof per fax ingekomen op 28 juni 2021. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2022. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar een, reeds bij belanghebbende bekend, nader stuk gedateerd 29 maart 2022 ingebracht. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

Feiten

1. Eiseres is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. De woning is een geschakelde woning met een aangebouwde garage. De inhoud van de woning is ongeveer 454 m3, de aangebouwde garage heeft een oppervlakte van 15 m2 en de oppervlakte van het perceel is 291 m2.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.3.

In de bezwaarfase is aan belanghebbende een taxatieverslag verstrekt waarin de WOZwaarde van de woning per 1 januari 2018 is vastgesteld op € 324.000.

2.4.

De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem voor de woning vastgestelde waarde in beroep onder meer een matrix overgelegd (‘Overzicht taxatiewaarden’), met daarin opgenomen (verkoop)gegevens van een vijftal objecten (hierna: de vergelijkingsobjecten). Hierin is het volgende vermeld.

[de matrix]

Daarnaast heeft de heffingsambtenaar bij zijn verweerschrift in eerste aanleg foto’s ingebracht van de gevels van elk van de vergelijkingsobjecten.

2.5.

Ter zitting van het Hof heeft de heffingsambtenaar onder andere het volgende verklaard:

“Via WOZ360 is gebleken dat [adres 2] inderdaad een inhoud heeft van 476 m3 (inclusief de inpandige garage); uitgaande van een inhoud van 476 m3, is de kubiekemeterprijs van deze referentiewoning € 500. Dit kan niet leiden tot de conclusie dat de waarde van de onderhavige woning te hoog is vastgesteld.

Desgevraagd bevestig ik dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken ten minste een week ter inzage hebben gelegen voorafgaand aan het hoorgesprek.

(…)

De waarde van de woning is voor het jaar 2019 vastgesteld op € 324.000, voor het jaar 2020 op € 341.000 (hiertegen is geen bezwaar gemaakt) en voor het jaar 2021 aanvankelijk op € 370.000. De waarde voor het jaar 2021 is na bezwaar verlaagd naar € 345.000, dus meer in lijn met de WOZ-waarde in eerdere jaren.”

2.6.

Tot de gedingstukken behoort een vragenformulier van Previcus Vastgoed (kantoor van de gemachtigde van belanghebbende) waarop belanghebbende informatie met betrekking tot de woning heeft ingevuld. Hierin staat onder andere het volgende vermeld:

“Garage is aangelengd in 2004. Was eerst de korte variant en is in 2004 vergroot. Nu iets (5 m2) groter dan de grote variant. Maar omdat ik via de woonkamer deze ruimte in kan, ziet de gemeente het als “aanlenging van woonkamer”. De hete luchtverwarming is echter hier niet op gebouwd. Dus staat hier een oud type gaskachel voor verwarming. (…) Kruipruimte vochtig; zilvervisjes op begane grond; waarschijnlijk door kruipruimte. (…)”

In het formulier heeft belanghebbende voorts onder nadere het volgende aangegeven met betrekking tot de kwaliteit van de woning:

“Kwaliteit Pand (…)  matig  voldoende (…)

Kwaliteit schilderwerk (…)  matig  voldoende (…)

Leeftijd keuken = 2001 (…)  15 jaar en ouder

Leeftijd badkamer (…)  7-15 jaar (…)

Leeftijd sanitair (…)  7-15 jaar (…)

Leeftijd CV installatie/ketel (…)  15 jaar en ouder (…)”

2.7.

Als bijlage bij zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de heffingsambtenaar een foto ingebracht waarop de keuken van de woning zichtbaar is. In de bijlage bij zijn nader stuk van 29 maart 2022 heeft de heffingsambtenaar voorts onder andere twee foto’s van de buitenzijde van de woning ingebracht.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de heffingsambtenaar in de bezwaarfase mocht volstaan met het ter inzage leggen van de door de gemachtigde – in aanvulling op het taxatieverslag – gevraagde gegevens, dan wel (afschriften van) deze gegevens aan de gemachtigde had moeten toezenden. Belanghebbende meent van wel en beroept zich daartoe op artikel 7:4 juncto 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 40 van de Wet WOZ. De inspecteur meent daarentegen dat uit die artikelen geen zodanige toezendverplichting voortvloeit.

