Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:1673

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2022
Datum publicatie
03-06-2022
Zaaknummer
23-001977-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling witwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001977-21

datum uitspraak: 2 juni 2022

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 25 juni 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-143724-20 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1993,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

19 mei 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 30 mei 2020, te Schiphol, althans in Nederland, een voorwerp (te weten een geldbedrag ter hoogte van 127.670 euro) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een voorwerp (te weten een geldbedrag ter hoogte van 127.670 euro), gebruik heeft gemaakt

en/of

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was uit enig misdrijf

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeteren. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen. Het hof komt tot dezelfde bewezenverklaring, maar vervangt de bewijsmotivering en legt een andere straf op dan de rechter in eerste aanleg. Het (partieel) bevestigen van het vonnis zou een te weinig overzichtelijk samenstel aan beslissingen en motiveringen opleveren.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van witwassen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat van de criminele herkomst van het geld niet is gebleken. Het geld was van de familie [familie].

Bewijsoverwegingen

De verdachte is op Schiphol aangehouden met een contant geldbedrag van € 127.670,00 verstopt in zijn tassen, kleding en schoenen. Een deel van het geld bestond uit coupures van € 500 en € 200. Tijdens het eerste verhoor verklaarde de verdachte tegenover de douane slechts over een deel van het geld, en dat hij het geld op verzoek van zijn vriend [naam 1] van Polen naar Malaga transporteerde. Hij verklaarde dat hij alleen van Polen naar Amsterdam was gereden en vervolgens naar Madrid zou vliegen, om vanuit daar een trein naar Malaga te nemen. Hij verklaarde dat hij het vliegticket zelf had betaald.
De zwager van [naam 1] , genaamd [naam 2] , meldde zich op zaterdag 30 mei 2020 bij de Koninklijke Marechaussee op Schiphol. Hij vertelde dat het complete geldbedrag toebehoort aan zijn familie. Bij het tweede verhoor verklaarde de verdachte desgevraagd dat er een vrouw, [naam 3] , met hem mee was gereisd en dat zijn ticket waarschijnlijk door [naam 2] was betaald.

Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat komt vast te staan dat de desbetreffende voorwerpen middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dat wist of redelijkerwijs moest vermoeden.

Het hof stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat via de luchthaven Schiphol grote bedragen in contanten, die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn, worden in- of uitgevoerd. Het is in het normale, niet-financiële verkeer hoogst ongebruikelijk om een dergelijk bedrag als de verdachte bij zich had fysiek te vervoeren, ook gelet op het risico waarmee dit gepaard gaat. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat coupures van € 500 bijna uitsluitend worden gebruikt in het criminele circuit.

De wijze waarop de verdachte het geld heeft vervoerd, de hoogte van het bedrag, de gebruikte coupures en de onjuiste verklaring van de verdachte zijn feiten en omstandigheden die zonder meer een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Van de verdachte mag daarom worden verwacht dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de legale herkomst van het aangetroffen geld. Het is vervolgens aan het openbaar ministerie om de verklaring te verifiëren.

De verdachte heeft verklaard dat hij het geld voor [naam 1] vervoerde en dat het geld aan de familie [familie] toebehoort. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft de verdachte afschriften van de rekening op naam van [naam 2] bij de mBank overgelegd. Hieruit blijkt dat er van 3 juni 2014 tot en met 3 juni 2020 omgerekend € 1.082.311,00 is bijgeschreven en er tussen 3 juni 2019 en
3 juni 2020 omgerekend € 193.325,00 is afgeschreven. Daarnaast heeft de verdachte een notariële akte overgelegd waarin staat dat [naam 2] heeft verklaard dat zijn moeder ( [naam 4] ) op
28 mei 2020 een bedrag van € 128.000 aan de verdachte heeft gegeven. Ook zijn enkele documenten bijgevoegd die zien op een huurovereenkomst tussen de gemeente [gemeente 1] en [gemeente 2] . Ten slotte heeft de raadsman in hoger beroep schriftelijke getuigenissen van de verdachte en [naam 2] overgelegd.

Uit de rekeningafschriften blijkt dat de familie [familie] de beschikking had over meer geld dan onder de verdachte is aangetroffen. Er blijkt evenwel niet uit dat het aangetroffen geldbedrag ook daadwerkelijk is opgenomen voorafgaand aan de aanhouding op Schiphol. De overzichten bieden daarom geen verklaring voor de herkomst van het onder de verdachte aangetroffen geld.

Of en hoe de stukken die zien op de huurovereenkomst verband houden met het onder de verdachte inbeslaggenomen geld is niet gebleken.

Ten aanzien van de notariële akte zij het volgende opgemerkt. Voor zover de daarin opgetekende verklaring zich al leent voor vastlegging in een notariële akte, is daarmee nog niet gebleken van de (legale) herkomst van het geld.

De getuigenissen die de raadsman van de verdachte in hoger beroep heeft overgelegd acht het hof ongeloofwaardig, nu hierin geen verklaring wordt gegeven voor het aangetroffen contante geldbedrag. Bovendien blijft onverklaard waarom het geld cash via Nederland en door de verdachte moest worden vervoerd.

Samenvattend stelt het hof vast dat de (uiteindelijke) verklaring van de verdachte niet wordt onderbouwd door de overgelegde stukken. Er kan daarom geen verband kan worden gelegd tussen de inkomsten van de familie [familie] en het geld waarmee de verdachte is aangehouden.

Bij gebreke aan een concrete, verifieerbare verklaring oordeelt het hof daarom dat het niet anders kan zijn dan dat het geld afkomstig is van enig misdrijf, en (mede gelet op de manier van vervoeren van het geld) dat de verdachte dit wist.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 30 mei 2020 te Schiphol een geldbedrag ter hoogte van 127.670 euro heeft voorhanden gehad en de herkomst en de verplaatsing heeft verhuld, terwijl hij wist dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid geld die (mede) van misdrijf afkomstig was. De verdachte heeft geprobeerd het geldbedrag van Polen naar Spanje te vervoeren. Door deze manier van handelen heeft hij geprobeerd inkomsten uit misdrijf te onttrekken aan het zicht van justitie, hetgeen kan resulteren in een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel. Daarnaast werkt het witwassen van crimineel geld het voortbestaan van verschillende (andere) vormen van criminaliteit in de hand.

Oplegging van een vrijheidsbenemende straf is voor feiten als de onderhavige gerechtvaardigd. Het hof is, gelet op de feiten en omstandigheden in onderhavig geval, van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf.

Mede gelet op de ontkennende proceshouding van de verdachte acht het hof, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof ziet geen aanleiding voor het opleggen van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf, onder andere omdat de verdachte niet in Nederland woonachtig is.

Het bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag.

Het geld is onder de verdachte in beslag genomen. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedrag van EUR 127.670,-.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. A.P.M. van Rijn en mr. N.J.M. de Munnik, in tegenwoordigheid van

mr. A.S. de Bruin, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

2 juni 2022.

Mr. Van Rijn en mr. De Munnik zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]