Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:1678

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2022
Datum publicatie
03-06-2022
Zaaknummer
23-003356-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal van een elektrische bakfiets en diefstal van een elektrische Swapfiets. Vrijspraak van opzetheling van een scooter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003356-21

datum uitspraak: 2 juni 2022

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 december 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-322387-21 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum] op [geboortedag] 1971,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep onder 3 gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:

1
hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 27 november 2021 tot en met 28 november 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een bakfiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2
hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 oktober 2021 tot en met 28 november 2021 te Amsterdam, althans in Nederland, een bromfiets (kenteken [kenteken]), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4
hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 22 november 2021 tot en met 23 november 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een elektrische fiets (merk Swapfiets), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en een andere beslissing ten aanzien van de bewijsvraag van het onder 2 tenlastegelegde komt dan de politierechter.

Vrijspraak ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Het hof is met de raadsman van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet volgt dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de bromfiets wist dat deze uit misdrijf afkomstig was, zoals onder 2 is tenlastegelegd. Derhalve dient de verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte ontkent de bakfiets te hebben weggenomen. Voor de diefstal bevindt zich in het dossier geen wettig en overtuigend bewijs. De tijdspanne tussen het moment van wegnemen en het moment dat de verdachte op de bakfiets gezien zou zijn, is groot. Daarnaast ontkent de verdachte dat de bakfiets, waarop hij fietsend is gezien door de politie, dezelfde bakfiets is als die is gestolen en die later is aangetroffen in de nabijheid van [medeverdachte].

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Op 28 november 2021 omstreeks 04.14 uur heeft de politie de verdachte samen met [medeverdachte] zien fietsen op het Anton de Komplein in Amsterdam. De verdachte reed op een bakfiets, [medeverdachte] op een elektrische fiets. De verdachte en [medeverdachte] reden door nadat de politieambtenaren riepen: “Stop politie, stop politie”. Kort daarna is [medeverdachte] aangehouden. In zijn nabijheid is een bakfiets aangetroffen. Deze bakfiets kwam overeen met de bakfiets waarop de verdachte door de politie was gezien en waarvan door [slachtoffer 1] aangifte van diefstal is gedaan. De bakfiets had een dekzeil met een rode rand over de bak en witte opdruk op de bak. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de bakfiets waarop de verdachte fietsend is gezien en de gestolen bakfiets één en dezelfde zijn. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, dat hij weliswaar in gezelschap van [medeverdachte] op een bakfiets reed, maar dit niet de gestolen bakfiets doch de bakfiets van een niet bij naam genoemde bekende betrof, heeft geen handen of voeten gekregen. Bovendien acht het hof deze verklaring onaannemelijk gelet op het tijdsbestek tussen het moment van wegnemen (op een tijdstip na 27 november 2021 12.00 uur) en het moment dat de verdachte op de bakfiets gezien is (28 november 2021 om 04.14 uur), de in de bakfiets aangetroffen slijptol en nijptang en het feit dat het slot van de bakfiets was doorgeslepen. De verdachte heeft voor deze omstandigheden – die redengevend kunnen zijn voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit – geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1
hij op een tijdstip in de periode van 27 november 2021 tot en met 28 november 2021 te Nederland, een bakfiets, die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4
op een tijdstip in de periode van 22 november 2021 tot en met 23 november 2021 te Amsterdam, een elektrische fiets (merk Swapfiets), die aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen onder 1 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert telkens op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 140 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 80 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen waardoor de verdachte in de onderhavige strafzaak niet terug naar de gevangenis hoeft, mede gelet op het lopende reclasseringstoezicht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een elektrische bakfiets en van een elektrische Swapfiets. De verdachte heeft door aldus te handelen te kennen gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen. Daarnaast is diefstal een bron van hinder, schade en gevoelens van onveiligheid.

Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 mei 2022 is de verdachte veelvuldig eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt. Gelet daarop en gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten, is het hof van oordeel dat in beginsel niet kan worden volstaan met een andere straf dan een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof zal er evenwel ook rekening mee houden dat de verdachte, sinds de tenlastegelegde feiten, een wat meer positieve weg lijkt te zijn ingeslagen, al lijkt die allemaal nog erg pril. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aannemelijk gemaakt dat hij zijn leven weer enigszins op orde heeft. Zo verloopt het reclasseringstoezicht naar behoren, is de verdachte wederom aangemeld bij het methadonprogramma en beschikt hij over zelfstandige woonruimte bij het Leger des Heils. Deze positieve weg vindt bevestiging in voornoemd uittreksel, omdat daaruit blijkt dat de verdachte sinds de opheffing van de voorlopige hechtenis in deze zaak niet meer met politie of justitie in aanraking is gekomen. Het hof acht het daarom aangewezen om de gevangenisstraf voor een groot deel voorwaardelijk op te leggen, zodat de verdachte in de gelegenheid wordt gesteld de positieve ontwikkelingen in zijn leven te bestendigen, hetgeen niet alleen in zijn belang is, maar (met het oog op het voorkomen van recidive) ook in dat van de samenleving. Daarbij is het voorwaardelijk op te leggen deel van de gevangenisstraf tevens bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden om opnieuw in de fout te gaan.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S.M.M. Bordenga, mr. M.L.M. van der Voet en mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. R.J. den Arend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juni 2022.

De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]