Voorts is in hoger beroep eveneens in geschil of de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen:

Beoordeling van het geschil

Op de zaak betrekking hebbende stukken

6. Verweerder heeft volgens eiseres verzuimd de door eiseres in bezwaar gevraagde stukken op verzoek te verstrekken. Eiseres heeft daarbij, onder andere gevraagd om inzichtelijk te maken hoe de grondstaffel is opgebouwd en met welke KOUDV- en liggingsfactoren verweerder rekening heeft gehouden bij de woning en vergelijkingsobjecten. Het niet verstrekken is volgens eiseres in strijd met het arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316. Het rechtsgevolg dat eiseres aan de door haar gestelde normschendingen verbindt, is een gegrond beroep.

7. Verweerder meent dat de waarderelevante objectgegevens blijken uit zowel het taxatieverslag, dat aan de vereisten van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ voldoet, als uit de matrix. Daarnaast is het gehanteerde kavelmodel wel aan eiseres verstrekt.

8. De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres aldus dat verweerder, gelet op het verzoek in het bezwaarschrift, niet alleen heeft verzuimd de gevraagde stukken ter inzage te leggen, maar ook heeft verzuimd (afschriften van) de gevraagde stukken toe te zenden. Het enkel toezenden van het kavelmodel als bijlage van de uitspraak op bezwaar acht eiseres daartoe onvoldoende.

9. Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316 maakt de rechtbank op dat verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken, zoals de grondstaffels, op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week ter inzage had behoren te leggen.

10. Op grond van de processtukken noch op grond van het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat is voldaan aan artikel 7:4, tweede lid, van de Awb. Dit betekent derhalve dat laatstgenoemd artikellid is geschonden. Dat verweerder het kavelmodel met de toezending van het bestreden besluit aan eiseres, heeft meegezonden maakt het voorgaande niet anders gelet op het dwingend bepaalde in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb.

11. Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet aannemelijk geworden dat eiseres hierdoor is benadeeld. Uit de overgelegde stukken en hetgeen partijen hebben gesteld blijkt niet dat eiseres tijdens het hoorgesprek haar verzoek om inzage in de KOUDV- en liggingsfactoren ter sprake heeft gebracht. Kennelijk is eiseres wel in staat geweest het bezwaar afdoende toe te lichten. De rechtbank leidt daaruit af dat eiseres door het niet verstrekken van deze informatie niet wezenlijk in haar belangen is geschaad. Omdat een benadeling niet aannemelijk is geworden, zal de rechtbank op grond van de artikelen 6:22 en 8:31 van de Awb voorbijgaan aan de geconstateerde inbreuk op artikel 7:4, tweede lid, van de Awb.

Waardering van de woning
12. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

13. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Uitvoeringsregeling) wordt de waarde, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, voor woningen bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn.

14. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Voor de beoordeling of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, is van belang of de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de woning, en indien dit het geval is, of verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten.

15. Indien verweerder niet aan de op hem rustende bewijslast voldoet, zal de rechtbank oordelen of de door eiseres verdedigde waarde door eiseres aannemelijk is gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.

16. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door verweerder aangedragen referentieobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. Daartoe overweegt zij dat ze allemaal in [woonplaats] gelegen zijn met een vergelijkbaar uiterlijk. Weliswaar vertonen de referentieobjecten verschillen met de woning, maar deze zijn niet zo groot dat de referentieobjecten in het geheel niet bruikbaar zijn. Daarom kan niet worden gezegd dat de aan de woning toegekende waarde in een onjuiste verhouding staat tot de verkoopprijzen van de referentieobjecten.

17. Ter onderbouwing van de vastgestelde waarde, heeft verweerder in de matrix verkoopinformatie opgenomen van de gehanteerde referentieobjecten. In deze matrix zijn de afzonderlijke waarden van de referentieobjecten met deelobjecten benoemd, alsook de waarde van de woning met deelobject. Bij de beoordeling of verweerder de waarde niet te hoog heeft vastgesteld, zal de rechtbank wat eiseres ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd meewegen.

18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het verweerschrift, de matrix en hetgeen hij ter zitting nader heeft toegelicht voldoende onderbouwing gegeven om aannemelijk te maken dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. De stelling van eiseres dat geen rekening is gehouden met de betere staat van onderhoud, luxere afwerking en modernisering van de referentieobjecten, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft haar stelling niet nader onderbouwd, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat verweerder een hogere correctie voor de staat van onderhoud, luxere afwerking en modernisering diende toe te passen. Verweerder is dan ook terecht uitgegaan van een onderhoudstoestand en kwaliteit van gemiddeld. Naar aanleiding van de nadere inlichtingen van verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet gesproken kan worden van een dubbele waardering van de garage. Uit de door verweerder overgelegde luchtfoto’s is zowel sprake van een garage als een extra aanbouw, welke door verweerder in de matrix correct zijn meegenomen voor de vaststelling van de waarde van de woning. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook de waarde van de woning aannemelijk gemaakt.

19. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten
20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Informatievoorziening in de bezwaarfase

5.1.

De rechtbank heeft overwogen dat de heffingsambtenaar zijn verplichting uit hoofde van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb heeft geschonden (zie overweging 10 van de uitspraak van de rechtbank), maar gaat aan deze schending voorbij omdat zij niet aannemelijk acht dat belanghebbende hierdoor in haar belangen is geschaad (zie overweging 11).

Ter zitting van het Hof heeft de heffingsambtenaar in dit verband onweersproken gesteld dat hij voorafgaand aan het horen van belanghebbende alle op de zaak betrekking hebbende stukken gedurende een week ter inzage heeft gelegd (zie 2.5). Op grond hiervan komt het Hof tot het oordeel dat de inspecteur voldaan heeft aan zijn verplichting uit hoofde van genoemd artikellid om de bedoelde stukken ter inzage te leggen.

5.2.

Het Hof is voorts van oordeel dat de heffingsambtenaar met de verstrekking van het taxatieverslag aan belanghebbende in de bezwaarfase heeft voldaan aan zijn verplichtingen ingevolge artikel 7:4 Awb. Het bepaalde in artikel 6:17 Awb brengt hier geen verandering in. Ook heeft de heffingsambtenaar hiermede voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 40 van de Wet WOZ. Ter onderbouwing van dit oordeel verwijst het Hof naar een uitspraak van dit Hof van 22 februari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:499, ro. 5.4.1 t/m 5.6.

WOZ-waarde

5.3.

In rechtsoverwegingen 12 tot en met 15 heeft de rechtbank het juridische toetsingskader juist weergegeven; ook het Hof zal hiervan uitgaan. Met de onder 2.4 vermelde matrix en de daarin opgenomen vergelijkingsobjecten (en de toelichtingen en aanvullingen daarop in de gedingstukken en ter zitting) heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat de door hem voor de woning op € 324.000 vastgestelde waarde niet te hoog is. Hiertoe overweegt het Hof dat de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten qua type, uitstraling, ligging en woonoppervlak voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De verkoopprijzen van deze vergelijkingsobjecten kunnen dan ook dienen ter onderbouwing van de WOZ-waarde van de woning. Met de eventuele verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten is voldoende rekening gehouden. Hiertoe overweegt het Hof nader als volgt.

5.4.

De heffingsambtenaar heeft uit de verkoopprijzen van de gehanteerde vergelijkingsobjecten prijzen per m3 (hoofdgebouw) herleid. De gemiddelde m3-prijs van de hoofdgebouwen van de vergelijkingsobjecten is ruim boven de prijs per m3 van het hoofdgebouw van de woning van belanghebbende gelegen, ook indien er rekening mee wordt gehouden dat, zoals door de heffingsambtenaar ter zitting van het Hof is erkend, [adres 2] een grotere inhoud heeft dan welke in de matrix is vermeld (zie 2.4 en 2.5). Zelfs indien het Hof veronderstellenderwijs uitgaat van de juistheid van belanghebbendes stellingen dat haar centrale verwarming ontoereikend is om de aanbouw bij haar garage afdoende te verwarmen en dat de kruipruimte van haar woning vochtig is (zie 2.5), dan is daarmee gelet op dit verschil tussen de prijs per m3 van de woning en die van de vergelijkingsobjecten door de heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden. In de verlaging in bezwaar van de WOZ-waarde van de woning voor het kalenderjaar 2021 (zie 2.5) en de correspondentie daarover tussen de heffingsambtenaar en belanghebbende ziet het Hof geen reden van dit oordeel af te wijken; hieraan kunnen geen conclusies voor de WOZwaarde voor het jaar 2019 worden verbonden.

5.5.

Het Hof acht gelet op de door belanghebbende verstrekte gegevens (onder meer de leeftijd van badkamer, sanitair en keuken, zie 2.6) in samenhang bezien met de door de heffingsambtenaar ingebrachte foto’s van de buitenzijde en de keuken van de woning (zie 2.7), aannemelijk dat de woning ten minste een gemiddelde kwaliteit en staat van onderhoud heeft op de waardepeildatum. Het betoog van belanghebbende dat de woning als ondergemiddeld moet worden gekwalificeerd acht het Hof, bij gebrek aan enige nadere onderbouwing met bijvoorbeeld foto’s, daartegenover niet aannemelijk geworden.

Het Hof volgt belanghebbende in het standpunt dat de heffingsambtenaar aannemelijk dient te maken dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de woning, en als zodanig een inzicht dient te bieden in kwaliteit en staat van onderhoud van die objecten. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar hieraan evenwel voldaan.

De heffingsambtenaar heeft zijn stelling dat de vergelijkingsobjecten (evenals de woning) in gemiddelde toestand verkeren nader onderbouwd door te wijzen op de bouwjaren van de vergelijkingsobjecten en de toestand van de keuken en de badkamer van elk vergelijkingsobject te benoemen. Het betreffen bouwjaren van 1995-1997 en de meeste vergelijkingsobjecten hebben nog de oorspronkelijke keuken. De heffingsambtenaar betoogt, zo begrijpt het Hof hem, dat objecten zoals deze, met betrekkelijk recente bouwjaren, bij normaal gebruik en zonder ingrijpende verbouwing als gemiddeld bestempeld kunnen worden. Ook de opmerkelijke uniformiteit van de m3-prijzen van de vergelijkingsobjecten (zie 2.4, de deviatie is steeds minder dan 4%) biedt steun aan de stelling dat de vergelijkingsobjecten niet alleen wat betreft type woning, ligging en bouwjaar, maar ook wat betreft kwaliteit en staat van onderhoud goed met elkaar vergelijkbaar zijn. Alles afwegend en gelet op hetgeen overigens in het geding is gebracht (zoals de foto’s van de gevels van de vergelijkingsobjecten, zie 2.4) acht het Hof het standpunt van de heffingsambtenaar dat de vergelijkingsobjecten en de woning een vergelijkbare kwaliteit en staat van onderhoud hebben voldoende onderbouwd.

5.6.

Ten slotte klaagt belanghebbende dat de heffingsambtenaar zonder onderbouwing het vergelijkingsobject aan de [adres 3] hoger dan de transactieprijs waardeert (zie 2.4). Het Hof begrijpt dat belanghebbende hiermee doelt op de correctie naar de waardepeildatum (voor het tijdsverloop tussen de verkoopdatum en de waardepeildatum; de indexatie) die de heffingsambtenaar op de transactieprijs van de [adres 3] heeft toegepast (zoals hij ook bij de overige niet direct rond de waardepeildatum verkochte vergelijkingsobjecten heeft gedaan). Het Hof overweegt dat deze indexatie consistent is uitgevoerd (door de prijs van vergelijkingsobjecten verkocht vóór de waardepeildatum te verlagen en na de waardepeildatum te verhogen met een vergelijkbaar percentage per tijdseenheid) en voorts dat de gemiddelde prijs per m3 slechts marginaal zou wijzigen indien de indexatie achterwege zou blijven. Voorts heeft belanghebbende tegenover deze wijze van indexeren geen andere gegevens of indexeringscijfers gesteld waaruit zou kunnen volgen dat de heffingsambtenaar van onjuiste indexering van de verkoopcijfers is uitgegaan. Ook deze klacht kan aldus niet leiden tot de conclusie dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld.

5.7.

Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

Slotsom

5.8.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende geen doel treft en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, M.J. Leijdekker en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder, als griffier. De beslissing is op 7 juni 2022 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.